SPLATTER EN SLASHER

Hoofden die met bijlen doormidden worden gekliefd. Ledematen die van rompen worden gescheiden door ratelende maaimachines. Lichamen die worden vermalen in vleesmolens. En lijken die een tweede leven beginnen. Zie daar een paar tot de verbeelding sprekende ingredienten van de splatterfilm - een genre dat zich mag verheugen in een steeds grotere belangstelling, zeker onder jongeren. Tot voor kort waren films van dat genre alleen op video te zien of tijdens 'weekends of terror' en 'nachten van de wansmaak', maar vorige week is de film Braindead van Peter Jackson in premiere gegaan, gewoon in de bioscoop, elke dag te zien. Mieke Bernink is hoofdredacteur van het film- en televisietijdschrift Skrien. In oktober wijdt Skrien ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum een apart nummer en een filmprogramma aan de verbeelding van het lichaam in de hedendaagse cinema. Bovenstaande tekst is een bekorte versie van de lezing die Bernink hield voor de Thomas More Academie, in de reeks 'Het verdeelde lichaam'. Komend najaar wordt deze reeks herhaald in Breda, Utrecht en Zwolle. Inf. 080-615555.

MIEKE BERNINK

De splatterfilm is de opvolger van de slasherfilm: een welomlijnd genre horrorfilms waarin psychopathische moordenaars het voorzien hebben op onschuldige mensen - veelal jonge meisjes - - en hen een voor een op uiterst gewelddadige wijze afslachten totdat een van de meisjes de psychopaat in zijn moorddadige vaart weet te stuiten. Texas Chainsaw Massacre, Halloween en de eerste afleveringen van Nightmare on Elmstreet vallen hier bijvoorbeeld onder.

Het verschil met de splatterfilm is dat in de slasherfilms lichamen weliswaar worden vermoord maar niet getransformeerd; daarentegen wordt in splatterfilms de mutatie van het lichaam tot de essentie van de film gemaakt. Net als in Evil Dead, Bad Taste en in zogenaamde 'zombiefilms', roept ook in de film Braindead de mutatie van het eerste slachtoffer de mutatie op van vrijwel alle andere menselijke lichamen in de film. De aap, gevangen in de binnenlanden van het een of andere duistere continent, bijt vanuit zijn kooi in de dierentuin een oudere vrouw in de arm die vervolgens in een monsterlijk en moorddadig gedrocht verandert en de een na de ander hetzelfde lot doet ondergaan. Het is uiteindelijk haar zoon die tot slot de hele collectie monsters met een grasmaaimachine tot pulp vermaalt en aldus (het kwaad) overwint.

Net als pornofilms en in mindere mate musicals, kennen splatterfilms zelden een subtiel en uitvoerig plot. Het rudimentaire verhaal dient enkel als opstapje naar de scenes waar het om gaat: bij de porno de seksscenes, bij de musicals de zang- en dansnummers, bij de splatterfilm de orgieen van bloederig geweld, waarin lichamen gemutileerd, uiteengereten en aan stukken gesneden worden - zonder dood te gaan. De mutatie geeft ze nieuw leven. Eenmaal afgehakt blijken de afzonderlijke lichaamsdelen hun gewelddadig leven ook alleen te kunnen voortzetten. Armen, benen, bovenlijven en hoofden zie je zo los van elkaar door de ruimte van het beeld bewegen. Dat je je bij Braindead geen moment afvraagt of dat eigenlijk wel kan, tekent de steeds grotere perfectie van de gebruikte special effects.

In een splatterverhaal dat nauwelijks nog een verhaal is, zijn er ook geen personages meer. Er zijn alleen nog maar lichamen. Het personage is in de splatterfilm louter lichaam geworden. Sterker nog: louter vlees, louter materie.

Tegenover het gladgepolijste lichaam dat van alle lelijkheid en van alle materialiteit ontdaan is - het reclamelichaam - krijgen we hier het lichaam in al zijn groteske gedaanten te zien. Doordat het taboe op de integriteit van het menselijk lichaam is verbroken, kan het lichaam binnenste buiten worden gekeerd en zien we dat wat we gewoonlijk verbergen: de vunzigheid en de bloederigheid onder onze huid. Het splatterlichaam ontdoet zich van zijn menselijkheid - zijn geest, zijn persoonlijkheid - en wordt een amorfe massa, een bundeling van blinde krachten. Daarin doet de splatterfilm denken aan een schilderij van Jeroen Bosch of aan de beschrijving die Michail Bachtin geeft van de groteske lichamen in het werk van Rabelais.

Zoals in die studie van Bachtin te lezen valt, is de groteske gedaante niet van recente datum. Tot in de zestiende eeuw nam ze een bevoorrechte plaats in in de Westeuropese taal en literatuur. Pas daarna werd ze aan het oog onttrokken en uit de officiele taal gekuist, al liet ze haar sporen na in volkstalen en -gebruiken zoals het carnaval.

In de groteske gedaante van het lichaam, zoals Bachtin het aan Rabelais ontleent, is er speciale aandacht voor al hetgeen door de begrenzingen van het lichaam tracht heen te breken. Vandaar al de referenties naar overdreven uitstulpingen en openingen - van uitpuilende ogen en opengesperde monden tot de vermenging van menselijke en animale trekken - en de fascinatie voor al hetgeen naar binnen gaat en vooral voor alles dat naar buiten komt.

Het groteske lichaam is een 'lichaam in wording': een lichaam dat nooit af is en dat niet te onderscheiden is van de wereld eromheen die door hem wordt opgeslokt en waardoor hijzelf wordt opgeslokt. Omdat er op het niveau van het vlees ook geen onderscheid meer is tussen menselijke en andere organismen, dieren bijvoorbeeld, is het groteske lichaam ook in die zin kosmisch en universeel. Wat ontstaat is een landschap van hybride creaturen.

Met de purificatie van de taal en de puritanisering van het leven, moest het groteske lichaam evenwel verdwijnen of tenminste worden ingetoomd. Alle uitstulpingen werden afgesneden, alle openingen bedekt, alle tekenen van onvoltooidheid alsook alle manifestaties van het leven in het lichaam geelimineerd. De seksuele dimensie verdween uit de taal en de boerse vitaliteit uit de cultuur. Waar de nadruk op het groteske lichaam de collectiviteit naar voren schoof, benadrukt de burgerlijke taal juist het individuele en het begrensde. Maar sporen van het groteske bewustzijn zijn ook in het burgerdom altijd bewaard gebleven.

Bachtin vond ze, behalve in volkstalen en - gebruiken, ook in momenten waarop mensen gezamelijk schelden of lachen. Daarnaast zou je ze, in deze eeuw, bijvoorbeeld ook in de schilderijen van de surrealisten kunnen vinden, in de tekeningen van Unica Zurn, in het werk van de toneelschrijver Antonin Artaud en de filosoof Georges Bataille en in de body art performances van de jaren zestig, waarin het eigen lichaam van de kunstenaar het materiaal werd waaraan het (kunst)werk zich, letterlijk, voltrok. Wat al deze vormen aan elkaar en aan de splatterfilm bindt, is de behoefte die er uit spreekt uit de cocon van het begrensde individu en diens sociale lichaam te breken. Het groteske lichaam als wapen in de strijd tegen de burgerlijke orde.

De splatterfilm staat overigens dichter bij de carnavaleske orgieen van Rabelais dan bij de serieuze grensoverschrijdingen die Artaud in zijn 'theater van de wreedheid' bepleit; dichter bij de komedie dan bij de tragedie. Want voor wie weet te kijken, zijn splatterfilms in de eerste plaats een aanleiding tot bulderend gelach. Waar de moralisten onder ons geshockeerd zijn en weerzin voelen, geniet de fan. Met volle teugen.

Allereerst van de aaneenschakeling van technische hoogstandjes. Want de liefhebber is een kenner. Een kenner die met een technische blik direct de kunstmatigheid van het geheel doorziet en de films juist ook daarom waardeert. Net als critici dat gewoon zijn te doen, behouden fans een zekere afstand tot de film en beschouwen van die afstand het samenspel van vorm en inhoud.

Wat vervolgens de blik van de liefhebbende toeschouwer vasthoudt, is de overdrijving. Want juist de overdrijving maakt de splatterfilm komisch. Juist door het teveel aan bloed - grenzen vervloeien in splatterfilms heel letterlijk - werken de films het in horror getrainde publiek voortdurend op de lachspieren. Het bloed wordt daardoor een slapstick-element, een running gag waarvan de toeschouwer maar geen genoeg kan krijgen.

Die combinatie van kunstmatigheid en overdrijving plaatst de splatterfilm dan ook, behalve in de traditie van Rabelais, in die van de Grand Guignol - een theatervorm die in de vorige eeuw in Frankrijk hoogtij vierde en waarin bij voortduring afgehakte hoofden over het podium rolden -, en in die van de Jacobean revenge tragedies die altijd, net als in de 'Hamlet' van Shakespeare, in een bacchantisch aandoende slachtpartij eindigen.

Maar ook de absurdistische films van Monthy Python laten zich eenvoudig als lotgenoten aanmerken. Op vrolijke wijze wordt in al deze vormen het feest van de omkering van waarden gevierd. Zoals in het carnaval van Rabelais, wordt ook in splatterfilms elke hierarchie op zijn kop gezet - geest en lichaam, orde en chaos, buiten en binnen, hoog en laag, mooi en lelijk. Heilige huisjes worden omvergeworpen, alles is mogelijk, met alles wordt gespeeld. De verbeelding is - even - aan de macht.

In die vrolijke omkering van waarden schuilt - zonder nu de splatterfilm als een toonbeeld van revolutionair elan te willen prijzen - een zekere subversiviteit. Zoals tijdens de carnavaleske orgieen bij Rabelais alles wat hoog was (adel, kerk) werd verlaagd en al wat laag was (volk, landarbeiders) verhoogd, en men het wachten op het hemels paradijs inruilde voor de onmiddelijke geneugten van het aardse luilekkerland - eten, drinken, seks - zo gaat het ook in splatterfilms om het bevoorrechten van alles wat laag, banaal en verderfelijk wordt gevonden. Als vrolijke ode aan de smakeloosheid ondermijnen splatterfilms zo de legitimiteit van de goede smaak en het juiste oordeel.

Splatterfilms zijn niet de enige films met een obsessie voor het lichaam. Ook elders wordt film steeds heftiger. Niet alleen worden sexuele en gewelddadige handelingen steeds explicieter op het witte doek geetaleerd, maar ook zie je menig cineast met de gedachte spelen dat mensen niet alleen een lichaam hebben maar vooral een lichaam zijn.

Meer en meer worden personages in hedendaagse films vooral als lichamen bedacht en in beeld gebracht. Maar de splatterfilm gaat daarin, door het lichaam ook niet meer als herkenbaar menselijk lichaam maar als amorf vlees voor te stellen, nog een stapje verder. Op vrolijke wijze tarten ze daarmee allerlei gangbare codes. Niet in de laatste plaats die van de representatie.

In de splatterfilm is geen sprake meer van een coherente wereld die een afbeelding vormt van de werkelijkheid daarbuiten. Hier geen personages meer waarmee je je als kijker nog zou kunnen identificeren en wier pijn, lijden en genot je aan den lijve mee zou kunnen voelen - hetgeen bij andere zogenaamde 'geweldsfilms' nog wel het geval is.

Met vlees kun je je nu eenmaal niet identificeren, al was het alleen maar omdat aan de gedragingen van het vlees geen enkele psychologie ten grondslag ligt. En hier ten slotte ook geen spel meer met schijn en werkelijkheid, omdat het vlees niets meer te verbergen heeft.

Onze gebruikelijke wijzen om naar film te kijken lopen aldus stuk op de splatterfilm. Doordat de splatterfilm een bom legt onder het mechanisme van de identificatie, tart hij niet alleen de codes van de film en de representatie aan, maar ook die van de moraal.

Ook de moraal loopt vast in de massa van het vlees. Moraal veronderstelt een individu omdat alleen individuen zich moreel kunnen gedragen. Maar in de wereld van de splatterfilm, zoals in de wereld van Rabelais, heeft het burgelijk individu afgedaan en is identiteit, tegelijk met identificatie, een loos begrip geworden. Met het doorbreken van de grenzen van het lichaam, zijn ook de grenzen van het individu doorbroken, zodat de een en de ander, jij en ik, niet meer te onderscheiden zijn en ze, we, niet meer zijn dan op elkaar gelijkende hompen vlees.

Als komedies vol groteske gedaantes - die inhakken op het mooie, ongeschonden lichaam dat de reclame en de Hollywoodfilm ons aldoor voorspiegelen - schilderen splatterfilms ons een fantasmatische wereld aan gene zijde van goed en kwaad. Bijgevolg zijn ook de morele vragen van bezorgde ouders niet op hun plaats. De vrolijke viering van het ongepolijste vlees stelt juist vragen bij al die serieuze, morele, vragen. Niet voor niets draagt de laatste loot aan de splatterboom de naam Braindead.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden