Spaart blad en band

“WAARDE LEZER! Gelieve te bedenken dat U gedurende den leestijd verantwoordelijk is voor dit boek; behandel het met zorg als een dienst aan Uwe medelezers en aan ons. EEN NET BOEK LEEST ZOO PRETTIG!”

T. VAN DEEL

Deze gestempelde tekst stond, een beetje schuin in de rechterbenedenhoek van de eerste bladzijden, in elk boek dat deel uitmaakte van leesbibliotheek 'Actueel', Mient 386 (bij Appelstraat) in Den Haag. Het echtpaar dat de kantoorboekhandel annex bibliotheek dreef, was misschien niet verantwoordelijk voor de preciese formulering van dit verzoek - het zal wel een standaardtekst zijn geweest - maar hun omgang met de boeken en met hun leners getuigde ervan dat zij hier geheel achter stonden. We leven aan het eind van de jaren vijftig en stempelen nog onbekommerd in de oude spelling.

De leesbibliotheek bestaat allang niet meer: uitgestorven in de loop van de jaren zestig. Daarmee kwam een eind aan een verschijnsel dat al van de achttiende eeuw dateert. Leesgezelschappen, boekhandels en later ook kantoorboekhandels hadden een afdeling boeken die uitgeleend konden worden. Over enkele leesbibliotheken uit de vorige eeuw is wel onderzoek bekend, naar hun boekenbestand en naar het lenersgedrag, maar van de twintigste-eeuwse leesbibliotheken en hun uiteindelijke teloorgang moet de geschiedenis nog geschreven worden.

'Actueel' is voor mijn persoonlijke leesgeschiedenis van grote betekenis geweest. Ik woonde vlak om de hoek van de winkel en leende alles wat ook maar enigszins in aanmerking kwam en aansloot bij mijn belangstelling. De bibliotheek bevatte niet alleen de gebruikelijke ontspanningslectuur, maar had ook afdelinkjes literatuur, landen en volken, kunst, wetenschap en dergelijke. Ik geloof zelfs dat er ook wel een beetje poëzie bij zat. De boekenkasten besloegen de achterste helft van de winkel, die uitliep op de tuindeuren. Het waren hoge kasten vol bruingekafte boeken, met rugnummers. Pas in een heel laat stadium stond het echtpaar zich plastificering van de nieuwe aanwinsten toe. In mijn herinnering waren er op de gekafte ruggen geen titels te lezen; die kon je vinden in kaartenbakken, de alfabetische en systematische catalogi. Hoeveel boeken zullen het al met al geweest zijn? Duizend, vijftienhonderd? Hooguit.

Drie boeken heb ik in zekere zin voor altijd geleend van leesbibliotheek 'Actueel'. Het zijn 'De avonden' van Simon van het Reve, 'Walging' van Jean-Paul Sartre en 'De wieg der mensheid' van Dr. J.H. Post. De romans van Reve en Sartre, misschien niet toevallig als duo, maakten een bijna letterlijk verpletterende indruk op me en ik heb mij later wel eens verbeeld dat het zorgzame echtpaar mij beide boeken alleen met de grootst mogelijke aarzeling kon meegeven. Het is ook niet gering om voor maar vijftien cent per week je wereld aan een totale verandering bloot te stellen. Want dat was het effect van deze lectuur.

“Vouw geen hoeken! Spaart blad en band” - nog zo'n stempeltje dat tezamen met het bibliotheekstempel geregeld in de boeken van 'Actueel' werd aangebracht. Van voor tot achter waren ze volgestempeld en als er foto's in een boek voorkwamen dan waren die altijd gedeeltelijk met een eigendomsstempel bedrukt, om onrechtmatige toeëigening te voorkomen. Ik weet dat zo goed omdat ik één boek uit deze leesbibliotheek in mijn bezit heb. Helaas is het papiertje dat voorin werd geplakt en waarop de namen van de leners stonden genoteerd eruit gescheurd. Had het er nog in gezeten dan zou bewezen kunnen worden dat van alle leners van dit boek ik degene ben die 't het langst en het vaakst in huis heb genomen. Het is 'De wieg der mensheid', een studie over de afstamming van de mens. Ik kocht het toen de leesbibliotheek werd opgedoekt.

“Van de vele problemen, waarvoor de hedendaagse wetenschap zich geplaatst ziet en die zich gedurende de laatste tientallen jaren in een steeds groter algemene belangstelling mogen verheugen, is dat der oorsprong en afstamming van den mens een der meest fascinerende.” Zo begint Post zijn overigens ongedateerde betoog. Van alle boeken die ik indertijd over geologie, paleontologie en evolutie las, beviel mij dit van Post het meest, zozeer zelfs dat ik het maar moeilijk kon verkroppen dat ik het telkens moest lenen en niet in mijn bezit kon krijgen. Om tegen dat laatste iets te doen, begon ik in Oostindische inkt een cruciale eigen selectie na te tekenen uit de vele afbeeldingen van fossiele mensenschedels, -botten en werktuigen, alsmede tabellen en tijdperkindelingen over te nemen. Ook kopieerde ik belangrijke passages uit het boek en het gehele, aldus geplagieerde dossier voorzag ik van een omslag met de titel: De Wieg der Mensheid.

Deze volledige overgave inzake de afstammingskwestie stelde mij al spoedig in staat soepel te spreken over de Homo Neandertalensis, de Cro-Magnon-mens, de Australopithecus africanus en natuurlijk de Pithecantropus erectus, ook het Oligoceen of het Mioceen verborgen voor mij weinig geheimen meer als het ging om de stamboom der primaten. Mijn liefste wens werd een bezoek te mogen brengen aan de grot bij Altamira in Spanje, om daar het gekleurde frontispice van Posts studie te zien: een neergestorte buffel, door drie eigendomsstempeltjes van leesbibliotheek 'Actueel' afdoende tegen diefstal beveiligd.

De belangstelling voor het evolutionaire ontstaan van de mens droeg zeker een element van protest in zich ten aanzien van geloofsopvattingen die zulk een evolutie uitsloten. Het jaar 1959 was het Darwin-jaar, honderd jaar geleden was 'The Origin of Species' verschenen en het 'evolutie-vraagstuk' stond volop in de belangstelling. Post zag het niet zo somber in wat de frictie tussen geloof en wetenschap betreft. Hij schreef, nadat hij in het kort de menselijke afstamming had geschetst: “Hoezeer deze opvatting in tegenspraak schijnt te zijn met de scheppingsverhalen der godsdiensten - en in bijzonder met het scheppingsverhaal van de Christelijke godsdienst - men mag ook hier niet uit het oog verliezen, dat in de loop van de ontwikkeling der wetenschappen zeer vele niet meer te loochenen feiten in scherpe tegenstelling staan tot uitspraken in de Bijbel en tot ernstige conflicten hebben geleid. De erkenning van de waarheid dier feiten echter, zoals de wetenschap ze onomstotelijk had bewezen, heeft voor de godsdienst nooit een achteruitgang betekend, doch integendeel zijn godsdienst en wetenschap er door steeds meer naar elkaar toegegroeid, zijn beide hechter geworteld in het leven van den mens.”

De dominee in Den Haag, bij wie ik op catechesatie zat, was zover nog bij lange na niet en ontkende met overslaande stem enig verband tussen mens en evolutie. Voor hem was Darwin, als hij al van de man had gehoord, een demon van de eerste orde en na alle studie die ik in deze zaak had verricht en die mij van zijn ongelijk had overtuigd, wist ik niets beters te doen dan professor Lever van de Vrije Universiteit zelf aan te schrijven met het verzoek als scheidsrechter op te treden. De beminnelijke geleerde constateerde in een brief, die hij vergezeld liet gaan van enkele overdrukjes (onder andere zijn Utrechtse college 'Protestantse opvattingen betreffende het evolutie-vraagstuk', 1959), dat mijn dominee ernaast zat en dit bericht, plus wat studieuze lectuur, heb ik toen maar bij hem in de brievenbus gedaan, wat zowaar na een half jaar een preek opleverde waarin bijna achteloos de mogelijkheid werd overwogen van een verzoening tussen geloof en wetenschap inzake creatie en evolutie.

Leesbibliotheek 'Actueel', ik schreef het al, bestaat niet meer. De kleine buurtbibliotheek verloor haar bestaansrecht waarschijnlijk mede door concurrentie, een eind verderop aan de Haagse Mient, van een dependance van de Openbare Bibliotheek. Ook die bibliotheek, plezierig open en toegankelijk, de boeken mochten zelf uit de kasten gehaald, ben ik nog altijd veel dank verschuldigd, omdat zij mij eenvoudigweg door haar aanbod in contact heeft gebracht met een paar schrijvers, voor wie ik tot op de dag van vandaag de grootste waardering heb behouden.

Heel veel Nederlandse literatuur kan er onmogelijk in die kleine bibliotheek voorhanden zijn geweest. Ik herinner me veel Haagse auteurs, zoals Pierre H. Dubois, B. Roest Crollius en Jos Panhuijsen. Op een dag viel mijn oog op een kennelijk nog maar pas aangeschafte titel: 'Een winterreis' van Willem Brakman. Er naast stonden nog twee boeken van dezelfde schrijver, ook nieuw en nog weinig gelezen, wat uit het stempelkaartje viel op te maken. Ik leende en las ze, te beginnen met 'Een winterreis', vervolgens 'De weg naar huis' en 'Die ene mens'. Brakman was een openbaring voor me, de toon, de sensibiliteit en de thematiek, ze legden geheel beslag op mij.

Belangrijke leeservaringen kunnen op allerlei manieren veroorzaakt worden. Iedereen, behalve op jonge leeftijd, leeft in een netwerk van aanbevelingen en mogelijkheden, die de keuzes al dan niet bewust sturen. Omdat mijn leraar Nederlands zo enthousiast praatte over Perk en Nijhoff, om er maar twee te noemen, ging ik hun gedichten ogenblikkelijk uit de schoolbibliotheek halen. Omdat iemand anders in wiens smaak ik veel vertrouwen stelde hoog opgaf van Bordewijk en Vestdijk leende ik de 'Fantastische vertellingen' en 'Aktaion onder de sterren'. Voor Vestdijk bleek het nog iets te vroeg. En zo kan ook de bibliotheek om de hoek of iets verder weg een beslissende rol spelen in iemands leesgeschiedenis.

In de Mient-bibliotheek trof ik een boek aan dat er ongeveer net zo uitzag als het boek van Peter van Gestel dat ik daarvoor gelezen had. Het was ook een Reuzensalamander en de titel luidde bijzonder aantrekkelijk voor een puber: 'De rokken van Joy Scheepmaker', de schrijver heette Gerrit Krol. Ook dit moment, het moment dat ik dit boekje besloot te lenen, beschouw ik achteraf als puur geluk. De klare helderheid waarmee Krol zijn held in diens verhouding tot de wereld en zijn meisje beschreef, de nuchtere gevoeligheid die hij in dit verhaal tentoonspreidde, ze werden als bij toverslag mijn norm.

Er is nog een derde bibliotheek waarvan ik het bestaan hier wil memoreren, en dat is de bibliotheek van het Arnhemse bejaardentehuis, waarvan mijn grootvader een van de bibliothecarissen was. Veel bijzonders had deze bibliotheek niet te bieden, het boekenbestand kwam tegemoet aan de weinig bijzondere wensen van de tehuisbewoners. Die hadden natuurlijk niet het eeuwige leven, vandaar dat er op gezette tijden stapels boeken bij de bibliotheek werden gedeponeerd, waarvoor de bibliothecaris dan maar een bestemming moest zien te vinden. Meestal was die het Rode Kruis, in een enkel geval de bibliotheek zelf. Als de boeken toch werden weggedaan, mocht ik er van mijn grootvader vrijelijk in snuffelen en meenemen wat van mijn gading leek.

Dat was dus in strikte zin geen lenen, maar verwerven van boeken. Op deze manier heb ik mij in een tijd dat ik weinig geld bezat om te kopen, met een wonderlijk allegaartje aan boeken weten te omringen, waarvan ik de meeste in de loop der jaren weer heb weggewerkt. Veel deeltjes waren daarbij van de Wereldbibliotheek, ook boeken als 'De nieuwe mensch' van Just Havelaar of 'De kluizenaar' van Ebba Pauli. Boeken over wijsbegeerte, religie, spiritisme, edelstenen en de verzamelde Goethe en Schiller. Alleen die laatste twee heb ik bewaard. En ook de 'Ethica' van Spinoza - ooit gelezen, niet begrepen - en de 'geloofsbelijdenis van een natuuronderzoeker': 'Het monisme als band tussen godgeloof en wetenschap' van Ernst Haeckel. Het is een van die sierlijke Handboekjes Elck 't Beste, uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur Amsterdam. A.C. Berlage tekende voor de band.

Blijkens een dubbele streep in de kantlijn moet ik zijn getroffen door een tirade tegen 'de paapsche priesterheerschappij'. Ik citeer die hier tot slot, met een glimlach, zoals bij een grijs verleden past: “De groote afstand, welke bestaat tusschen dit ontaarde uitwas van het christelijk geloof en het oorspronkelijke, reine oer-christendom, is niet grooter, dan die tusschen het stellen van genoemde middeleeuwsche keuze (nl. tussen “christelijke of atheïstische wereldbeschouwing”) en het godsbewustzijn der ontwikkelden van dezen tijd. Wie echter de aanbidding van oude kleedingstukken en wassen poppen, of het gedachteloos opdreunen van missen en rozenkransen houdt voor de ware uitoefening van de christelijke leer, wie aan wonderdadige reliquien gelooft en vergiffenis zijner zonden afkoopt door betalen van aflaat en St.Pieterspenningen, dien gunnen wij gaarne zijne aanspraken op den 'alleen zalig makenden godsdienst'; tegenover deze afgoden-dienaren willen wij gaarne voor 'atheïsten' doorgaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden