Sporen van Sophia

Schrijvers Gerwin van der Werf, Manon Uphoff, Jan van Mersbergen, Ernest van der Kwast, Maartje Wortel, Ingmar Heytze en Marjolijn van Heemstra maken deze zomer een reisverhaal onder het motto 'Grensgevallen'. Vandaag aflevering 2

Sophia Loren is geestig, streetwise, in haar eentje de belichaming van gulheid, vitaliteit. Ze komt uit Pozzuoli.

Waarom zou ik, een schrijver, geboren en opgegroeid in de Utrechtse mulcticultiwijk Lombok, en net afgereisd naar Napels - die bruisende schoonheid die tot aan haar knieën in het vuil staat - waarom zou ik per se nog door willen naar Pozzuoli, Napels schonere zusje, loom uitgestrekt in de baai van Napels, onder de rook van de vulkaan Solfatara?

Omdat het de habitat was van een van 's werelds beroemdste, opvallendste, nog levende filmsterren: Sophia Loren. En ik wil Pozzuoli zien zoals ik ook de Vesuvius wil zien, al heeft de laatste eruptie er lang geleden plaatsgevonden en vind je er alleen de uitgesleten lavastromen, en zoals ik ook best weet dat Loren daar niet gevonden zal worden omdat ze haar tijd afwisselend doorbrengt in Amerika en aan het meer van Geneve en omdat ze de stad waar ze opgroeide 22 jaar lang niet heeft bezocht.

Meestal ben ik niet uitbundig in mijn bewondering, maar ik ben dol op Sophia. Toen ik geboren werd was ze al een ster - met een Oscar voor De Sica's 'La Ciociara' op zak. Een opvallend fenomeen in het naoorlogs Europa, waaruit verschillende 'marginalen' zich probeerden te bevrijden en los te breken. Homoseksuelen, vrouwen, zigeuners, armen, arbeiders, kleine middenstanders, een complete sociale onderklasse. Loren was geestig, streetwise ... En met haar te grote neus, korte kin en brede wangen op een vreemde, onbegrijpelijke manier mooi. Loren was hot, in haar eentje de belichaming van gulheid, vitaliteit. Er is maar één eigentijdse vergelijking, Angelina Jolie, de weirde, gothic-punk versie van Loren. En in eigen land herkennen we er iets van in Anouk.

Wat Loren ook was, het werd in onze familie onmiddellijk herkend. Tussen haar (jeugd)geschiedenis en die van mijn moeder bestaan opvallende parallellen.

Sophia Loren groeide net als mijn moeder vaderloos en in grote armoede op in het Europa van voor, tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog, ontpopte zich tot een opvallende schoonheid en bleef haar leven lang (net als mijn moeder) op een soms pijnlijke manier loyaal aan dezelfde omgeving waaruit ze los wilde breken. Je hoefde maar één blik op de gitzwarte haren en olijfkleurige huid van mijn moeder te werpen en je wist meteen dat opa incognito, haar onbekende verwekker, niet uit de Hollandse klei was getrokken. Mijn moeder was draagster van een krachtige genetische cocktail waartegen de blonde haren en melkwitte huid van mijn vader niets vermochten. Als haar kinderen erfden we de zwarte haren en huid die in de zomermaanden olijfkleurig wordt.

We waren 'misfits' in de verpauperende stationswijk vol winkels en wie in die tijd op het scherm de karaktervolle filmsterren van het Italiaanse neorealisme zag, herkende in hen en de levens die ze verbeeldden niet alleen dat van mijn moeder, maar dat van al die andere 'afwijkenden' en marginalen, de grensgevallen, zoals de hoertjes en alleenstaande moeders in de naar afval stinkende Kanonstraat.

Met haar volwassen seksualiteit en even genereuze als aardse schoonheid gaf vooral Loren je het gevoel dat er uit die armoede en oorlog toch nog iets prachtigs kon groeien. Als de vleesgeworden wederopbouw werd ze in haar rollen hét symbool van al die vrouwenlevens, waarin meer dan het politieke kiezen van een kant - goed of fout - het pure overleven centraal had gestaan. Het waren levens waarin oorlogen en rigide regimes een sterk beroep hadden gedaan op juist de vrouwen en hun zorg voor handhaving van het 'normale' leven.

Huisvrouwen, moeders, met smeulende passies en temperamenten, kleine middenstanders, vechters.

In Pozzuoli stuit ik vrijwel meteen op de in 2005 naar Loren vernoemde bioscoop. Het hek voor het onopvallende betonnen gebouw is gesloten. Door de tralies tuur ik naar de lichtbak. Foto's van Sophia? Nee - iets schreeuwerigs, science fiction-achtigs uit de jaren vijftig met Gorilla's en een stad. Lopend langs het amfitheater en de verlopen, verwaarloosde Chiesa della Santo croce uit 1639 - kapot, vernield, onder de leuzen en met een plakkaat tegen de Camorra - langs voetballende jongens en door de steile, hellende straatjes, hou ik mezelf voor dat ik de elementaire deeltjes zie van die filmster die waarachtigheid verleende aan een even aardse als onmogelijke schoonheid met haar nergens vulgaire seksualiteit en energie.

Nee, nee, nee! Zuchtend trekt de vrouw in het morsige kantoortje van het bureau voor toerisme een slordige, te wijde cirkel op de kaart; meer informatie heeft ze niet, dáár ongeveer, in die wijk groeide Sophia op.

Vreemd. Je zou verwachten dat het hier op elke straathoek wemelt van memorabilia. Opgeblazen posters, korrelige zwart-witfoto's, stalletjes met dvd's. The place of the Goddess. Maar als één ding opvalt, terwijl ik in een stomende hitte langs de fruitkarretjes sjok, is het een gebrek aan Loren. Alsof de zee ooit één oester met één zwarte parel heeft opgestuwd, waarna het oppervlak zich weer heeft gesloten.

Die stokoude mannetjes met hun troebele oogjes, in het park als bessen tussen de oleanderstruiken, hebben die haar gekend? Waarschijnlijker is het dat ze in die vroegere jaren hunkerend opkeken naar haar moeder Romilda, en de doodverlegen 'tandenstoker' (zoals Loren werd genoemd) over het hoofd zagen. Het meisje dat op 20 september 1934 in de Clinica Regina Margherita in Rome op een speciale liefdadigheidsafdeling voor ongetrouwde vrouwen ter wereld kwam als het buitenechtelijk kind van Riccardo Scicolone. Hij weigerde te trouwen. Waarna de vernederde Romilda vanuit Rome terugkeerde naar haar familie in Pozzuoli. Nonna Luisa (Sophia's grootmoeder, bij wie Sofia en haar zusje Maria opgroeiden en de oorlogsjaren beleefden) opende er na de oorlog een klein gasthuis met restaurant voor Amerikaanse soldaten. Ze serveerde eigengestookte kersenlikeur. Mama Romilda speelde piano.

Een klein matriarchaat.

"Mijn moeder is meer Sophia Loren dan ik", zegt Loren in een televisie-interview. Ze is dan al ver over middelbare leeftijd. De veelgeprezen loyaliteit van Loren aan háár Pozzuoli moet vooral de loyaliteit aan haar alleenstaande moeder zijn geweest. In de rest van het charmante, gesloten stadje zal ze ook afwijzing en minachting hebben gevoeld. Haar vader, die haar wel erkende, heeft ze twee keer in haar leven gezien.

Die mooie jonge mannen dan, rokend, leunend op hun scooters? Die weten vermoedelijk niet eens meer wie ze is.

Pas in juni 2005 keerde ze (na 22 jaar afwezigheid) terug naar Pozzuoli. De burgemeester was pissig dat ze aanvankelijk weigerde; er werd nota bene een bioscoop naar haar vernoemd! Uiteindelijk kwam ze. Kinderen trokken in een juichende sliert achter haar aan ...

De man in het kantoortje voor de Solfatara weet het: ik moet het tweede rode huis hebben, in de kleur 'sierra Napoli', op de Via Solfatara ... vlakbij het station, van oudsher pleisterplaats voor pooiers, hoeren, kleine handelaars, ritselaars, gokkers, drinkers ...

Verspreid over het korreligwitte en droge oppervlak van de Solfatara walmen en branden gele zwavelpluimen. Sophia groeide op pisafstand op van het amfitheater en een vulkaan. Terwijl ik de dampen opsnuif (die merkwaardig overeenkomen met de geuren van het vuilnis in Napels) is het voorstelbaar dat diep onder me in de afgezette tunnel Vulcanus aan het werk is, de manke onooglijke God die de godin van de liefde en schoonheid tot vrouw kreeg.

Filmproducent en vaderfiguur Carlo Ponti, die zich over de jonge Sophia ontfermde.

De zon brandt.

Pozzuoli slaapt.

Met mijn zakken vol gruizige zwavelstenen loop ik door de straat van Nonna. Daar is het eethuisje. Ik gluur door het raampje met de geblokte halve gordijntjes of ik ze zie, de extreem verlegen Sophia achterin, moeder Romilda stralend binnen. Maar een internet-check leert dat het toch niet deze pizzeria van de broers Urbano is. Het is 'het andere rode huis'. Groter. Minder aansprekend, met meer appartementen in dezelfde vulkaanrode kleur 'sierra Napoli'.

Doodse stilte in de hele straat. Nee, in Pozzuoli geen heldenverering, geen bussen met Japanse toeristen of jonge mannen die zich hongerig, lustvol voor de deur posteren, 'Ai, Sofia! Ai, ai! Ro-milda!' of jankend als een wolf in het beddelaken bijten, zoals Mastroianni in 'Ieri, oggi, domani', tijdens de beroemdste striptease-scène uit de filmgeschiedenis ...

Niets.

Pozzuoli vertolkt de restruimte, de leegte die achterblijft als de stralende ster zich terugtrekt, de zwavelgeur van afgestoken vuurwerk.

De trein terug naar Napels zit vol jongeren uit Sorrento. Hun knappe gezichten, door Joseph Conrad in het tragisch-melancholieke 'Il Conde' beschreven als van een kleurloze, effen teint (met rode lippen en vloeibare zwarte ogen zo bedreven in het werpen van heimelijke en van lichte kwaadaardigheid doortrokken blikken), staan vol jeugdige wrevel en trots.

Een van hen trekt met lome energie zijn mooie meisje naar zich toe. Hij kneedt haar billen in het volle zicht van de passagiers. Ze zoenen. Diep, intens.

Overvloed, schoonheid, jeugd.

In Napels deed Sofia mee aan de 'Koningin van de zee-wedstrijd'. Ze werd een van de prinsessen. De prijs was een treinticket naar Rome.

De trein begint te rijden.

Ik denk aan de scène in 'Twee vrouwen' (La Ciociara) van Vittorio de Sica, naar de roman van Alberto Moravia. Het aangrijpende verhaal van een moeder en een jonge dochter die op de vlucht voor de oorlog Rome verlaten en schuilen op het platteland. Op de terugweg wordt de jonge dochter verkracht. De horroscène waarin de jonge Sophia met haar hoofd tegen de stenen wordt geslagen, terwijl de soldaten zich in het verlaten kerkgebouw vergrijpen aan haar 13-jarige dochter. Als ze bijkomt, staat ze op, klopt haar rok uit, strijkt hem glad. Zoekt haar dochter. Heeft het geen moment over wat háár is overkomen ...

Over de met glasscherven bezaaide trap loop ik Napels weer in. Op straat is het druk. Piepjonge moedertjes in te krappe synthetische kleren uit dubieuze ateliers duwen wankelend op onmogelijke hakken hun kinderwagens voort. Als erfenis van Berlusconi lijkt de gulle, rijpe en beschermende schoonheid van Loren vervangen door die van mooie, maar sleezy pornochicks met opgespoten tieten - Napels' rauwe seksualiteit is voorgoed die van de sloppen.

Op de achtergrond verrijst de Vesuvius, verkleurend van vaag blauw naar roze naar donkergrijs, met een gordel van lichtjes. Het natuurlijke symbool van een eeuwige kringloop, met nu en dan een fonkelende uitstoot.

Manon Uphoff
Over haar laatste bundel, 'De zoetheid van geweld', schreef Rob Schouten onlangs in deze krant: 'Manon Uphoff is onze beste korteverhalenschrijfster, actief in een zeker onder Nederlandse schrijfsters stiefmoederlijk bedeeld genre.' Manon Uphoff (1962) groeide op in een groot, katholiek, chaotisch, arm, samengesteld gezin in de Utrechtse wijk Lombok. Die volle, complexe jeugd duikt regelmatig op in haar romans en verhalen. Ze publiceerde haar eerste verhaal in 1994. Daarna kwam al snel de bundel 'Begeerte' (1995) gevolgd romans als 'Gemis' (1997) en 'Koudvuur' (2005) en de novelle 'De ochtend valt' (2012). Voor dat laatste boek, waarin een jongen getuige is van een fatale ruzie tussen zijn ouders, kreeg ze in 2012 de Opzij Literatuurprijs.

'De zoetheid van geweld', De Bezige Bij, Amsterdam; 192 blz. euro 15,90

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden