Speels variërend op Darwin

De essayist legt verbanden tussen het gezang van orka's en de poëzie van Kees Ouwens en ziet alle reden tot een species overstijgende voorouderverering

Op latere leeftijd schijnt Charles Darwin zijn kinderen eens te hebben laten musiceren voor een publiek van aardwormen, in de hoop dat deze verre verwanten enige reactie zouden vertonen op de voor ons zo betekenisvolle trillingen. Het experiment leverde niets op, maar zegt veel over Darwin, die er "nooit van te voren van uitging dat zulk contact onmogelijk was". Zo schrijft althans zijn bewonderaar Tijs Goldschmidt in zijn nieuwe essaybundel 'Vis in bad'. De bioloog-essayist betoont zich daarin een even toegewijde als originele erfgenaam van de oude meester. Niet alleen stelt hij onverwachte onderwerpen bloot aan een darwinistische blik (waarom overleeft de ene roman niet en de andere wel?), ook voert hij aan dat we voorouders delen met 'muizen en fruitvliegen' en dat die wetenschap zou mogen leiden tot grotere verbondenheid met alles wat leeft en zelfs tot een 'species overstijgende voorouderverering'.

Die interesse in dieren én het vermogen verrassende verbanden te leggen deelt Tijs Goldschmidt met Nederlandse essayisten als de inmiddels overleden Rudy Kousbroek en Dick Hillenius, de bioloog die eens opmerkte in een landschap liever 'iets onverwachts te verwachten' dan op zoek te gaan naar dat ene zeldzame dier - dat zich toch altijd verstopt. Aan Hillenius wijdt Goldschmidt het aanstekelijke essay 'Ademgaten', dat al eerder in boekvorm verscheen, wat trouwens geldt voor meer stukken in 'Vis in bad'. Maar wie die boeken nog niet kent en Goldschmidts artikelen in NRC Handelsblad heeft gemist, staat een aangename en prikkelende leeservaring te wachten.

Vervelen doe je je met deze essays nooit, want zelfs als Goldschmidts gewoonte om van de ene naar de andere discipline over te springen je niet aanstaat, is het vrijwel onmogelijk niet gecharmeerd te raken van de 'nutteloze' kennis die onderweg wordt opgedist, en vooral van de esprit waarmee dat gebeurt. Een overpeinzing over het nut van winterdepressie als 'biologisch lonende strategie' voert naar het slaapgedrag van de beer en de Amerikaanse grondeekhoorn (die zoals u vast nog niet wist een veel diepere winterslaap aanhoudt en dan 'aanvoelt als een koud lijk') om vervolgens uit te monden in een uitweiding over Europese lenterituelen, waarin de beer een prominente rol speelt. Kan dit 'grote zoogdier dat op twee benen kan lopen' en dat ook een seizoen lang honger lijdt de vastende mens geïnspireerd hebben? "Beer in winterrust, vastende christen en winterslome atheïst hebben vermoedelijk meer met elkaar te maken dan je geneigd bent te denken."

In 'Luister naar mijn lied' legt hij dan weer een volkomen onverwacht, maar treffend verband tussen het gezang van orka's en de poëzie van Kees Ouwens, waarin we strofen aantreffen als: "Horizon tussen de kimmen, doorgankelijkheid / Een lichaam gaans, maar voor omwijking, beletsel / Aan de doorschrijding, de zinnen gewaagd, toegang / Mateloos laagsgewijs onderverdeeld heersend." Hoe intensiever je deze gedichten leest, schrijft Goldschmidt, des te meer raak je ervan overtuigd dat Ouwens ooit als orka moet zijn begonnen. In het essay 'Kitsch' komen we meer te weten over de geschiedenis van de tuinkabouter, die via de victoriaanse rage voor de Duitse rotstuin in de Kew Gardens belandde, maar tijdens de anti-Duitse stemming van na de Eerste Wereldoorlog 'naar beneden tuimelde in de sociale hiërarchie'. En in 'The Flying Panty' laat de bioloog zijn gedachten gaan over de uit oude pornoblaadjes geknipte vlinders van beeldend kunstenaar Erik Fens, die namen dragen als 'Kantnymfje' of 'middelste SM-page'.

Schijnbaar nutteloze weetjes kunnen gekoesterde culturele opvattingen overigens wel aan het wankelen brengen. In het essay 'Boetedoeners' plaatst Goldschmidt kanttekeningen bij Simon Schama's boek 'Overvloed en onbehagen', een invloedrijke studie naar 'onze' zeventiende eeuw. De door buurlanden bewonderde properheid van de Hollandse huisvrouw wordt door Schama toegeschreven aan de calvinistische moraal. Hollandse vrouwen zouden "poetsend hun lustgevoelens, onmatigheid en onvrede met hun lot hebben beteugeld". Maar is dat wel zo, vraagt Goldschmidt, of hielden Hollandse vrouwen huis en erf zo schoon omdat de lucratieve (en eveneens wijd bewonderde) productie van melk, boter en kaas afhankelijk was van strikte hygiëne? Dat lijkt des te aannemelijker omdat onze properheid én zuivel al beroemd waren voordat de Reformatie haar intrede deed. Met karakteristieke afkeer van scherpslijperij concludeert Goldschmidt dat die twee verklaringen elkaar ook weer niet hoeven uit te sluiten.

Niet alle vragen die 'Vis in bad' opwerpt zijn zo onschuldig. Neem het commentaar op de situatie aan het Victoriameer, waar het uitzetten van de nijlbaars leidde tot een lucratieve visindustrie. Die verschaft veel Afrikanen werk, maar de enorme exoot maakte wel in heel korte tijd een eind aan een bijzonder complex ecosysteem, waar de auteur al eens een bekroond onderzoek aan wijdde, 'Darwins hofvijver'. Nu verwondert hij zich erover dat de voorspoed van de bevolking in de discussie over het Victoriameer vóór alles gaat. Zijn er niet ook wetenschappelijke, ethische en zelfs esthetische redenen om voorzichtiger om te springen met zulke kwetsbare gebieden? Die vraag lijkt nauwelijks meer gesteld te worden: "Het vaststellen van de financiële opbrengst van een ecosysteem lijkt steeds vaker een graadmeter van de 'waardering' ervan."

Als één idee deze essays verbindt, is het de gedachte dat een fundamentele scheiding tussen mens en dier onhoudbaar is. Goldschmidt geeft daarvan veel sprekende voorbeelden, waarbij juist de evolutionaire blik van de bioloog ter discussie staat. Volgens de traditionele opvatting moet immers alles wat het dier doet 'nut hebben'. Als een zwaluw acrobatische toeren uithaalt door schuur in schuur uit te vliegen, móét dat betekenen dat het dier zijn conditie op peil houdt of op zijn minst onderweg wat insecten verschalkt. Maar waarom zouden zwaluwen niet gewoon plezier maken, net als mensen?

Of neem een bekend YouTube-filmpje waarin je ziet hoe volwassen orka's hun kroost leren een smakelijk zeehondje van zijn ijsschots te laten kukelen door samen hoge golven te maken. Van zeeroofdieren zou je verwachten dat ze een eenmaal in zee geschoven hapje onmiddellijk verorberen. Maar dat blijkt niet het geval. De ouder-orka's zetten het dier terug, zodat hun jongen het nog een keer kunnen proberen, net zo lang tot ze de techniek te pakken hebben: "Als het niet zo menselijk klonk, zou je het onderwijs noemen."

Goldschmidts opvatting dat je ook bij dieren kunt spreken van spelen, luieren en onderwijs, zij het natuurlijk niet bij alle dieren in even sterke mate, is voer voor een ieder die wel eens filosofeert over de vraag wat mens en dier nu precies scheidt of juist verbindt. Toch is dat maar een van de lekkere hapjes die de bioloog zijn lezers toewerpt. Eigenlijk valt dit boek een ieder aan te raden die de geest niet graag in een hok opsluit, maar liever over ongebaande wegen rond laat dwalen.

Tijs Goldschmidt: Vis in bad.

Athenaeum, Amsterdam; 176 blz. euro 19,99

Enkele van de meer dan zeshonderd soorten haplochrieme cichliden uit het Victoriameer. Honderden stierven inmiddels uit.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden