Speuren naar het goede leven

Economen hebben hun krediet verspeeld, stelt econoom Martijn van der Heide. Vakgenoten moeten leren van andere disciplines - en op zoek naar moraal.

Martijn van der Heide (1973) is milieueconoom aan de Wageningen Universiteit en lector geïnte- greerd natuur- en landschapsbeheer aan Hoge- school Van Hall Larenstein.

De economische crisis is het demasqué van de economische wetenschap. Dat is tenminste het beeld dat opduikt in de media: weinig economen zagen namelijk de crisis aankomen en nu ze ermee worden geconfronteerd, zijn ze verdeeld over de oplossing. In het Jaarboek van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde verkondigen topeconomen uiteenlopende en soms zelfs diametraal tegengestelde opvattingen over de huidige malaise.

De redactie van het jaarboek stelt droogjes vast dat de discussie "nog niet heeft geleid tot een unaniem antwoord". Verrassend is zo'n conclusie niet, wel ontluisterend. Je hoeft de kranten maar open te slaan of de sociale media te volgen en je ziet dat de kennis van economen weinig waard is. Is economie eigenlijk wel een wetenschap? In ieder geval heeft deze wetenschap in korte tijd haar eigen geloofwaardigheid uitgehold.

Wat nu? Ik zie twee mogelijkheden. Nobelprijswinnaar Paul Krugman constateert in zijn boek 'Stop deze depressie nu' dat economen een deel van de economische crisis zijn geweest, en niet van de oplossing.

Een onrustbarende gedacht, die ogenblikkelijk de vraag oproept of we de huidige geloofwaardigheidscrisis niet als een zegen moeten beschouwen. Hun beperkte slagkracht voorkomt immers dat economen ons nog verder (of opnieuw) in de ellende duwen.

Deze cynische gedachtelijn doortrekkend: waarom schaffen we de economische wetenschap niet helemaal af en verklaren we de econoom tot persona non grata - zonder economen heb je immers ook geen economische problemen meer.

De andere mogelijkheid is om de economische wetenschap weer de wetenschap te maken zoals die oorspronkelijk was: een sociale wetenschap waarin alles draait om het dagelijks handelen van mensen.

Binnen de economische wetenschap leek het de laatste decennia om van alles te gaan behalve om de mens, zoveel is duidelijk. Veel economen op universiteiten richten zich uitsluitend op de wiskundige toetsing van theoretische modellen aan zorgvuldig verzamelde gegevens, in een poging om van de economische analyse een 'echte' - mathematisch gefundeerde - wetenschap te maken (physics envy). Daardoor is de economie een abstracte discipline geworden die drijft op wiskundige modellen met ingewikkelde vergelijkingen, grafieken en tabellen. Economen benemen zichzelf daarmee het zicht op de werkelijkheid. Hun formuleringen stuiten bij het brede publiek op de ontoereikendheid van het voorstellingsvermogen.

Economie, schreef de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek in Letter&Geest (28 juli 2012), "verschuilt zich achter een analytisch-technisch apparaat en heeft de ethiek uit het oog verloren. Zo kan ze behoorlijk gevaarlijk zijn. Want ze abstraheert mensen en brengt ons in de verleiding om te denken dat waardeoordelen niet bestaan of onbelangrijk zijn."

Dit heeft het gezag van de economen in de samenleving aangetast. Hier is geen sprake meer van een delicaat probleem, maar eerder van een botsing tussen twee werelden. "De economie als wetenschap heeft een overlevingsdrang die niet samenhangt met de urgentie van de economische problemen", concludeerde de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith.

Dat brengt ons bij de vraag: hoe kan de knetterende kortsluiting tussen economen en de alledaagse realiteit worden verholpen? Om hierop een antwoord te geven, zijn twee inzichten cruciaal.

Veel conventionele economen vinden dat ze een waardenvrij vak uitoefenen, waarin de verdeling van schaarse goederen en diensten centraal staat. Vertellen hoe mensen zich moeten gedragen - dus moraal - hoort hierin niet thuis. Zo hamert Arnold Heertje, in navolging van zijn leermeester Pieter Hennipman, erop om waarden buiten de economische wetenschap te houden. In 2012, tijdens een debatavond in Groningen, zei hij dat de econoom idealiter geen normatieve uitspraken doet. Ook Jan Tinbergen - een van de grondleggers van de econometrie, waarbij wiskundig taalgebruik en het in getallen uitdrukken van de relaties tussen economische grootheden centraal staat - weerde met verve normen en waarden uit zijn onderzoek.

Zijn opstelling leeft nog steeds voort binnen het Centraal Planbureau, waarvan Tinbergen kort na de Tweede Wereldoorlog de eerste directeur was.

Veel economen zijn in dit opzicht telgen van Tinbergen. Heel kernachtig formuleert hoogleraar marktwerking- en mededingingseconomie Barbara Baarsma hun uitgangspunt: "Economie is een waardenvrije wetenschap." Ze zijn daarmee erfgenamen van de negentiende-eeuwse Franse wiskundige Auguste Comte die de economie, evenals de natuurwetenschap, een 'positieve wetenschap' vond, gebaseerd op empirische studies, met oog voor wat 'is'.

Wat 'hoort', is geen thema voor de econoom, maar voor de ethicus. Economen hebben een afkeer van morele afspraken, liever beroepen ze zich op wetmatigheden binnen de economie. Gedurende de ineenstorting en de Depressie van de jaren dertig uit de vorige eeuw waren veel neoklassieke economen van mening dat het economische systeem wetten kende waar niet aan te tornen viel.

Die onbuigzaamheid kenmerkt veel economen met hun 'positieve wetenschap' nog steeds. Maar dat is niet het hele verhaal. De Zweedse econoom en Nobelprijswinnaar Gunnar Myrdal vindt dat veel economische begrippen zijn overladen met waarden. Ze zijn ambigu, want ze hebben een emotionele lading buiten de formele betekenis om. Zo zit in het woord 'goederen' iets van goed, roept de term 'belastingen' negatieve associaties op, en is groei prettiger dan stilstand. Daarmee heeft de economische wetenschap niet meteen een inherent ethisch karakter, maar subjectiviteit en emotionaliteit zijn onmogelijk uit te sluiten.

Het standpunt dat de economie een waardenvrije wetenschap dient te zijn, is op zichzelf al een normatieve uitspraak. Bovendien: wanneer economen over, zeg, inflatie praten, dan blijft het vaak niet bij een beschrijving en een analyse. Vaak volgt ook de normatieve mededeling dat we inflatie moeten voorkomen, omdat het tot hogere prijzen leidt en daarmee tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie (of dat inflatie juist wel goed is, omdat schulden hierdoor minder worden en er meer geld overblijft voor andere dingen).

Het tweede cruciale inzicht is - en ik volg hier de Britse Nobelprijswinnaar Ronald Coase - dat economie als wetenschap een tamelijk statisch karakter heeft. Economen grijpen nog altijd graag terug op Adam Smiths klassieker 'Wealth of Nations' (1776), over de wereld die uiteindelijk draait om het zelfzuchtige verlangen van de mens om zijn persoonlijke levensomstandigheden almaar te verbeteren. 'Wealth of Nations' vormde het startpunt van de moderne economie als vakgebied. Sindsdien is de economische wetenschap geformaliseerd - met 'wetten', rekenregels en theorieën - en zijn fouten gecorrigeerd, maar in de kern is het nog altijd dezelfde wetenschap als een kleine 250 jaar geleden.

Terwijl de economische wetenschap nauwelijks grote ontwikkelingen heeft doorgemaakt, zijn de problemen waarvoor ze oplossingen zoekt complexer geworden. Nationale identiteiten verwateren, samenlevingen en maatschappelijke processen raken steeds nauwer met elkaar verstrengeld. Inmiddels zijn veel vraagstukken zo ingewikkeld, 'dat je ze als intellectueel niet meer doorgronden kunt', aldus de filosoof Rüdiger Safranski in zijn essay 'Hoeveel globalisering verdraagt een mens?'. "Je hebt geen overzicht, en toch word je gedwongen een standpunt in te nemen."

De economische wetenschap pretendeert de economie en daarmee de hele maatschappelijke context te kunnen begrijpen, en beweert zelfs de toekomst te kunnen voorspellen. Maar de samenleving is meer dan economie, en het ontbreekt economen aan een bredere, sociaal-wetenschappelijke kijk hierop. Het wereldbeeld van de academische economenwereld komt niet met de werkelijkheid overeen; ze hanteert een geamputeerd beeld van de realiteit. En omdat de werkelijkheid zich nu eenmaal niet laat plooien op het procrustesbed van de economische wetenschap, zijn het de economen die hun theorieën in overeenstemming moeten brengen met de praktijk.

Om te beginnen dienen de wetenschappers hun krampachtige houding tegenover moraal los te laten. Als de crisis ons iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat deze niet alleen een kwestie is van financiële technieken, van begrotingstekorten, staatsschulden of boekhoudkundige goocheltrucs; het is minstens zo sterk een zaak van ethiek, van plichten en deugden. Al tijdens de financiële crisis van 2008, die het begin van de huidige depressie markeerde, zei toenmalig minister van financiën Wouter Bos dat de crisis er eentje van de moraal is. Zijn woorden galmen nog steeds na, ook internationaal. Het besef dringt door dat moraal en economische groei samenhangen. Morele overwegingen - dat je een beter mens bent als je iets goeds doet, of zo de economie rechtvaardiger en schoner maakt - zijn niet langer ondergeschikt aan dat ene doel: werkgelegenheid, groei, inflatiebestrijding.

Om de economische wetenschap te redden, zal ze moeten veranderen. Paradoxaal genoeg kan ze dat doen door terug te keren naar de grondbeginselen van de klassieke economische wetenschap. Die biedt volop ruimte om te vertellen hoe mensen zich moeten gedragen.

De klassieke denkers van dit vakgebied - Adam Smith, Jeremy Bentham, John Stuart Mill - waren eerst en vooral moraalfilosofen. Als vormgevers van de Verlichting waren ze gewend vooruit te streven, te verwerven, te verbeteren. Net als wij. Maar zíj streefden naar het verweven van een seculiere visie op de vooruitgang van de mens met klassieke morele richtlijnen. Bewijzen kan ik het niet, maar ik weet zeker dat het voor hen onoorbaar was als een bank die met belastinggeld overeind is gehouden, binnen een jaar miljoenen aan bonussen onder de werknemers uitdeelt.

Smith, Bentham en Mill beschreven waarden en normen als producten van de menselijke samenleving, en legden van daaruit de basis voor de economische wetenschap. Dat maakt de economie een product van onze cultuur, onze beschaving. "De economie is nog steeds een sociale wetenschap, en niet, ondanks de pretentie die er soms in doorklinkt, een natuurwetenschap", betoogde Sedlacek al in Letter&Geest. Ze bestrijkt juist een bij uitstek normatief terrein, schrijft hij in zijn lezenswaardige boek 'De economie van goed en kwaad'.

"Er schuilen veel meer normatieve elementen in de economische wetenschappen dan wij bereid zijn om toe te geven en waarmee we willen werken. Er zit in de economie veel meer aan waarden en normen dan aan waardevrijheid en positivistische beschrijving."

Daarom, aldus Sedlacek, zou het helpen als economen hun eigen geschiedenis weer leren kennen, en notie nemen van waar het in hun wetenschap van oudsher om draait: de mens en zijn sociale omgeving.

Maar met het anachronistisch teruggrijpen op oude inzichten zijn we er niet. Economen zullen zich ook op de hoogte moeten stellen van kennis uit andere disciplines.

Het is vaker gezegd, maar het is natuurlijk wel waar: veel kwesties - welvaartsgroei, arm versus rijk, AOW, gezondheidszorg, voedselvoorziening, energie, natuur versus groei - overstijgen de kennis van een econoom. Wie enkel en alleen econoom is, wordt nooit een goed econoom. Kruisbestuiving met andere wetenschappelijke disciplines is onontbeerlijk. Dat verrijkt de wetenschap niet alleen, maar vergroot ook de effectiviteit bij de aanpak van problemen. Bij de aanpak van de crisis komt dat er nog nauwelijks van.

Dat vormt een vreemd contrast met andere wetenschappelijke disciplines die juist vaker een beroep doen op economische expertise. Zo zijn ecologen doordrongen geraakt van het besef dat de natuur te belangrijk is om over te laten aan biologen, soortdeskundigen en natuurbeschermers. Al in 1998 schreef de Amerikaanse ecoloog Edward O. Wilson dat "we beter af zijn wanneer de economen van zich laten horen, dan wanneer ze stil en zwijgzaam zijn". Economen kunnen nog wel wat leren van deze nieuwe pensée unique.

Arnold Heertje verwacht weinig goeds van de 'sociale en agogische wetenschappen met hun beroep op de nieuwe mens', zei hij tijdens de Spinozalezing afgelopen november. "Veeleer kan een oplossingsroute worden verwacht van de beoefenaren van de exacte wetenschappen", meent hij. Ik zie dat anders. Als economen toch hun horizon aan het verbreden zijn, dan kunnen ze meteen nadenken over datgene waar de grondleggers van de economische wetenschap veel over nadachten: wat is precies de good society, zoals de eerder genoemde econoom Galbraith het noemde, een schone, sterke en rechtvaardige samenleving?

Andere wetenschappelijke disciplines laten het hier lelijk afweten. Zo liet de Franse filosoof Pascal Bruckner eerder in deze krant optekenen dat de ecologische wetenschap geen ideale of fatsoenlijke samenleving nastreeft, maar gericht is op cultureel pessimisme, schuld en ascese.

Zeker, voor sommigen is deze nieuwe taak voor de economische wetenschap een uitdrukking van pure overmoed. Die zal bovendien niet leiden tot unanieme inzichten, waar economische redacties zo naarstig naar op zoek zijn, verward als ze zijn door de 'onechte en illusoire nauwkeurigheid' van een sociale wetenschap. Maar het leert ons ten minste weer praten in andere termen dan die van onbehouwen berekeningen over nut en bruikbaarheid waardoor het maatschappelijke debat de afgelopen decennia werd overschaduwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden