Spoken uit een Iers verleden

De Noord-Ierse politie eist in de VS banden op van interviews met Ira-strijders. De familie van een vermoorde vrouw wil antwoorden. Maar wat als de moordenaar Gerry Adams blijkt te heten?

In een groen driehoekje in het hart van Boston staat een deerniswekkend gezin in brons dood te gaan van de honger. Het zijn Ieren, anno 1845: het jaar waarin de Aardappelhongersnood begon.

Op een tweede sokkel zet een ander gezin energiek de pas er in. Dat zijn ook Ieren; ze staan voor degenen, een miljoen sterk, die er in die periode in slaagden de Nieuwe Wereld te bereiken om daar een beter leven te krijgen. De vrouw kijkt nog even om.

In Boston, de meest Ierse stad van Amerika, pik je ze er op straat nog steeds uit: die sproetige bleekneus met het rode haar, die moet wel O'Toole heten, of Dougherty. En wie van Ierse komaf is, wil dat ook weten. Die steunt het basketbal-team, dat niet voor niets de Celtics heet. Loopt mee in de St. Patrick-parade, een Amerikaanse uitvinding die langzamerhand ook in Ierland door begint te dringen. En volgt vaak met argusogen het nieuws uit het moederland.

Dat nieuws draagt tot op de dag van vandaag het stempel van die hongersnood in de negentiende eeuw. Ook al groeide er niets verkoopbaars meer op hun kleine stukjes land, de doorgaans katholieke boeren moesten evengoed hun huur betalen aan de landeigenaren, doorgaans protestantse adel die aan de overkant van de Ierse Zee woonde. Vanuit Londen, sinds 1801 de hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, kwam nauwelijks hulp. Het verbieden van de export van voedsel, een maatregel die bij vorige hongersnoden soelaas had geboden, werd niet nodig gevonden.

Dat alles voedde de al langer bestaande weerzin tegen de Engelse overheersing en de kloof tussen katholiek en protestant. Sentimenten die de emigranten in Amerika ook nog lang zijn blijven koesteren.

Ierland bevocht daarna langzaam zijn zelfstandigheid. Ruim een eeuw na de hongersnood werd de Ierse Republiek uitgeroepen; maar een paar graafschappen, in meerderheid protestant, bleven bij Londen. Tot verontwaardiging van Ieren in Ierland en in de diaspora. Toen het in 1969 goed misging tussen katholieken en protestanten in Noord-Ierland, hadden degenen die zich zagen als strijders tegen de Engelse overheersing weinig moeite om in 'Ierse' steden als Boston, New York en Philadelphia donateurs te vinden voor hun wapenaankopen.

Die 'Troubles' zijn inmiddels voorbij, mede dankzij bemiddeling door de Amerikaanse senator van Ierse komaf George Mitchell. Sinds 1998 kun je in Belfast al jaren over straat zonder dat je een gerede kans loopt een autobom te horen ontploffen of ergens een lijk te zien liggen. Maar tegelijkertijd zijn die troebelen natuurlijk helemaal niet voorbij, want die lijken hadden een naam, en een familie die zich soms nog steeds afvraagt waarom een geliefde moest sterven.

Zoals de familie McConville. Tien kinderen die in 1972 moesten toezien hoe hun moeder, Jean, door gemaskerde mannen uit het huis werd gesleept, in een auto gezet en nooit meer terugkwam. Nu, veertig jaar later, beginnen ze te geloven dat de daders gepakt zullen worden, of in ieder geval met naam en toenaam bekend. Dankzij de Ierse connectie van Boston.

Een Amerikaanse rechter heeft Boston College opgedragen bandopnamen van een interview over te dragen aan de politie van Noord-Ierland. De geïnterviewde: Dolours Price, ooit een vrijheidsstrijdster in het Provisionele Ierse Republikeinse Leger, of zoals anderen het zagen, een stadsterroriste die het uit naam van de katholieken op protestanten had voorzien.

De banden maken deel uit van het Belfast Project van de universiteit. Twee mannen die de Troubles van dichtbij hadden meegemaakt, journalist Ed Moloney en Anthony McIntyre, ex-lid van het Provisionele Ierse Republikeinse Leger (Ira) realiseerden zich in 2001 dat het tijdperk van gewelddadig conflict in Noord-Ierland op zijn einde liep. Ze besloten getuigenissen van de plegers van dat geweld voor het nageslacht vast te leggen. Ze interviewden tientallen mensen, zowel leden van de Ira als van de protestantse tegenhanger, de Ulster Volunteer Force (UVF). Wie meedeed, werd absolute discretie beloofd: de banden zouden pas worden vrijgegeven na hun overlijden.

Wat er zoal op die banden staat, is te zien in de documentaire 'Voices from the Grave' van de Ierse omroep RTE. Daarin wordt de geschiedenis van het Noord-Ierse conflict gereconstrueerd aan de hand van de herinneringen van Brendan Hughes, een van de hoogste leiders van de Ira, en David Ervine, die eerst actief was in de UVF en later in de Noord-Ierse politiek. Zij waren de eerste geïnterviewden die doodgingen - Ervine in 2007, Hughes in 2008. Hun getuigenissen zijn dus al een paar jaar te beluisteren.

En je hangt aan hun lippen. In aanvulling op alle sociale, economische, politieke en religieuze factoren die de weg baanden voor het Noord-Ierse conflict, laten Hughes en Ervine je de kleine, menselijke opgang zien naar gewapend verzet en gruwelijke wreedheid. In één woord: escalatie.

Hughes vertelt hoe hij opgroeide in het enige katholieke gezin in een protestantse wijk. De politie moest hem altijd hebben. Een van de buren, een vrouw van in de negentig, spuugde naar hem als hij voorbijkwam. "Zo, heb je je vanochtend weer gezegend met de plaag van de paus?" zei ze dan. De Oranjemannen, die ook nu nog elk jaar marcheren om de militaire overwinningen van de Nederlandse prins-koning Willem te vieren, die Noord-Ierland protestants maakten, zetten hun triomfboog altijd precies voor hun huis.

Een paar mijl verderop groeide David Ervine als protestant op in een protestantse wijk - en hij had niets tegen katholieken. Dat kwam pas later, toen de Ira niet meer alleen op Britse militairen schoot, maar ook autobommen liet afgaan die burgerslachtoffers maakten. Op Bloody Friday in 1972, een recorddag waarop er wel twintig aanslagen tegelijk waren, ging bij Ervine de knop om: "De zondag erop werd ik lid van de UVF." Zonder gewetensbezwaren voegde hij zich in een organisatie die in antwoord op de auto-aanslagen bommen gooide in volle katholieke pubs.

De commandant aan de andere kant die het sein gaf tot de aanslagen van Bloody Friday, was Brendan Hughes. Die had zich bij de Ira gemeld nadat in 1969 de katholieke enclave Lower Falls was aangevallen door een protestantse meute. "Ze maakten me van tevoren duidelijk wat het betekende. Je komt in de gevangenis of je gaat dood. Daar kwamen je vooruitzichten op neer. Ik werd vrijwilliger."

Zowel Ira-man Hughes als UVF-strijder Ervine kwam door zijn activiteiten uiteindelijk in de gevangenis terecht. Ervine werd betrapt met een auto vol explosieven. Hughes werd op straat opgepakt, samen met zijn vriend Gerry Adams, de latere leider van de politieke partij Sinn Féin en nu parlementslid in Ierland. De luisteraar volgt hun geschiedenis van radicalisering en wakker worden uit de roes van geweld. Bij Hughes begon dat al een beetje op Bloody Friday, de dag van de twintig autobommen: "Ik werd boos op mijn mannen die stonden te juichen toen de explosies klonken. Ik wist opeens dat er slachtoffers moesten zijn gevallen, ondanks de waarschuwingen vooraf. Dat had ik nooit gewild."

Voor de politie in Noord-Ierland was Hughes' relaas vooral interessant om wat hij over de moord op Jean McConville vertelde. Hij was betrokken: de vrouw zou een verklikker zijn geweest, die met een radiozender het Britse leger op de hoogte hield van wat de Ira deed. Zijn groep had haar betrapt, gewaarschuwd en opnieuw betrapt. Toen was er nog maar één weg: executie. Maar die werd niet uitgevoerd door Hughes of iemand die onder zijn commando stond. Dat deed een speciale groep, 'De Onbekenden'. Hun commandant, verzekert hij: Gerry Adams.

Het verhaal van Hughes wordt in de documentaire bevestigd door een van de nog levende geïnterviewden uit het Belfast Project van Boston College, Dolours Price. Die nam een groot risico door zo openlijk uit de school te klappen, en te onthullen dat zij een van de geïnterviewden is van het Belfast Project. Want de Ira mag dan niet meer vechten, ze bestaat nog wel. En de eerste schade, vanuit die organisatie gezien, is er nu: de politie van Noord-Ierland heeft op grond van een rechtshulpverdrag in de VS de banden opgevraagd van het interview met Price en nog zeven mensen, om zo eindelijk verder te komen in de zaak-McConville. De universiteit en de interviewers probeerden bij de rechter dat verzoek vernietigd te krijgen, maar in ieder geval voor het interview van Price is dat eerder deze maand in hoger beroep verworpen. Of de rechter net zo zal oordelen over de banden van zeven andere, nu nog onbekende Ira-leden, wordt door hen met angst en beven afgewacht. En zelfs de interviewers zijn er niet gerust op. McIntyre, die nu in Drogheda in Ierland woont, heeft bedreigingen ontvangen, en prent zijn kinderen in niet zomaar voorwerpen op te rapen die ze in de tuin vinden.

Of Gerry Adams snel de klop op de deur van de politie zal horen, is lang niet zeker. De postume uitspraken van Hughes, zo expliciet als ze waren, kon hij in ieder geval nog weglachen als aantijgingen van iemand die teleurgesteld was over wat er uit de vredesonderhandelingen kwam.

Maar onder zijn geestverwanten kan het gaan rommelen: de Ira legde de wapens neer in de verwachting dat er zand over het verleden zou gaan. Nu dat opwaait, met hartelijke instemming van protestantse politici, onder wie de Noord-Ierse eerste minister Peter Robinson, oogt de bijzondere coalitie van Adams' Sinn Féin en de protestantse Democratic Unionist Party opeens zo stevig niet meer. En dat levert gevaar op voor de zo moeizaam bereikte vrede in Noord-Ierland.

Dat gevaar wordt ook in de VS gezien. Minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton heeft brieven gekregen van senatoren en afgevaardigden die haar smeken het verzoek uit Groot-Brittannië alsnog af te wijzen. Vele daarvan ondertekend met een naam die het halve verhaal al vertelt: John Kerry; Richard Neal; Robert Casey; Tim Murphy; Joseph Crowley; Mike Doyle en Eugene O'Flaherty.

De geschiedenis van 'The Troubles' zoals verteld door Brendan Hughes en David Ervine is als boek verschenen: Voices from the Grave, door Ed Moloney, uitg. Faber and Faber, € 20,99.

De documentaire is te zien op:

http://tinyurl.com/7pafbp4

De verdachte
Gerry Adams (Belfast, 1948) is voorzitter van Sinn Féin, en daarmee aanvoerder van de nationalisten in Noord-Ierland, de politieke richting die ongeveer samenvalt met de katholieke bevolkingsgroep en die aansluiting wil bij Ierland.

Dat Adams ook de leider was van de Provisional Ira heeft hij altijd ontkend. Hij is er ook nooit voor veroordeeld. Wel werd hij in de jaren zeventig op verdenking daarvan een paar keer gevangengezet. De Ira stond er telkens op dat Adams aanwezig was bij gesprekken over wapenstilstanden.

Van 1997 tot 2011 was Adams lid van het Britse Lagerhuis, maar hij nam zijn zetel nooit in. Sinds februari 2011 is hij lid van het Ierse parlement.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden