Spinoza verdient iets beters

Kunstenaar Nicolas Dings onthult in Amsterdam het door hem ontworpen Spinozamonument. (FOTO OLAF KRAAK, ANP) Beeld
Kunstenaar Nicolas Dings onthult in Amsterdam het door hem ontworpen Spinozamonument. (FOTO OLAF KRAAK, ANP)

Sinds ruim een jaar heeft Amsterdam een Spinozamonument. Waarom eigenlijk, vraagt Pieter Hoexum zich af. „Spinoza wordt zowel op een voetstuk gehesen als voor schut gezet.”

Op een ’koude maar zonnige’ zondag in de lente van 1935 maakt Menno ter Braak met zijn echtgenote en broer een autoritje rond Den Haag. Dan ontwaart hij in de verte het torentje van Rijnsburg. „Rijnsburg? Is dat niet een inrichting voor zenuwlijders?”, vraagt Ter braak zich hardop af.

„Niet bepaald, althans zeker niet officieel. Je bedoelt waarschijnlijk Rhijngeest”, antwoordt zijn broer.

„Ja natuurlijk, je hebt gelijk. Maar er is toch iets met dat Rijnsburg.”

„Spinoza heeft er gewoond. Zijn huis staat er nog, meen ik.”

„Laten wij hem dan gaan opzoeken.”

Eenmaal gevonden, blijkt het huis ’kleiner, afgelegener, netter en liefelijker’ dan gedacht. Ter Braak wordt, tot zijn eigen verbazing, ’overrompeld’ door de „absolute stilte, de volstrekte afzijdigheid. Onwillekeurig deed het mij denken aan het pannekoekenhuisje uit het sprookje. Wie geeft ons dit Spinozasprookje van voornaamheid en afzijdigheid terug?”

Stiller is het er sinds 1935 rond Spinoza helaas bepaald niet op geworden. Van het bericht (Trouw, 9 januari) dat de componist Theo Loevendie een opera over Spinoza schrijft, werd ik dan ook niet vrolijk. Enigszins geruststellend was wel te lezen dat Loevendie de wijze raad van Pierre Audi, artistiek directeur van de Nederlandse Opera – waar de opera in première zou moeten gaan – serieus neemt. Volgens Audi is een oratorium over Spinoza geschikter dan een opera. Inderdaad, een zanger die Spinoza speelt, daar moet je toch niet aan denken – denk nog eens aan die tenenkrommende vertolking van Spinoza door Huub Stapel in de televisieserie ’Hoffman’s honger’.

We hebben wat dat betreft heel wat te verduren, het is Spinoza wat de klok slaat: van ’Spinozamanifestaties’, onderscheidingen als de ’Spinozalens’ en de ’Spinozapremie’ tot Spinoza-uit-het-hoofd-geleerd en Spinoza-in-60-minuten. Natuurlijk is er een website aan hem gewijd en is er de onvermijdelijke ’Weblog over Spinoza, Spinozisme en Spinozana’ Ter Braak schreef al, in de ’meditatie’ die hij later zou schrijven naar aanleiding van het bezoek aan het Spinozahuisje: „Er wordt over de stilte heel wat gebazeld door luidruchtige mensen.”

En sinds ruim een jaar heeft Amsterdam een officieel Spinozamonument, op een toepasselijke plek, aan de Zwanenburgwal, achter het huidige Amsterdamse Stadhuis (’Stopera’), waar ooit Spinoza’s geboortehuis stond. Ik ben er nu een paar keer langs gewandeld en vond geen spoor van sereniteit. De kop van het Spinozabeeld is eerder uitgestreken. En bovendien nogal clichématig: het is de bekende kop van het oude bankbiljet van duizend gulden. Op verzoek van de gemeente Amsterdam is het beeld ’figuratief en goed gelijkend’, en het moet gezegd: wat dat betreft is het zeer geslaagd

Het gehele monument, een ontwerp van de Amsterdamse kunstenaar Nicolaas Dings, bestaat uit een forse verhoging, een ellipsvormig ’podium’, met daarop behalve een standbeeld van Spinoza, een groot soort kristal, een diamantvormig geval. Dat laatste blijkt, uit de toelichting van de kunstenaar, een ’icosaëder’ te zijn: „een wiskundige vorm bestaande uit een ruimtelijke aaneenschakeling van twintig driehoekige vlakken, twaalf hoekpunten en dertig ribben gemaakt van geslepen graniet”. Deze icosaëder zou volgens Dings niet alleen de broodwinning van Spinoza (lenzenslijper), maar ook zijn denken moeten verbeelden. Dat laatste lijkt me zo vergezocht als het eerste afgezaagd.

De mantel van de filosoof is nog het aardigste van het hele monument. Dings heeft die namelijk van kleine figuurtjes voorzien, vogeltjes en rozen. Het heeft iets lichts, bijna geestigs, en dat kan Spinoza – bepaald geen lachebekje – wel gebruiken. Maar de toelichting van de kunstenaar en de oprichtingscommissie vergalt alle plezier: de vogeltjes blijken mussen en halsbandparkieten: ’autochtone’ en ’allochtone’ Amsterdamse vogels, die moeten verwijzen naar ’Amsterdam als migrantenstad’ en naar de ’culturele diversiteit van de stad’.

De toelichting op de rozen is beter te volgen, omdat die Spinoza zelf volgt: Spinoza had in zijn zegelring een roos gegraveerd met daarbij het woord ’caute’ (oppassend, voorzichtig, behoedzaam): rozen hebben immers doornen en de naam ’Spinoza’, eigenlijk ’Espinosa’, is afgeleid van het Portugese woord voor doorn: ’espinho’ (Spinoza’s ouders, sefardische Joden uit Portugal, vonden in Amsterdam een veilig heenkomen).

Minstens zo ergerlijk als de onzinnige icosaëder en de clichématige kop, is dat er op de zijkant van het podium een soort citaat van Spinoza is geplaatst, in enorme letters nog wel: „Het doel van de staat is de vrijheid”. Ook al zou dat een adequate samenvatting van Spinoza’s politieke filosofie zijn, op zo’n manier gepresenteerd schiet het zijn doel voorbij.

Caute Maar er is niets voorzichtigs of subtiels aan dit monument. De voorzitter van de Stichting Spinoza Monument prijst zich (in een brochure) gelukkig dat de „realisatie van de sculptuur bijna geruisloos, in een zeer kort tijdsbestek en in voortreffelijke samenwerking tot stand is gekomen”. Uit krantenberichten begreep ik dat ’een groep vasthoudende burgers’, onder de naam van bovengenoemde stichting binnen de inderdaad onvoorstelbaar korte tijd van een half jaar een ontwerp, geld en toestemming tot plaatsing geregeld wist te krijgen. Het monument lijkt toch vooral een haastklus te zijn geweest, een lapmiddel.

Het doet mij nog het meest denken aan een gigantische Mozartkugel, die mierzoete bonbon waarmee de middenstand van Salzburg (en de rest van Oostenrijk) de nagedachtenis van Mozart meent hoog te houden. Tegelijk is het een typisch staaltje oubollige heldenverering: Spinoza als ’Grootste Nederlander’ (bij die verkiezing eindigde hij overigens als eenentwintigste). De bewondering voor Spinoza wordt op zo’n onverbiddelijke én malle manier afgedwongen, dat het pathetisch en potsierlijk wordt. Hij wordt zowel op een voetstuk gehesen als voor schut gezet.

Grasduinend in berichten over de totstandkoming van het monument komt de aap uit de mouw: Rotterdam heeft Erasmus en Amsterdam kon daar niets tegenover stellen. Maar nu heeft Amsterdam dus ook een ’intellectueel boegbeeld’. Aan dit Spinozamonument kun je zien wat er gebeurt als een filosoof in handen valt van citymarketeers: niet moeilijk doen, maar gaan!

Dat Erasmusbeeld in Rotterdam is overigens een wonderlijk, interessant geval. Het stamt uit de jaren twintig van de zeventiende eeuw en geldt wel als het eerste standbeeld van Nederland. „Het blijft in hoge mate karakteristiek, dat een paar eeuwen lang eigenlijk het enige openbare standbeeld in Nederland niet dat van een krijgsman, vorst of staatsman is geweest, noch dat van een dichter, maar van een geleerde, die nog wel dat vaderland tamelijk had veronachtzaamd”, merkt Huizinga op in zijn biografie van Erasmus. Als er iets duidelijk wordt uit die biografie, dan is het wel Erasmus’ tweeslachtigheid, misschien mag je wel zeggen: dubbelhartigheid: „Rust en onafhankelijkheid begeert hij het heetst van alles, en niemand was rustelozer en afhankelijker dan hij.”

Als er iemand geschikt was voor een standbeeld, was het Erasmus wel, die kon zich als geen ander bewondering aan laten leunen. Hij snakte naar erkenning en liet voor zijn fans portretten vervaardigen. Je zou haast zeggen: hij verdient niet beter dan een standbeeld. Erasmus zelf zou waarschijnlijk met het Rotterdamse standbeeld wel verguld zijn geweest, hij staat er immers bij als een echte geleerde, verdiept in een boek en gehuld (hij ook al) in een enorme mantel, in zijn geval een toepasselijk ’aaibare’ kamerjas: het was volgens Huizinga dan ook de ’fluwelen zachtheid’ van Erasmus die hem ongeschikt maakte voor de harde tijd waarin hij leefde.

Erasmus was weliswaar net als Spinoza een kamergeleerde, of liet zich in elk geval dat imago graag aanleunen, maar hij was veel minder stil. Spinoza schreef eerder voor deskundigen en Erasmus voor leken, althans voor een zo breed mogelijk publiek. Erasmus lijkt bang te zijn dat hij te serieus genomen wordt, terwijl Spinoza vreest niet serieus genoeg genomen te worden.

Hoe dan ook, eigenlijk is het helemaal niet moeilijk beide filosofen te herdenken, dat kun je eenvoudig doen door hun werk te lezen. Dan blijkt Spinoza al snel een te eigenzinnig en ondoorgrondelijk denker om als boegbeeld te kunnen dienen. En te stil. Zijn gedachten verdragen het niet vereenvoudigd te worden tot leuzen waar je de straat mee op kan. Ik blijf, wellicht tegen beter weten in, geloven in Ter Braaks „spinozasprookje van voornaamheid en afzijdigheid”. Spinoza dient in huiskamers en studeerkamers, ’achterkamertjes’, herdacht te worden.

Trouwens, waar staat dat citaat over ’het doel van de staat’ ergens? Een zin uit de ’Tractatus theologico-politicus’ komt nog het dichtst in de buurt: „Het doel van de politiek is dus in werkelijkheid de vrijheid”. Op zoek naar het citaat – dat ik overigens niet letterlijk kon vinden – raakte ik weer verdiept in, om niet te zeggen: in de ban van Spinoza’s ’Theologisch-politiek traktaat’. De conclusie ligt voor de hand: Spinoza heeft in het geheel geen standbeeld nodig, geen voetstuk of podium. Hij kan heel goed voor zichzelf opkomen. Laat Spinoza met rust, maar lees zijn boeken.

En als er dan toch met Spinoza gesleept moet worden, dan toch liever op de manier zoals voorgesteld door Hans van Houwelingen, een beeldend kunstenaar die al vele, vaak zeer interessante kunstwerken in de openbare ruimte op zijn naam heeft staan. Soms komen daar zelfs figuratieve beelden op reusachtige sokkels aan te pas; zijn ’Zuil van Lely’ is werkelijk briljant: voor het centrum van Lelystad bedacht hij als monument voor ingenieur Cornelis Lely een 30 (dertig!) meter hoge zuil met daarop een bestaand, ’keurig’ figuratief standbeeld van Lely. Voor Amsterdam en Den Haag had hij ook wat moois in petto. Onder het motto ’Gedane zaken nemen keer’, stelde hij voor twee historische vergissingen in één klap uit te wissen: er staat in Amsterdam een Thorbeckemonument, waar dat in Den Haag ontbreekt, terwijl die laatste stad een Spinozamonument heeft, dat in Amsterdam ontbrak. De oplossing van Van Houwelingen is even eenvoudig als doeltreffend: een monumentenruil. Geweldig idee!

Helaas spreekt Van Houwelingen in zijn voorstel de hoop uit met de monumentenruil „een hoop stof te doen opwaaien” en „de maatschappelijke discussie over vrijheid en democratie te voeden”. Dat moeten we hem dan maar vergeven.

Kunstenaar Nicolas Dings onthult in Amsterdam het door hem ontworpen Spinozamonument. Beeld
Kunstenaar Nicolas Dings onthult in Amsterdam het door hem ontworpen Spinozamonument.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden