Spoken in Dresden

WIM BOEVINK

Bij het invallen van de duisternis trekt een politiemacht samen in de historische binnenstad. Dresden, januari. Temperatuur rond het vriespunt. Een politiemacht voor een betoging die niet doorgaat. Verboden is. Het is spookachtig. Al die barokke schitter in vloedlicht. Zwinger, de Galerij van de Oude Meesters, Semperopera, Hofkerk, Residentieslot. Een lege Theaterplatz, op een stel camerateams na. Hier zouden ze samenkomen, die van Pegida. Boven het plein duizenden kraaien tegen de avondlucht, luid krassend tussen operagebouw en hofkerk.

Eén betoger is alvast gekomen. De politie om hem heen. In zijn hand een bord met de tekst Je suis Lutz. Lutz Bachmann is de aanvoerder van Pegida. Een politieman belt naast zijn busje en bestelt meeneempizza's. Het kan even gaan duren. Een man plaatst heel ernstig een waxinelicht op een Duits vaantje tegen de sokkel van het ruiterbeeld. Te paard: koning Johann, keurvorst van Saksen. Rondom het plein toeteren auto's tegen de islam. Kleine groepen scholen morrend samen.

Duitsland is geen land, Duitsland is theater. Een bitter theater soms.

De hotelkamer kijkt uit op de schouwberg. Dagelijks trekt men een ander metershoog geveldoek aan het gebouw omhoog. Een voorstelling van Shakespeare, zaterdag. Op zondag Wilde. En vandaag, maandag, dit: Für ein weltoffenes Dresden. Erboven geschreven: Refugees are welcome here.

'Weltoffen', open naar de wereld, open voor de wereld. In de stad waar duizenden mensen sinds enkele weken elke maandag tegen de islamisering van het Avondland betogen en met Duitse vlaggen zwaaien. Een stad in de war.

Zaterdag. Nog een onwerkelijk beeld, nu op de Carolabrug over de Elbe. Richting stad dat beroemde panorama van Dresden dat Canaletto had geschilderd. Voor me op de brug een bezorgd ogende politieman te voet, het dienstpistool om zijn dij gegord, een file in de tegengestelde rijrichting. Daarin chauffeurs, hun raampje neergelaten om te horen wat ze niet kunnen geloven. Want achter de politieman scanderen luidkeels honderden Eritreërs, deels moslim, "Allahu Akbar." Ze zijn betogend op weg naar het hart van de stad.

Allah is groot, in Dresden, maar hij moet het doen met drie gebedshuizen. Het enige gebouw dat er als een moskee uitziet, met minaret en al, is de vroegere, ruim honderd jaar oude tabaksfabriek Yenidze.

Een uur later staan ze bij de Frauenkirche, met hun spandoeken en spreekkoren, en achter hen nog eens bijna drieduizend Dresdenaren die hen ondersteunen. "Ik ben Khaled", roepen de Eritreërs in het Arabisch of in het Tigrinya.

Lutz of Khaled, iedereen is tegenwoordig iemand anders.

Khaled is Khaled Idris Bahray, maanden geleden door de woestijn gevlucht, een zee overgestoken, via Catania in Rome beland en tenslotte in Dresden geëindigd. Hier woonde hij met zeven anderen in een vierkamerflat in zo'n troosteloze Plattenbau, de systeemflats uit de DDR-tijd, leerde alvast wat Duits, tot hij vorige week dinsdag dood werd gevonden, messteken in borst en hals. Khaled werd twintig jaar.

En nu lopen dus jonge Dresdenaren mee, ringetjes in neusvleugel of lip, met een groot spandoek en daarop de zin: es is deutsch in kaltland - zonder kapitalen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden