Spellen zonder kofschip

Spelling is moeilijk. Als u gisteravond het Nationaal Dictee gezien hebt, zult u dat onmiddellijk beamen. Insekt of insect, pannekoek of benenwagen, je moet het maar weten. Beredeneren is maar tot op zekere hoogte mogelijk, en dan nog klopt het vaak niet. Toch is niet alles even lastig als het lijkt. Neem nou de spelling van de d en de t bij de werkwoordsvormen. Veel mensen hebben daar grote moeite mee, maar met een beetje generatief taalkundig inzicht wordt het erg gemakkelijk. Eigenlijk hoef je niet eens te kunnen schrijven om te weten of het d, dd, dt, t of tt is. Hoe zit dat dan in elkaar?

Als je Nederlands spreekt, dan weet je dat het werkwoord in het enkelvoud, tegenwoordige tijd, soms eindigt op een t. Wanneer, dat hoor je gewoon. Je zegt ik raak, maar hij raakt. Je zegt jij raakt maar raak jij. Die t bij raakt is een toegevoegde t. Hij zit niet in het werkwoord raken zelf. Waarom die t wordt toegevoegd doet er niet eens zoveel toe, iedereen weet hoe het zit.

Als het werkwoord zelf nu al een d of t heeft, kun je de toegevoegde t niet horen: ik word, hij wordt, jij wordt, word jij, dat klinkt allemaal hetzelfde. De onhoorbare t kunnen we echter hoorbaar maken door het werkwoord te vervangen: je schrijft word maar niet ziek omdat je geen t hoort in raak maar niet ziek. En in wordt u maar niet ziek schrijf je 'm wel omdat hij in raakt u maar niet ziek duidelijk hoorbaar is. Een dubbele t aan het eind van een woord (hij weett het antwoord) schrijf je niet.

Als de verleden tijd geen klinkerverandering met zich meebrengt, dan horen we de of te. Hij werkte of hij rende. Daaruit kunnen we afleiden dat de verleden tijd in het Nederlands gevormd wordt met behulp van een 'dentaal', dat is een klank die onder invloed van z'n omgeving de gedaante van een d of t aanneemt. De dentaal wordt gespeld zoals hij klinkt. Hij is ook toegevoegd, dus als het werkwoord zelf al d of t heeft, schrijven we er twee in de verleden tijd. We schrijven ik breide een truitje want breien heeft zelf geen d, en ik breidde iets uit omdat uitbreiden er zelf wel al een heeft. Hetzelfde bij vluchtte en kuchte.

Dezelfde dentaal als in de verleden tijd wordt ook in de voltooide tijd toegevoegd. Hier kunnen we niet horen of hij t of d is, maar weer kunnen we hem hoorbaar maken. Door het voltooid deelwoord bijvoeglijk te gebruiken, onthult de dentaal zijn ware gestalte: we schrijven beleefd omdat het is beleefde mensen, maar verbluft omdat het ook verblufte mensen is. Als je geen bijvoeglijk gebruik kunt vinden, zet dan gewoon een e achter het voltooid deelwoord en je hoort het vanzelf. Bij geleefd hoort toch geleefde en niet geleefte?

Maar hoe kun je nou zien of een werkwoord tegenwoordige, verleden of voltooide tijd is? Immers, branden en brandden kan allebei, en verbaast en verbaasd ook. Het antwoord is weer: vervang het werkwoord door een ander, waarbij je de vorm duidelijk kunt horen. In de zin gisteren brandden de kaarsjes kun je brandden vervangen door vlamden en daar hoor je duidelijk de toegevoegde dentaal. In de zin dat verbaast me niets vervang je verbaast door doet en je hoort de toegevoegde t. Bij dat heeft me niet verbaasd wordt verbaasd gedaan en je hoort het voltooid deelwoord.

Zo blijkt de spelling van d en t erg gemakkelijk voor wie al Nederlands spreekt. De beruchte 'kofschip-regel' is in dat geval dan ook overbodig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden