Spijt betekent voor Poncke Princen ontrouw aan idealen

JAKARTA - De chauffeur die me afzet in de stoffige kampong straalt. Hij heeft een hand gekregen. Een persoonlijke hand van Poncke Princen. Dezelfde hand die sommige Nederlanders onder geen beding zouden willen schudden.

Die gemengde gevoelens lijken al tientallen jaren het lot van Princen. Het blijkt uit de veelkleurige kwalificaties die hem zijn toegedicht: dwarsligger, held, avonturier, verrader, mensenrechtenactivist. En uit datgene wat deze kwalificaties hem opleverden: het verzetskruis van Indonesië, zo'n tien jaar in Duitse en Indonesische gevangenissen, de Yap Thiam Hin mensenrechtenprijs '92.

Hij weigert het zelf zijn 'lot' te noemen. “De consequentie van een consequentie is een consequentie. Als je de eerste stap zet moet je niet terugschrikken voor de tweede”.

Jan 'Poncke' Princen: “Ik heb nergens spijt van. Het is misschien een afwijkend leven maar spijt zou ontrouw aan mijn idealen betekenen. Het is moeilijk om altijd consequent te zijn en ook ik heb fouten gemaakt maar, om met Edith Piaf te spreken: 'Je ne regrette rien'.”

In 1946 werd hij ingedeeld bij de geneeskundige troepen. De gedachte om zijn militaire dienstplicht in Indië te moeten vervullen, vond hij weinig aanlokkelijk en hij vertrok naar Frankrijk waar hij zijn dagen al dichtend en pratend doorbracht. Voor een bezoek aan zijn ernstig zieke moeder keerde hij terug naar Nederland, om aan de grens gearresteerd te worden door de militaire politie. Op desertie stonden zware straffen, maar wanneer iemand alsnog zijn handtekening wilde zetten onder een verdrag dat hem tot Indiëganger bestempelde, werden zijn zonden kwijtgescholden. Princen besloot van deze regeling gebruik te maken en vertrok naar Indië. Niet zonder aarzeling en tegenzin. Hij droeg de nasmaak van de Duitse bezetting met zich mee en vroeg zich af waar het allemaal goed voor was.

Zijn twijfel vertaalde zich in ondisciplinair gedrag maar werd niet gesmoord door de twaalf maanden gevangenisstraf die hem dat opleverde. Daarentegen wel aangewakkerd door gesprekken met jonge Indonesische dichters en schrijvers.

Princen: “We zaten in een koffiestalletje en ik vroeg hen waarom ze alleen maar mooie gedichten en schilderijen maakten over de oorlog in plaats van daadwerkelijk partij te kiezen, waarop zij op hun beurt vroegen: 'wat doe jij dan?' En ik realiseerde me dat wanneer zij het gelijk aan hun kant hadden - zoals ik geloofde - ik ook daadwerkelijk aan die kant moest gaan staan.”

Na zijn vrijlating vertrok hij naar Jakarta en nam dienst in het Republikeinse leger. Hij was niet de enige Nederlander die deze stap zette maar in de jaren die volgden werd de prijs op met name zijn hoofd steeds groter. Hij was van een weinig waardevolle soldaat geworden tot een prominent tegenstander. Hij werd gezocht, 'dood of levend' tegen een beloning van 40 000 gulden. Princen: “Het bedrag was op tafel gelegd door een groep ondernemers die in pais en vree hun thee wilden plukken en erbij gebaat waren dat die lastige Princen van het toneel zou verdwijnen. Het heeft me altijd een vreemd gevoel van trots gegeven, dat: 'dood of levend'. Dat zie je toch alleen in televisiefilms. Maar ik was me er ook terdege van bewust dat ze korte metten met me zouden maken wanneer ze me te pakken zouden krijgen.”

Een dag voor het bestand, tijdens de zogenaamde 'Finale Aktie' was het zover. Princen en zijn manschappen waren gelokaliseerd door de Nederlandse troepen en bij het aanbreken van de dag werd het vuur geopend. Door een misrekening niet op Princen maar op zijn Soedanese vrouw met wie hij een maand eerder was getrouwd. “Zij kreeg de kogel die voor mij bestemd was. Ik was kapot van haar dood. Mijn commandant zei later: 'Ik wist niet dat een mens zoveel verdriet kon hebben'. Ze hadden haar lijk in een brandend huis gegooid en het is niet moeilijk voor te stellen wat er dan van overblijft. Maar vrijwel vanaf het begin begreep ik dat dit de dingen zijn waar je in een oorlog mee te maken krijgt. Ik heb ook mensen gedood en moet met die gedachte leven, hoe moeilijk het ook is. Wat ik alleen niet begrijp is dat mensen hun haat tegenover degene die in dergelijke omstandigheden doden, cultiveren.”

“Een dag later - de dag van het bestand - had de TNI een huisje voor me geregeld waar ik moest blijven. Ze waren bang dat ik me zou wreken voor de dood van mijn vrouw. Ik had er geen behoefte aan. Haar dood betekende voor mij de afsluiting van de guerrilla-periode. Voor mij was het gevecht voorbij.”

“Ik had me na de politionele acties willen melden om me te onderwerpen aan een proces in Nederland, maar mijn broer raadde het me af. Hij zei: 'Je zult de eerste jaren zeker geen legaal proces krijgen. Er zullen altijd mensen zijn die je betichten van wreedheden die je niet hebt begaan'.”

In 1955 zette hij zijn eerste stappen in de politiek. “De aandacht viel, net als in de guerrilla, op mij omdat ik blank was. Ik bemoeide me onmiddellijk met het conflict tussen de buitengewesten en de centrale regering en werd al snel gearresteerd omdat ik in het parlement vragen stelde over de kosten van Soekarno's persoonlijke bewaking. Mijn ouders waren in de jaren vijftig hierheen gekomen omdat ze Indonesiërs wilden worden. Na mijn arrestatie wist ik dat ik hen niet zou kunnen beschermen. Ze zijn op mijn aanraden met de grote uittocht van '57 teruggegaan naar Nederland.”

Op de eerste arrestatie volgden er meerdere. Steeds omdat hij zich in de ogen van Soekarno en de zijnen te kritisch had uitgelaten over het politieke beleid. Het leverde hem in '58 twee jaar gevangenisstraf op. Princen: “Alles in me verzet zich tegen gevangenschap. Ik begreep het ook niet. Ik was een held van de Indonesische regering, had een dikke onderscheiding gekregen maar omdat ik dingen zei die niet in hun straatje paste, veranderde ik van een vriend in een vijand. Het is moeilijk om daar niet cynisch van te worden.”

Eind jaren vijftig kwam een aantal ontevreden groeperingen in deelgebieden van Indonesië (Sumatra, Sulawesi, West Java) in opstand. Soekarno kondigde de staat van beleg af en het leger sloeg de opstanden neer. Alle macht kwam in handen van de president en de legerleiding, het parlement werd ontbonden.

Als reactie op deze 'geleide democratie' werd de Democratische Liga opgericht. Het lidmaatschap van deze tegenbeweging bracht Princen opnieuw vier jaar achter de tralies. Hij bleek hardleers want nog maar net uit de gevangenis meldde hij zich aan als lid van de mensenrechtenbeweging Challenge, waar hij nu voorzitter van is. “Ik kon me niet aan de politieke strijd onttrekken. De persoonlijke voldoening is niet het verwerven van een bepaalde positie maar het idee dat ik mijn talenten gebruik om iets aan de wereld te veranderen. De strijd zelf overtuigt je steeds opnieuw van de noodzaak van de strijd.”

Dat het een strijd is die materieel weinig vruchten afwerpt, blijkt uit het kantoortje van Challenge waar we het gesprek voeren. In het wankel opgetrokken, benauwd kleine kamertje van de voorzitter doet alleen de ratelende fax eigentijds aan. Al het geld gaat op aan de vereniging, zo zelfs dat hij me vraagt om wat geld voor de maaltijd van die avond.

Het is het hem waard. “De voldoening is dat je aan het eind van de dag kunt zeggen: ik heb vandaag gedaan wat ik moest doen. Ik kan zonder angst gaan slapen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden