Spijt van de moord op een eend

Je kunt spijt hebben van wat je ooit gedaan hebt. En ook berouw over wat je voorgeslacht heeft uitgespookt.

Coen Simon ('72) is filosoof, winnaar van de Socrates Wisselbeker (2011) en auteur van 'Filosoferen is mak- kelijker als je denkt' en 'Er zit een gat in de wereld van Spriet' (kinderfilosofie).

Daar word je volgens filosoof Coen Simon zelfs een ander mens van.

Een bevriend schrijver wilde advies. Hij had een chatflirt gehad en zijn vriendin vond dat hij er spijt van moest hebben. Nu vroeg hij zich af of je eigenlijk wel spijt kunt hebben als een ander daar eerst om moet vragen. Ik denk dat als je een filosoof moet consulteren om te weten of je gedrag door de beugel kan, je het antwoord eigenlijk zelf al wel weet. Dat neemt niet weg dat de vraag filosofisch interessant is.

Wat hij had gedaan had zich volgens hem in een moreel schemergebied afgespeeld, maar hiermee had hij zijn vriendin niet bedrogen - er was immers 'niets gebeurd'. Omdat zij het niet leuk vond wilde hij wel beloven dat het niet meer zou gebeuren - zo wel, dan zou het pas promiscue zijn.

Daarmee nam zij geen genoegen. Ze wilde niet alleen dat hij het niet meer deed, maar dus ook dat hij er spijt van had - hij had het bij voorbaat niet moeten willen. Niet alleen de toekomst van hun liefde moest onbezoedeld blijven, maar ook het verleden.

Toen ik daarna vrienden vroeg of zij grote spijtgevoelens met zich meedroegen, kreeg ik twee soorten reacties: de een noemde onmiddellijk iets, de ander volhardde in een non je ne regrette rien. Ook ik dacht dat ik nergens echt spijt van kon hebben. Alles waarover ik lichte gêne voelde (ik jatte ooit een fiets, die ik vlakbij huis in het kanaal smeet) en alles wat achteraf geen handige keus was geweest (ik gooide Duits uit mijn pakket), hadden me ook gemaakt tot wie ik was. Spijt hierover was strikt genomen mezelf afwijzen.

Al heeft spijt altijd betrekking op wat onomkeerbaar voorbij is, het gevoel gooit in de eerste plaats het heden overhoop en kan je perspectief op de toekomst laten kantelen. Dat maakt deze emotie zo hachelijk. Spijt zou een fluitje van een cent zijn als ons verleden niets met het heden en onze toekomst te maken had. In de beoordeling van onze eigen misstappen wordt duidelijk dat de overgang tussen ons voorbije zelf en ons actuele zelf allerminst vloeiend verloopt.

Willen we de oordeelskracht van het gevoel van spijt begrijpen, dan moeten we de relatie tussen ons betreurenswaardige gedrag uit het verleden en de actualiteit van ons zelfbeeld in ogenschouw nemen. Dat is moeilijk, want voordat spijt zich meester van ons kan maken, brengt het gemoed onwillekeurig andere stemmingen in stelling tegen een zelfveroordeling - schaamte, woede, angst en deemoed beletten ons om over ons eigen handelen een afgewogen oordeel te vellen. En niet zelden gaan de meeste van deze gevoelens vermomd als een trots 'zo-ben-ik-nu-eenmaal' door het leven.

Veel gevoelens kunnen dienen als pantser dat veel grotere gevoelens op afstand houdt.

Zelfs spijt kan een vermomming zijn voor een veel grotere spijt. Dat zag ik bij mijn dochter gebeuren, toen ze als vijfjarige haar broertje per ongeluk expres net iets te hard duwde waardoor hij languit ging op de plavuizen. Ze zat in de fase waarin kinderen met horten en stoten de overgang maken van een magische naar een causale denkwereld. Elfjes waren even reëel als haar net ontdekte en veel te strenge geweten.

Ze wist onmiddellijk dat ze niet had mogen duwen, dat ze het had kunnen laten, en dat haar huilende broertje het directe gevolg was van haar handelen. Toch gedroeg ze zich alsof de daad haar overkomen was, even machteloos en schuldbewust als Meursault die in Albert Camus' 'De vreemdeling' door noodlottige omstandigheden een Arabier doodschiet op het strand. Alleen was zij nog niet zo kalm als Meursault over de absurditeit van het leven die maakt dat we volledig verantwoordelijk zijn voor onze daden ook als we die nooit helemaal in eigen hand hebben. Zij gaf zich niet, zoals hij, 'over aan de tedere onverschilligheid van de wereld', maar begon zo hevig te huilen en 'het is mijn schuld! het is mijn schuld!' te roepen dat ze haar broertje overstemde.

Ik troostte eerst hem, en legde haar toen uit dat ze zich altijd eerst om het slachtoffer moet bekommeren. Daarna is pas tijd voor eigen verdriet; de wetenschap dat je fout onomkeerbaar is en de gevolgen groter dan je dacht. Daarmee begint spijt: het lijden aan de onomkeerbaarheid van je eigen handeling. Maar spijt voelen, is nog niet spijt hebben. Voor haar broertje was dat natuurlijk het meest voelbaar. Haar overdreven zelfverwijt was geen spijt waar hij iets aan had. Het was geen berouw, het was haar verzet tegen haar loodzware gevoel van spijt.

Tegen het onomkeerbare kunnen we niet op. Tegen het lijden eraan misschien wel. De vrienden die onmiddellijk wisten waar ze spijt van hadden, lijken misschien oprechter hun lot in de ogen te kunnen kijken, maar het kan ook een vorm van defaitisme zijn, lijdzaam gebukt te gaan onder je lot. Een passiviteit waarmee je stilzwijgend je autonomie opgeeft: want als in het verleden alles nu eenmaal ging zoals het ging, dan zal in de toekomst ook altijd alles zijn gegaan zoals het ging.

En wat mag een mens dan nog hopen? De mens, schreef Immanuel Kant in zijn 'Kritiek van het oordeelsvermogen', excelleert juist daar waar hij feitelijk niets meer in te brengen heeft. Onze vrijheid ligt niet in de feiten, maar in hoe we ermee omgaan.

Zoals defaitisme vermijdingsgedrag is, zo kan trots dat zoals gezegd ook zijn. Toen ik wat langer stilstond bij mijn eigen non je ne regrette rien stuitte ik langzaam aan toch wel op enkele gebeurtenissen die ik in de loop der jaren had bedekt onder een dikke laag schaamte. Een ervan zal ik hier met veel schroom opbiechten.

Ik was een jaar of 15 en ging met vier vrienden op zeilvakantie in Friesland. Een paar dagen stortten we ons ook in het feestgedruis van de jaarlijkse Sneekweek. Comazuipen bestond als woord misschien nog niet, maar het gebeurde al wel. Op een van de eerste dagen hadden we in een sloot midden in een woonwijk aangemeerd en onze tent opgezet in het plantsoen tussen de huizen. Ik zie me nog liggen in het grasperk, een tengere jongen met blote bast boven een veelkleurige net te grote bermuda. Nog lang niet het mannenlijf waarover zijn vrienden al beschikten. Zij dronken cola met een mierzoete likeur en ik moest dat ook eens proberen, vonden ze.

Het leek me een pervers idee om hier midden op de dag - terwijl het gras aan mijn benen plakte, de zon op mijn huid brandde en ik het zoete water rook van de ondiepe vaart - de roes van drank te laten binnenkomen. Maar ik weifelde geen moment, zette de fles likeur aan mijn mond en liet het spul mijn keel inglijden. 'Kijk hem nou', lachten ze. Ik zette de fles provocatief opnieuw aan mijn mond en genoot van de aandacht.

In die gemoedstoestand stond ik even later tot mijn middel in de sloot, de fles goedkope likeur halfleeg in de hand en het zweet in mijn wenkbrauwen.Het is beslist niet om mezelf vrij te pleiten dat ik over die drank en het sociaal gewenste gedrag begin, ik beschrijf alleen wat er voorafging aan het betreurenswaardige moment dat ik besloot met een houten peddel uit te halen naar een langszwemmende eend. Het was een mannetje, en het ging veel makkelijker dan ik had verwacht. Alsof hij er al die tijd al dreef met zijn geknakte groene glanzende nek, levenloos in het water.

"Ik begreep", zei Meursault, "dat ik het evenwicht van de dag had verstoord."

Toen ik deze beschamende misdaad, voordat ik haar aan dit papier toevertrouwde, aan een vriendin opbiechtte, zei ze dat ze compassie had met de jongen die ik toen was.

Het stelde me gerust - want ik vreesde een veroordeling - maar ik verzette me er ook tegen. Want ik heb spijt, en te veel medeleven met de jongen die ik toen was lijkt deze in de weg te staan. Alsof ik toen een ander was, en als ander bovendien overgeleverd aan mijn omstandigheden toen. Hoe verbind ik de jongen in zijn bermuda met de man die dit stuk nu schrijft? Kan ik mijn excuses nu nog maken voor de moord op de eend?

Tijdens de Maand van de Geschiedenis waarschuwde politiek commentator Martin Sommer in de Volkskrant voor de politiek gedreven neiging om de geschiedenis aan te klagen. "Jan Pietersz. Coen is met terugwerkende kracht een misdadiger, vandaar dat de politieke beweging Denk de Coentunnel anders wil noemen."

Hij ziet deze onhistorische houding tegenover het verleden onder politici en juristen, maar ook onder historici zoals Beatrice de Graaf, die er in NRC voor pleitte om 'onze' oorlogsmisdaden tijdens de politionele acties in Indonesië tegemoet te treden zoals de Duitsers hun Holocaust onder ogen hebben moeten zien. "Zo is de geschiedschrijver niet langer beschrijver en beoordelaar", moppert Sommer, "maar ook rechter over het verleden geworden."

Zijn angst is dat met het veroordelen van het verleden, de verbindende functie van de geschiedenis verloren gaat. Álle schakels, ook de ons onwelgevallige, maken ons tot wie we nu zijn. "Zonder Willem van Oranje geen Nederland", citeert hij Arie van Deursen instemmend. Van deze historicus heeft Sommer geleerd dat je het verleden moet beoordelen 'in de omlijsting van de tijd', oftewel in de context van haar eigen omstandigheden. "Willem van Oranje leefde in de zestiende eeuw. Daar zullen we hem dus ook moeten zoeken, want uitsluitend tegen die achtergrond tekent zijn gestalte zich af." En in deze les meent Sommer dan ook het argument te vinden tegen het politiek maken van het verleden. 'Geschiedenis is hier en nu geworden': het verleden verbindt niet meer, maar wordt als munitie gebruikt voor verdere versplintering van de samenleving.

Wat deze kwestie in elk geval laat zien is dat een maatschappelijke identiteit met dezelfde incongruenties kampt als een individuele identiteit. Ieder mens, en iedere natie, kent een reeks ongerijmdheden die desondanks de bouwstenen vormen van zijn zelfbeeld.

In zijn ongemak over het populistische gebruik van de geschiedenis neemt Sommer niet alleen zelf ook een nogal onhistorische houding aan - alsof het politiek bedrijven met historische feiten iets van deze tijd zou zijn -, hij gaat ook voorbij aan het feit dat met de methode-Van-Deursen evengoed politiek wordt bedreven.

Dat demonstreerde historicus en minister-president Mark Rutte afgelopen zomer nog in het televisieprogramma 'Zomergasten'. "Spijt, excuses en sorry zeggen, zijn voor mij hetzelfde", zei hij tegen interviewer Thomas Erdbrink, die daarop vroeg waarom het voor Nederland dan zo moeilijk is om over het slavernijverleden een excuus te maken. "Euh, slavernijverleden", stamelde Rutte, "daarvan is mijn punt altijd: dat is 150 jaar geleden. Ik heb het altijd gratuit gevonden om te zeggen over iets wat 150 jaar geleden is gebeurd, in die context in een

totaal andere situatie, om daarvoor excuses te maken, om dan te zeggen de mensen van toen hebben het fout gedaan. Dat vind ik vanwege dat grote tijdsverschil en het feit dat je de context van 150 jaar geleden nooit kunt wegen onjuist."

Net zoals een individu trots, schaamte, angst en andere grote gevoelens kan inzetten om zijn onomkeerbare fouten uit het verleden niet onder ogen te hoeven zien, zo kan ook een samenleving haar ongerijmdheden wegpoetsen. Dezelfde Rutte die excuses over de koloniale tijd gratuit vond, gaf vorige week woensdag een kris terug aan de Indonesische president Joko Widodo; de symbolische eerste teruggave van 1465 koloniale roofgoedvoorwerpen uit de Nusantara Collectie. Rutte noemde de historische uitnodiging aan hem om voor het eerst sinds de onafhankelijkheid van Indonesië het Indonesisch parlement toe te spreken 'een waardevolle en eervolle bezegeling van de sterke banden tussen twee trotse landen'. Die trots zat wellicht een excuus in woord in de weg, maar de teruggave toont tenminste berouw in daad.

En dat is wat berouw kan: het laten samensmelten van twee onverenigbare perspectieven. Zo moeten we volgens de filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) ook tegen het begrijpen van een andere tijd aankijken. We dienen ons vanuit de eigen actuele politieke en maatschappelijke horizon te verplaatsen in de historische situatie die we ons nooit eigen kunnen maken. "Wat betekent dit verplaatsen? Zeker niet simpelweg van zichzelf wegkijken. Natuurlijk is dat in zoverre nodig dat men zich de andere situatie voor ogen moet stellen. Maar in die andere situatie moet men zichzelf juist meenemen. Dat is pas zich verplaatsen in de volle betekenis van het woord. Verplaatst men zich bijvoorbeeld in de situatie van een ander mens, dan zal men hem juist begrijpen, dat wil zeggen: zich van het anders-zijn, van de onherleidbare individualiteit van de ander bewust worden, doordat men zich in zijn situatie verplaatst.

Zich op die manier verplaatsen is geen inleving van het ene individu in het andere, en evenmin onderwerping van de ander aan de eigen maatstaven, maar betekent altijd verheffing tot een hogere algemeenheid, die niet alleen de eigen particulariteit maar ook die van de ander overwint."

In de berouwvolle biecht kunnen we het onomkeerbare weliswaar niet opheffen, wel kunnen we ons in een nieuwe gedaante verzoenen met het onomkeerbare zodat ons ongerijmde verleden niet als een onbegrepen absurditeit onze geschiedenis versplintert.

En kun je spijt hebben als een ander daarom vraagt? Ja. Sterker nog, je wordt zelfs een ander als het je werkelijk spijt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden