Spanningen moslims en christenen uitgebuit in machtsspel rond opvolging van Soeharto

ENSCHEDE - Het gist in Indonesië. Na de rellen in Jakarta deze zomer, vallen er nu doden bij kerkbranden op Oost-Java. “Manipulatie door derden”, zeggen Indonesiërs over de gewelddadige conflicten. Geestelijke leiders bidden dat er zo snel mogelijk een eind aan komt. Uit vrees voor erger.

In Indonesië is het machtsspel rond de opvolging van de 75-jarige president Soeharto in volle gang. Krachten binnen het leger en de overheid manoeuvreren zich in positie. Hun onderlinge machtsstrijd vechten zij uit via conflicten binnen andere groeperingen: de zogenaamde manipulatie door derden. Wanneer dat echter gebeurt via religieuze conflicten betekent dat spelen met dynamiet. Dan raakt het de grondvesten van de republiek Indonesië.

“De verhouding tussen de religies is nog nooit zo slecht geweest als nu”, sprak Gunawan Muhammad, hoofdredacteur van het in '94 verboden weekblad Tempo, vorige maand. Daarna is de situatie alleen nog maar verslechterd. Begin oktober werd voor het eerst in de geschiedenis van de republiek Indonesië een godsdienst als organisatie, in dit geval de r.k.-kerk, gewaarschuwd vanwege haar kritische houding tegenover de overheid en haar vermeende banden met subversieve groeperingen die achter de onlusten rond Megawati's afzetting als PDI-voorzitter zouden zitten.

Katholieke jongeren zouden, volgens de overheid, op basis van de bevrijdingstheologie zich voorbereiden op revolutionaire veranderingen. De r.k. kerk moet zich daar duidelijk van distantiëren, zo luidde de officiële waarschuwing, op straffe van beschuldiging van subversiviteit. En dat is niet mis in Indonesië.

Gunawans uitspraak ging ook vooraf aan de massale volkswoede op 10 oktober toen op Oost-Java vijfentwintig kerken, christelijke scholen en een Chinese tempel in brand werden gestoken, en een predikantengezin van zes personen in de vlammen omkwam.

Deze laatste incidenten laten zien hoe een intern conflict binnen een groepering zich kan ontladen in de richting van andere groepen en zo een veel wijdere, zelfs nationale betekenis kan krijgen. De laatste paar jaren hebben zich veel van dit soort conflicten voorgedaan binnen tal van maatschappelijke organisaties. De meest bekende is de scheuring binnen de democratische partij, de PDI, van Megawati Soekarnoputri.

De religieuze spanningen in Indonesië spelen zich af op twee fronten: binnen de islam, tussen de Muhammadiyah en de Nahdatul Ulama (NU); en tussen de islam en de christelijke minderheden. Protestanten en katholieken vormen zo'n 10 procent van de bevolking, altijd nog een 20 miljoen mensen.

De spanningen zijn terug te voeren op ontwikkelingen in de Nederlandse tijd. Aan het begin van deze eeuw werd de Muhammadiyah opgericht door ontwikkelde moslims vooral als reactie op de invloed van missie en zending op onderwijs en gezondheidszorg. De leden wilden niet alleen af van westerse dominantie, maar tegelijk de islam zuiveren van plaatselijk volksgeloof.

Tegen deze puriteinse beweging kwamen lokale geestelijke leiders, de ulama's, in 1926 in het geweer, omdat zij hun invloed op de Javaanse dorpsbevolking zagen tanen. Zij richtten de NU op, een religieuze beweging zonder veel hiërarchie, sterk mystiek en tolerant van karakter. In 1953 werd de NU ook een zelfstandige politieke partij, terwijl de Muhammadiyah-leden onderdak vonden bij de Masyumi-partij. Soeharto dwong beide groeperingen tot samenwerking binnen de moslimpartij PPP. Ogenschijnlijk werd zo de eenheid bevorderd, in werkelijkheid verdwenen de verschillen naar duistere achterkamertjes.

De christelijke minderheden in Indonesië vormen een meerderheid op vele eilanden in het oostelijk deel van de archipel. Beter opgeleid tijdens het koloniale bewind door missie- en zendingsinspanningen, wisten zij na de onafhankelijkheid in verhouding met de moslims veel meer belangrijke functies in het leger en de overheidsbureaucratie te bemachtigen. Deze relatieve voorsprong konden zij tot in de jaren zeventig behouden.

Onder Soeharto's regime van de 'Nieuwe orde' zijn deze verhoudingen ingrijpend gewijzigd. Christenen worden als statistische minderheid behandeld door een steeds zelfbewuster wordende moslim-gemeenschap, en dat is wennen. Zo kregen slechts drie christelijke ministers een zetel in het kabinet van '93. Dat was ongeveer in verhouding met de bevolkingssamenstelling, maar de helft minder dan in vorige kabinetten.

Het moslim-zelfbewustzijn is een direct gevolg van het onderwijsbeleid van de Nieuwe orde, waarvan de massa van de bevolking, dus de moslims, konden profiteren. Afgestudeerde moslims eisten in eerste instantie hun rechtmatige aantal functies op binnen de overheid en het leger. En verder wilden zij de Indonesische samenleving islamiseren: het maatschappelijk leven moet veel meer dan voorheen bepaald worden door de regels van de islam, óók in de streken die tot voor kort door christenen werden gedomineerd. Dit leidde tot botsingen met, en grote onzekerheid onder de christelijke gemeenschappen in Oost-Indonesië. Zij zien een sluipende ontwikkeling om van Indonesië toch een islamitische staat te maken.

Toen president Soeharto in zijn machtsstrijd met groeperingen binnen het leger de islam als bondgenoot zocht, voelden vele christenen zich pas echt gediscrimineerd. Binnen de overheid worden zij inderdaad in hun carrière belemmerd. Anno 1996 is het voor christenen nauwelijks meer mogelijk om de rang van kolonel of de functie van directeur-generaal te bereiken.

Soeharto gaf in '89 opdracht aan zijn vertrouweling prof. Habibie, minister van onderzoek en techniek, de islamitische intellectuelen te verenigen in een associatie, de ICMI. De meeste intellectuelen binnen ICMI hebben nauwe banden met de puriteinse moslimbeweging Muhammadiyah, die sinds enkele jaren wordt geleid door een uitgesproken anti-westerse en anti-christelijke politicoloog, dr. Amien Rais.

Deze Amien Rais is de openlijke tegenspeler van de huidige voorzitter van de veel tolerantere NU, Kiyayi Abdurrachman Wahid. Deze weigerde zich aan te sluiten bij de ICMI omdat hij de oprichting daarvan ziet als een stap terug in het streven naar nationale eenheid. Wahid verdenkt Amien Rais er ook van de Muhammadiyah en de ICMI te gebruiken om op slinkse wijze de islamitische staat toch te realiseren. Als tegenzet heeft hij zich met seculiere nationalisten verenigd in het Democratisch forum, een losse structuur van vooraanstaande personen.

De NU, waarvan Wahid sinds 1984 voorzitter is en die hij toen ook uit de politieke overheidsgreep wist te manoeuvreren door zijn beweging los te koppelen van de moslimpartij PPP, telt naar eigen zeggen zo'n 30 miljoen leden. Maar door de geringe interne hiërarchie en de vele onderlinge conflicten kan Wahid onvoldoende rekenen op zijn eigen achterban. Constant moet hij zich wapenen tegen pogingen hem uit zijn functie als voorzitter te wippen. Deze pogingen komen van binnen uit maar worden ook veelvuldig gevoed door “manipulaties door derden”.

In tegenstelling tot Megawati Soekarnoputri, die haar functie als voorzitter van de PDI verloor aan haar door het leger gesteunde rivaal Surjadi, heeft Wahid tot op heden al die aanvallen op zijn positie nog met succes weten te pareren. Maar het heeft er alle schijn van dat de jongste onlusten op Oost-Java, waar moslimgroepen christelijke gebouwen in brand staken, mede tot doel hadden Wahids positie te ondergraven. Tijdens een onderhoud in Jakarta verklaarde hij midden september al dat hij manipulaties vreesde, omdat het uitspelen van de spanningen tussen moslims en de christelijke minderheden onderdeel is van de machtsstrijd rondom de opvolging van president Soeharto.

Doordat er NU-leden betrokken waren bij de branden op Oost-Java kwam Wahid ten opzichte van zijn Democratisch forum in een uiterst ongelukkige positie. Door dadelijk publiekelijk om vergiffenis te vragen voor de daden van zijn leden, heeft hij echter niet alleen getoond een zeer bijzonder geestelijk leider te zijn, maar wist hij ook het vertrouwen van de democratische krachten in Indonesië te behouden.

Krachten binnen het bestel die hun positie proberen te versterken, blijken volop gebruik te maken van de grote maatschappelijke verschillen die langs drie duidelijk te onderscheiden lijnen lopen. Ondanks de dertig jaar economische vooruitgang die de Nieuwe orde van Soeharto heeft gebracht, is er namelijk sprake van een groter wordende kloof tussen een kleine, puissant rijke bovenlaag en de massa van de bevolking. Bovendien is de toegenomen welvaart zeer ongelijk verdeeld over de eilanden.

De armoedegrens is weliswaar sterk teruggedrongen, van 60 procent in 1970 tot 13 nu (toch nog altijd een 27 miljoen mensen!), maar de armen wonen vooral ook op de eilanden van oostelijk Indonesië, met een meerderheid van christenen. Het 'economisch wonder' heeft plaatsgevonden in de industriële centra op Java en Sumatra. De voornamelijk christelijke bevolking van Oost-Indonesië heeft hierdoor sterk het gevoel dat zij de boot heeft gemist, en dat wakkert de anti-Javaanse en anti-moslim gevoelens aan.

Overal in de wereld kunnen economische verschillen, die langs etnische en religieuze scheidslijnen lopen, tot gewelddadige uitbarstingen leiden. Iedereen is zich daarvan ook in Indonesië bewust. Maar de laatste zeven jaar lijken bepaalde personen en fracties binnen de overheid, met name het leger, en de religieuze groepen zich hiervan niets aan te trekken. In deze periode hebben namelijk al tweehonderd (!) kerkbranden en vernielingen plaatsgevonden zonder dat de veiligheidsdiensten adequaat ingrepen.

Dat betekent een aantasting van Soekarno's toverformule waarmee het heterogene eilandenrijk Indonesië bijeen wordt gehouden: de heilige pancasila, de staatsideologie van de vijf principes die door Soeharto werd overgenomen. Het eerste principe benadrukt de gelijkheid van alle wereldreligies, door te getuigen van het geloof in de 'Ene Almachtige'. Dat maakt dat Indonesië ondanks een aandeel van 85 procent moslims geen islamitische staat is.

Maar de christelijke minderheden zien deze grondvesten van de republiek bedreigd, en daarmee hun positie. Voor hen vormen de gewelddadige incidenten een bewijs dat het leger, dat zichzelf ziet als de beschermer van de pancasila, ernstig in gebreke is gebleven. Behalve angst voor het vege lijf overheerst dan ook de overtuiging dat de christenen zichzelf moeten beschermen en desnoods via agressieve evangelisatiecampagnes in aantal moeten groeien. Een vicieuze cirkel van angst, geweld en tegengeweld lijkt daarmee ingezet, omdat moslimgroepen zich op hun beurt bedreigd zullen voelen.

Geestelijke leiders op Oost-Java wijzen in een andere richting met hun gebed om zelfbeheersing van alle partijen en wijsheid bij alle leiders van het land, en roepen in feite op tot het beëindigen van “manipulaties door derden”. De mate van geweld in de komende maanden, ja mogelijk zelfs de eenheid van de republiek Indonesië, zal sterk afhangen van de reactie van de huidige politieke, militaire en religieuze leiders in dit land op deze oproep.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden