Spektakel Het collectieve pochen op de heldendaden van weleer

Normandië bereidt maakt zich op voor de herdenking van D-day, dat een groot media spektakel zal worden. In Carentan zullen Duitse en Amerikaanse veteranen zelfs samen de felle gevechten op het dorpsplein herdenken.

In Ste-Marie-du-Mont is nog weinig te bemerken van de komende D-day-kermis. Dit eerste plaatsje dat door de geallieerden werd bevrijd is vrijwel uitgestorven. De Fransen zitten aan hun middagdis, daar wijkt alles voor. Een auto stopt, een man met een soort carnavalspet stapt uit, loopt direct naar het kerkje midden op het dorpsplein. Eenmaal binnen kijkt hij verwonderd om zich heen en gaat snel zitten. Hij is zijn emoties niet meer de baas.

Het is Leon Smiles (77), Amerikaans oorlogsveteraan, woonachtig in Florida. “I'am sorry”, verontschuldigt hij zich. “Vijftig jaar geleden was ik in dit kerkje. Het ziet er nog exact hetzelfde uit. This is so emotional.” Smiles heeft een autootje gehuurd in Parijs en gaat in zijn eentje de plekken langs waar hij heeft gevochten. Hij heeft geen behoefte aan bustochten, georganiseerde reizen, parades. Hij houdt niet van het collectieve pochen van zijn oorlogskameraden over de heldendaden van weleer. Vijf jaar geleden is zijn vrouw overleden. Zijn kinderen en kleinkinderen hielden hem niet tegen toen hij zijn plannen voor zijn eenzame reis ontvouwde. “Ik wil het allemaal nog eens alleen ervaren.”

Hier begon het voor hem. Op D+6, de zesde dag na 'D-Day' landde gewondenhelper Smiles als 27-jarige op Utah Beach, trok vandaar naar het nabijgelegen Ste-Marie-du-Mont en Ste-Maire-üglise. Het waren de eerste twee Europese plaatsjes waar hij mee kennismaakte.

In het café op de hoek, dat destijds al bestond, vertelt Smiles over zijn tocht door Europa. Via Frankrijk, België, een stukje Nederland, Duitsland, trok hij met zijn 79ste Divisie tot aan Tsjechoslowakije. “De Duitsers begrepen niet dat we daar stopten en niet doorgingen tegen de Russen. We hadden het best gekund.” Na de komst van de Russen daar vertrok Smiles naar Marseille om zich in te schepen voor verdere oorlogsvoering tegen de Japanners. “Maar de bom op Hiroshima maakte een eind aan de oorlog. We waren vrij, mochten naar huis.” Smiles werd tapijthandelaar en ging de plaatselijke politiek in, voerde als Democraat campagne voor Jimmy Carter, heel wat anders dan het behandelen van die duizenden verwondingen, het toedienen van morfine aan pijnlijdende kameraden.

In Ste-Maire-üglise verloor hij een van zijn beste vrienden. “Als gewondenhelper hadden we een rood kruis op onze helm. Dat kruis werd voor scherpschutters een schietschijf. Mijn vriend werd dwars door zijn helm geschoten. Het gat zat juist op het midden van het kruis. Hij was onmiddellijk dood, en dat terwijl hij juist gewonden aan het verzorgen was. Daarna zijn we gewone helmen gaan dragen. Dat was veiliger”, zegt Smiles. “Veel militairen van de medische hulptroepen zijn gedood. Ze moesten wel naar de gewonden toe en liepen daardoor extra risico.”

De Amerikaan is nog steeds vol lof over zijn divisie die hoorde bij het Derde Amerikaanse Leger onder leiding van de flamboyante generaal George Patton. Vandaar dat hij zijn opvallende veteranenpet, versierd met de medailles en speldjes die hij kreeg, met trots draagt. “Patton was een man met 'guts'. We gingen voor hem door het vuur, waren bereid ons bloed voor hem te geven. Iedere dag droeg generaal Patton een ander pak. Hij was zeer ijdel en ontwierp ze zelf. Staande in een jeep leidde hij de troepen met die twee 45-kaliberpistolen met ivoren handvaten aan zijn riem. Patton was een echte frontlijn-commandant.”

In Ste-Maire-üglise hangt nog steeds een dummy van een parachutist aan de kerk. De Amerikaan John Steele bleef destijds aan de schaduwzijde van de spits hangen, verdoofd door het geluid van de torenklokken. Hij werd door zijn voet geschoten, hield zich dood en moest van bovenaf toezien hoe medeparachutisten in die nacht van 5 op 6 juni 1944 werden neergeknald. Het verhaal van Steele is inmiddels een legende geworden. Het dorp werd er beroemd door hem en trekt nu horden toeristen.

Steele overleed in 1969, zal niet kunnen meemaken hoe morgen tijdens de herdenkingsfeesten 32 paratroopers van weleer - één is er zelfs 83 jaar - opnieuw zullen springen. “Ze zijn 'crazy”', zegt de 70-jarige Canadese parachutist Norman Wilton, die destijds ten noorden van Caen was gesprongen. “Als er een ongeluk gebeurt - en die kans is niet klein - is het hele feest bedorven.” De veteranen springen toch ondanks een eerder verzoek van burgemeester Marc Lefevre van het dorp er van af te zien. “Dan schieten jullie ons maar dood,” hadden ze gedreigd.

Jeannette Legoupillot (66) staat in de keuken van haar restaurant Le Pre Salé, doet de door haar bereidde Langue de boeuf van het 66 francs-menu op de borden. Als de middagdrukte voorbij is, vertelt zij aan een van de tafels van haar zaak haar ervaringen. De beelden die zij zag als zestienjarige zal zij nooit vergeten, het lijkt zelfs of die tijd steeds dichterbij komt. In ditzelfde huis, waar toen de slagerij van haar vader was gevestigd, zag zij het allemaal gebeuren.

Op de avond van de vijfde juni had zij al eerder in de verte knallen gehoord. Het maakte haar nieuwsgierig, ze verwachtte iets. Ze wist niet dat dit het begin was van Jour-J, de 'debarquement' (ontscheping - Fransen weigeren het woord invasie te gebruiken). Met haar zuster bleef ze op en vanaf de tweede verdieping zag ze de parachutisten naar beneden komen. “Vader riep dat het te gevaarlijk was boven, maar we bleven, vonden het te spannend.”

Ze zag de brand, zag John Steele, zag hoe Amerikanen werden neergeschoten. Ze wijst naar buiten waar al die parachutisten naar beneden kwamen. “C' était magnifique”, zegt ze. Overal draaiden zoeklichten, de lucht sidderde van het lawaai van de vliegtuigen en het geratel van het geweervuur. Tot vijf uur 's nachts bleef ze kijken, terwijl aan alle kanten geschoten werd. “Daarna gingen we naar de kelder. Enkele uren later zijn we weggegaan, zagen de eerste Duitsers met de handen op hun hoofd. Van een Amerikaan kreeg ik een zakdoek. Die ligt nu hier in het museum.”

Wat haar vooral bijbleef was de lucht van de lijken. “Op de slagerskar van mijn vader werden de Duitse doden vervoerd. Bij de hobbels in de weg sprongen de lichamen omhoog. Die geur zal ik me altijd blijven herinneren”, zegt madame Legoupillot.

Bij Utah-beach verliep de strijd minder bloedig dan bij het oostelijker gelegen Omaha-beach. Daar werden de Amerikaanse militairen op de stranden bij duizenden neergeknald door de Duitsers. Op de begraafplaats van Colleville-sur-Mer die over de stranden van Omaha uitkijkt, staan 9 386 witte graftekens in kaarsrechte rijen op prachtig gladgeschoren grasvelden opgesteld ter herinnering aan al die doden. Ongeveer 14 000 andere slachtoffers uit dit gebied zijn destijds op verzoek van de familie naar de VS overgebracht om daar begraven te worden.

Oorlogsveteranen en andere belangstellenden worden met bussen aangevoerd. Jonge Amerikaanse militairen - zo'n tweeduizend zijn er uit Duitsland gekomen om bij de plechtigheden te helpen - lopen tussen de graven door. Ze zijn wat speels in de omgang met elkaar, lijken zich wat verlegen te voelen met deze herinnering aan het oorlogsgeweld. Aan de lopende band nemen ze foto's met hun eenvoudige toestelletjes. Het zijn vooral jongens van hun leeftijd die daar begraven zijn, zo'n 19, 20 jaar. Zelf werden ze ten tijde van de dertigjarige viering van D-day geboren.

Een half-circelvormige memorial met grote zuilen kijkt over de begraafplaats uit. Een bronzen beeld moet 'the Spirit of American Youth' voorstellen. Er onder staat 'mine eyes have seen the glory of the coming of the lord'. Onder een van de overkappingen klinkt de Duitse taal. Een vreemde gewaarwording op deze plek. Een echtpaar wijst naar een enorme kaart die op de marmeren muur is aangebracht. Rode pijlen geven de geallieerde aanvalskracht in Normandië.

“We wisten niet dat het zo'n grote invasie was”, zegt de man. Het zijn Heinz en Inge Herborn, beiden 70 jaar. Hij heeft als jongeling onder Hitler gediend in Joegoslavië, in de strijd tegen de Servische partizanen. Zijn vader (44) werd daar gedood. Zij woonde in Tsjechoslowakije, werd na de oorlog het land uitgezet, moest daar als Sudeten-Duitser al haar spullen achterlaten. “Kort na de oorlog konden we hier niet komen. Nu is dat geen probleem meer.”

Ze maken een tocht van twee maanden door Frankrijk met hun kampeerbus, zijn nu toevallig in Normandië. Wat vinden ze van deze begraafplaats. “Vreselijk wat hier gebeurd is. Maar ik ben het er niet mee eens, dat de soldaten van destijds als helden worden afgeschilderd. Zij waren net zo min helden als wij dat waren. Ik kan niet tegen die heroïek en borstklopperij die de Amerikanen uitstralen”, zegt Heinz Herborn. “De begraafplaats is zo bombastisch. Weet u, Hitler zou het ook zo groots hebben aangepakt, die hield ook van die heldenverering.”

Ze vinden de begraafplaats van La Cambe, waar 21 222 Duitse slachtoffers begraven zijn, veel ingetogener. Jonge jongens van 16, 17 jaar liggen daar. Ze waren volgens het Duitse echtpaar onschuldig, hadden geen enkel besef waar ze mee bezig waren en werden ingezet als kanonnenvlees.

De vrouw wijst op een opschrift waarop staat dat de Amerikanen de vrijheid aan Europa hebben gebracht. “Wat voor vrijheid. In Europa wordt nog steeds oorlog gevoerd, meneer.” Wat wist het echtpaar destijds van de invasie? “We hoorden ervan, maar werden niet goed geïnformeerd. Zoals we al die tijd gebrek aan informatie hadden onder Hitler. Op het luisteren naar de BBC stond de doodstraf. Dat deden we niet. We wisten dat de Joden naar Polen werden gevoerd, maar wisten niet wat er binnen de kampen gebeurde.”

In Duitsland wordt steeds vaker gezegd dat het einde van de oorlog ook een bevrijding voor de Duitsers betekende. Het echtpaar ontkent dat. “Pas later zagen we, dat ook wij bevrijd waren. Maar ons was zo ingepeperd, dat we bij verlies klein gemaakt zouden worden, dat ons alles zou worden afgenomen. We waren daardoor terneergeslagen. En u weet zelf wat er in Dresden gebeurde. Dat werd platgebombardeerd. Dat was toch niet nodig.”

Een dag later roept het echtpaar ons toe. Hun kampeerbus staat nu geparkeerd onder de kerk van Ste-Mère-üglise. De Herborns trekken er net een flesje Franse wijn open. “De hele avond hebben we doorgepraat over het gesprek met u. We willen er nog iets aan toevoegen”, zegt Inge Herborn. “We weten nu weer, dat we destijds onder Hitler ook snakten naar vrede. In 1938 waren we zo blij toen hij in München een vredesverdrag sloot met Chamberlain en Daladier. Er heerste overal een jubelsfeer en 'Begeisterung'. Dat was toch het beste bewijs dat wij ook vrede wilden.”

De oorlog heeft het echtpaar anti-militaristisch gemaakt. De kinderen werden bewust opgevoed, werken nu beiden in de ontwikkelingshulp in Peru. Zelf kunnen ze wel spugen op de rechtsextremisten in hun land en zijn gekant tegen iedere medewerking van de huidige Duitse Wehrmacht aan internationale VN-operaties. De Amerikanen maken er in hun ogen een show van, zoals op de stranden van Somalië waar de camera-ploegen stonden te wachten bij de invasie, net zoals ze nu van de vijftigjarige viering van D-day een media-spektakel maken. Hitler heeft hen destijds bedrogen via de radio, via films. “Als hij nu leefde zou hij hetzelfde doen, maar dan nog veel geraffineerder, met alle mogelijkheden die er nu bestaan”, zegt Heinz Herborn.

Hotel Aire de la Baie aan de hoofdweg naar Carentan gaat een heel ander feestje bouwen komend weekeinde. Daar komen Duitse parachutisten bijeen om herinneringen op te halen aan de heldhaftige gevechten van weleer. De hoteleigenaar haalt de fotoboeken erbij. Ieder jaar, onder het genot van een goed glas, komen Duitse veteranen van het zevende regiment hier. En zegt de hotelier: “Het bijzondere is dat er ook Amerikaanse para's komen. In de oorlog hebben ze elkaar hier vlakbij in hevige gevechten op een pleintje met de bajonet bestreden. Er vielen veel doden. Nu herdenken ze dat samen. Visioenen komen op van mannen die elkaar op de schouder kloppen, in hun beschonkenheid luid kwaken over de prachtige gevechten die zij destijds met elkaar leverden.

In herinnering komt een gesprek met de Canadese parachutist Norman Wilton in het eerste veroverde huis van Frankrijk in Bénouville. 'What the hell i am doing here', dacht hij als twintigjarige op die zesde juni 1944 toen hij in het nachtelijk duister boven Normandië werd gedropt. Toen was het voor hem avontuur, spannend zelfs. Hij wist volstrekt niet wat hem te wachten stond. Hijzelf was niet bang, maar zijn moeder wel, zegt hij. Steeds meer is hij gaan beseffen wat hem destijds overkwam. De muziek van Glen Miller, die hij komend weekeinde life beluistert op het schip dat vanuit Engeland met duizenden oorlogsveteranen opstoomt naar de Normandische kust, heeft een enorme betekenis gekregen. En, zegt hij: Een van zijn beste persoonlijke vrienden in Toronto is een Duitser, een oude Messerschmitt-piloot, die onder Hitler diende. He is a great guy, zegt de Canadese para.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden