Sonja is doodgemarteld, God bestaat niet

Na de dood is er geen troost, besloten vooraanstaande theologen in de loop van hun leven. Ook niet voor de mensen die nooit iets hadden of een gruwelijke dood stierven. Voor Arie Kuiper een ondraaglijke gedachte: „Dan is er ook geen troost voor Sonja en de ouders van Sonja.”

Arie Kuiper

Sommige mensen weten zeker dat God bestaat. Ida Gerhardt bijvoorbeeld, niet de minste van onze Nederlandse poëten. Oud worden, schrijft zij in haar gedicht Genesis, is

allengs, een onomstotelijk weten

dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen

wanneer men van u schrijven zal: ’ontslapen’.

Wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Andere mensen weten zeker dat God niét bestaat. Zij zijn atheïst en voelen zich daar uitstekend bij. Zoals prof. R.C.Kwant, eens een spraakmakend katholiek voorman. „In de auto kwam plotseling de idee bij mij op dat God zelf een projectie is. Normaal denk je: de ware God zit erachter. Je hebt een denkbeeldige God die dit wil en dat wil, maar daarachter zit de ware God, het mysterie. En toen dacht ik: het is zelf een projectie, ik zit te vechten met niets. Ik ben inmiddels atheïst, probleemloos.”

De uitspraak van Norman Mailer dat atheïsme een uitvinding is van mensen die te stom zijn om te kunnen geloven dat God bestaat, is aan prof. Kwant niet besteed. En ook niet aan prof. Harry Kuitert, die een hele bibliotheek volschreef over de betekenis van het christendom en de nieuwe manier waarop daar tegenaan moet worden gekeken. In zijn jonge jaren was hij dominee. Later, toen hij veel ouder was, schreef hij een mooi boek over Jezus van Nazareth waarin hij uiteenzette dat Jezus door God door de dood heen werd vastgehouden toen hij stierf aan het kruis. Dat is, meende hij, de betekenis van de verrijzenis.

Die troostgevende uitspraak van Kuitert citeerde ik toen ik in 1999 de lijkrede hield bij het stoffelijk overschot van mijn oudste broer. Gods vriendschap, zei ik op gezag van Kuitert, betekent „dat Hij ons opvangt in het uur van onze dood, om ons voor de eeuwigheid te bergen”.

Een paar jaar later, toen hij al over de tachtig jaar was, schreef Kuitert wéér een boek waarin hij uitlegde dat God een verzinsel is, een product van de verbeeldingskracht van de mens. „Eerst was er de mens, toen kwam God.” Met de dood is alles uit en over, vindt hij nu. Met terugwerkende kracht maakte hij mijn lijkrede tot een lachertje. Dat neem ik hem tot op de dag van vandaag kwalijk.

In de tweede helft van de vorige eeuw was de Duitse christelijke theologe Dorothee Sölle populair in Nederland. Zij was een aanhangster van de God-is-dood-theologie en ontkende dat er leven is na de dood. „Na mijn dood zal God er zijn, maar het is niet noodzakelijk dat ik er dan op de een of andere manier ook nog zal zijn”, schreef zij. Bij andere gelegenheden verving zij de woorden ’niet noodzakelijk’ door de woorden ’zeker weten’. Zij wist zeker dat met de dood alles voorbij is, dat er geen leven is na de dood. Een opmerkelijke opvatting, vind ik, voor iemand die zich christen noemt, maar goed.

Harry Kuitert was het niet met haar eens. In een discussie met Dorothee Sölle op de Nederlandse televisie zei hij: „Ook voor mijzelf hoeft dat leven na de dood niet zo nodig. Maar dan zou ik erbij willen zeggen: als de anderen het maar krijgen. Al die mensen die nooit iets hebben gehad, die bedrogen zijn door de heersers en de machtigen. Daar heeft Dorothee Sölle geen antwoord op, op de vraag wat er met die mensen moet gebeuren. Ik vind het zeer barmhartig te geloven dat er een God is die deze mensen opvangt.”

Als de anderen het maar krijgen.

Niet alleen de mensen die nooit iets hebben gehad, zou ik daaraan willen toevoegen, maar ook alle mensen die op een verschrikkelijke manier zijn doodgemarteld, in Argentinië bijvoorbeeld of in Chili. Of de miljoenen slachtoffers van het schrikbewind van de Rode Khmers in Cambodja in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In de centrale gevangenis van de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh, om één voorbeeld te noemen, hadden de bewakers van Pol Pot speciale tangen waarmee de borsten van vrouwelijke gevangenen konden worden afgerukt voordat zij, soms dagen later, stierven.

Als die vrouwen het maar krijgen.

Nee hoor, geen kans, vond Dorothee Sölle, en nee hoor, geen kans, vindt nu ook Harry Kuitert. Met de dood is alles uit en over. Hij mocht het in de tv-discussie dan barmhartig vinden te geloven dat ’de mensen die nooit iets hebben gehad’ (en al die gemartelden, voeg ik daar aan toe) na hun ellendige dood door God worden opgevangen, nu weet hij zeker dat er ook voor al die mensen na de dood geen troost is.

Dan is er ook geen troost voor Sonja en voor de ouders van Sonja.

Wie is Sonja? Sonja is een Duits meisje van zes of zeven jaar, precies weet ik het niet. In 2004 werd zij, samen met haar broertje, door twee mannen ontvoerd.

Het jongetje werd meteen verkracht en vermoord. Sonja werd langer dan twaalf uur door de twee mannen verkracht en langzaam, heel langzaam doodgemarteld, tot zij bezweek.

Toen zij eindelijk dood was, en haar lijk ergens gedumpt, ging de oudste van de twee mannen achter zijn computer zitten om tot in de kleinste sadistische details op te schrijven wat hij en zijn maat Sonja hadden aangedaan. Zo genoot hij er voor de tweede keer van.

Later werden de twee mannen gearresteerd. Zij kregen levenslang. De politie vond in het huis van de oudste een diskette met daarop de tekst van zijn verhaal. Wat hij had opgeschreven was zó gruwelijk dat de rechter tijdens het proces verbood de uitgeprinte tekst voor te lezen, uit respect voor de gevoelens van de nabestaanden, neem ik aan.

Vaak denk ik ’s avonds, voordat ik in slaap val, even aan Sonja. De laatste uren die zij op deze aarde doorbracht, haar angst, haar ondraaglijke pijn. Twee volwassen mannen die haar dit aandeden.

Vaak ook denk ik, voordat ik in slaap val, even aan Sonja’s ouders. Waarom gebeurt dit met mensen? Waarom is dit deze mensen overkomen? Niemand die het weet. Het gebeurt gewoon. Het had ook mijn kleindochter kunnen overkomen. Sonja of Sophie of een ander meisje, dat maakt geen verschil.

’Gij weefde mij in de schoot van mijn moeder”, dichtte koning David in Psalm 139. God kende ons al voordat wij werden geboren. „Heer, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten, ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij.”

Heeft God ook de twee moordenaars van Sonja geweven in de schoot van hun moeder? Heeft hij het bestaan van deze twee mensen gewild?

Koos Koster, een verslaggever van Ikon-tv, was in Chili in september 1973 toen generaal Augusto Pinochet daar zijn staatsgreep pleegde. Hij werd gearresteerd en zat korte tijd vast in het stadion van Santiago waar duizenden mensen werden opgesloten. Hij zag met eigen ogen hoe de gevangenen werden mishandeld en naar de martelkamers gebracht.

Koster was theoloog en kende zijn klassieken. „De God van Israël slaapt en sluimert”, schreef hij in zijn dagboek, een verwijzing naar Psalm 120: „Mijn hulp komt van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. Nee, hij sluimert niet, hij slaapt niet, de wachter van Israël.”

Koos Koster keek om zich heen en hij zag dat het niet klopte. Gevreesd moet worden dat rabbijn Richard L. Rubenstein gelijk heeft. In zijn boek ’De God van de Joden na Auschwitz’ (1968) schreef hij: „De oude persoonlijke God van de Joden, tot wie men bidden kon, die men vereren kon, tot wie men in een ik-gij-relatie kon treden, is dood na Auschwitz. De verbinding tussen hemel een aarde is verbroken. Wij leven in een ijskoude, onverschillige en zwijgzame kosmos. Wij worden bij onze geboorte in een absurde en zinloze realiteit geworpen waaruit wij na een tijdje, zonder sporen na te laten, weer zullen verdwijnen, weg in hetzelfde niets waaruit wij zijn ontstaan.”

En toch Een tien, twaalf meter hoge jasmijn staat in de tuin van mijn benedenbuurvrouw, wel zes, zeven meter breed, een overweldigende pracht van honderden witte bloemen. De jasmijn bloeit en beroert mijn ziel. Etty Hillesum onderging dat gevoel ook toen de jasmijn bloeide in háár achtertuin in de Gabriel Metsustraat in Amsterdam.

De Joden werden door de nazi’s weggevoerd. Etty zag de mensen om haar heen verdwijnen, zij wist dat de nazi’s uit waren op haar dood en op de dood van alle andere Joden. „Goed, deze nieuwe zekerheid dat men onze totale vernietiging wil, aanvaard ik. Ik wéét het nu.” Maar zij keek naar de bloeiende jasmijn en was gelukkig. „Ik begrijp niets van die jasmijn. Dat hoef je ook niet te begrijpen. Men kan best in deze twintigste eeuw in wonderen geloven. En ik geloof in God, ook als de luizen me binnenkort hebben opgevreten in Polen.”

Elk jaar in juni openbaart zich de schoonheid van de jasmijn, elk jaar in juni denk ik: iedereen die denkt dat dit zomaar is ontstaan, bij toeval, door evolutie, is een zottekop. Niemand vertelt de jasmijn in juni dat hij moet gaan bloeien. Hij doet het gewoon. Dat zit in zijn genen. Daardoor weet hij: ik moet weer bloeien. God fluistert hem in: ontwaak en daardoor bloeit hij. Een onzinredenering, ik weet het. En toch...

Etty Hillesum schreef dat het lijden niet beneden de menselijke waardigheid is, maar dat ben ik niet met haar eens. Lijden is wél beneden de menselijke waardigheid. Lijden is verschrikkelijk.

De jasmijn bloeit, God bestaat. Sonja is doodgemarteld, God bestaat niet. Als ik aan God denk, moet ik meteen denken aan Sonja.

Iedereen die denkt dat de jasmijn zomaar bloeit, bij toeval, is een zottekop. Iedereen die denkt dat Sonja’s gruwelijke lijden kan worden ingepast in de gedachte dat er een God bestaat die van de mensen houdt, is eveneens een zottekop. Of moet ik geloven aan een liefdevolle en almachtige God die aan haar marteldood geen boodschap heeft en het niet de moeite waard vindt een vinger uit te steken om haar te redden?

„Als er een God bestaat met de macht die men hem toedenkt”, schreef Herman Bleich, „zou hij als een oorlogsmisdadiger moeten worden veroordeeld.” Herman Bleich was een Jood uit Polen die opgroeide in het Berlijn van de Republiek van Weimar en alles wist van de verschrikkingen van de Shoah.

Het probleem is onoplosbaar. Als God niet bestaat is het leven absurd en verschrikkelijk. Als God wél bestaat is het leven eveneens absurd en verschrikkelijk, en bovendien onbegrijpelijk, want waarom doet God dan niets tegen al die ellende? Ziedaar la condition humaine. We zullen het ermee moeten doen. Het is niet anders. Een ander leven hebben we niet. Tenzij je gelooft in reïncarnatie, maar daar wordt een mens ook niet wijzer van.

Zelf weet ik niet of ik gelovig of ongelovig ben. Het liefst omschrijf ik mijzelf als een twijfelende gelovige of liever nog een twijfelende agnost. Op maandag, woensdag en vrijdag ben ik gelovig, op dinsdag, donderdag en zaterdag ben ik agnost (atheïsme is voor mij een onmogelijke levenshouding) en op zondag ga ik (soms) naar de kerk en denk nergens aan.

’Wat kosten twee mussen?”, vroeg Jezus aan zijn leerlingen. „Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer zonder dat jullie vader er weet van heeft”. Sonja, mag ik aannemen, was (of is) heel wat meer waard dan twee mussen. Met andere woorden: toen zij ontelbare malen werd verkracht, en langzaam doodgemarteld, wist God ervan.

In dat geval zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat Jezus zomaar wat zei. De tweede mogelijkheid is dat hij, zoals hij pretendeerde, een helder inzicht had in wie of wat God is. God wist dus precies wat met Sonja gebeurde. Dan zijn er wederom twee mogelijkheden. De eerste is dat Hij onmachtig was er iets aan te doen. De tweede is dat Hij er geen zin in had. Laat maar. Zo zijn de mensen nu eenmaal.

Nog erger wordt het als we de de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) of de katholieke Willibrordvertaling gebruiken. De laatste zegt: „En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen.” De NBV zegt dat er geen mus dood neervalt „als uw vader het niet wil”. God had dus niet alleen weet van het lijden van Sonja, hij wilde het.

Laten we voor God, als hij bestaat, hopen dat Jezus inderdaad maar wat zei.

Of ligt het toch anders? Volgens een bijbelexegeet die ik erover aansprak deugt de woordkeus van de NBV niet. De oorspronkelijke Griekse tekst spreekt niet van ’wil’ maar ook niet van ’weet hebben van’. In het Grieks staat er: Aneu tou Patros humoon, wat zoveel betekent als ’zonder uw Vader’ of ’buiten uw vader om’. Wie ’zonder dat uw Vader het wil’ vertaalt, aldus deze exegeet, voegt aan de tekst iets toe wat er helemaal niet staat.

Hoe dan ook, Jezus noemde God zijn vader en tientallen miljoenen mensen bidden dat, op zijn gezag, nog elke dag: Onze Vader die in de hemel zijt. Maar, dichtte Multatuli in zijn ’Gebed van een onwetende’: „Het kind dat vergeefs de Vader aanroept doet geen kwaad, de Vader die vergeefs zijn kind laat roepen handelt wreed! En schoner is ’t geloof: daar is geen Vader dan dat Hij doof zou wezen voor zijn kind.”

In mijn jeugd leerde ik dat God eindeloos almachtig en eindeloos liefdevol is. Dit verhaal dat mij verteld werd is dus waardeloos. Het klopt niet. En Sonja is natuurlijk alleen maar pars pro toto. Zij staat voor al het mateloze lijden in de wereld en geen God en geen mens die er iets tegen kan doen.

Jezus wordt door rechtzinnige christenen gezien als de zoon van God, als God zelf dus, tweede persoon van de goddelijke drie-eenheid. Consubstantialem Patri, één in wezen met de Vader, zo zong ik vroeger vaak, en soms nog als ik, door weemoed overvallen, op zondag het gregoriaanse Credo meezing in de katholieke kerk. God zelf liep in de persoon van Jezus van Nazareth hier op aarde rond. Dat is wat de katholieke kerk mij leerde toen ik een kind was, en tot ver in mijn volwassen bestaan ben ik het blijven geloven. Nu weet ik het niet meer, of liever, ik weet bijna zeker dat het niet waar is. Maar een prachtig en troostrijk verhaal is het wel. Om met filmregisseur Paul Verhoeven te spreken die een fraai boek schreef over Jezus, die volgens hem gewoon een mens was en niets meer: „Ik wou dat ik het geloven kon.” Want „God bestaat niet maar ik mis hem wel.”

De nazi’s roeiden zes miljoen Joden uit als ongedierte en God stak geen vinger uit, terwijl het hier toch ging om kinderen van zijn eigen volk, zoals de Bijbel ons wil doen geloven. Wij roepen sindsdien krachtig ’Nooit meer Auschwitz!’, en Jan Wolkers maakte met die woorden een mooi monument in het Wertheimpark in Amsterdam. Maar helpen doen die woorden niet, want er zijn sinds 1945 al weer vele Auschwitzen geweest. In het Cambodja van Pol Pot, in de Sovjet-Unie van Jozef Stalin, in het Argentinië van Leopoldo Galtieri, in het Chili van Augusto Pinochet en in veel andere landen. Allemaal veel minder omvangrijk, en dus minder erg, zo wordt gezegd, dan de Shoah. Maar het ís niet minder erg, want het lijden van de gehele wereld is nooit groter dan het lijden van één mens.

Anders gezegd: de moord op Sonja en het lijden van haar ouders is even erg als de moord op zes miljoen Joden.

Verlangen naar God is zinloos, hopeloos, want niemand hoeft mij uit te leggen dat God dood is of minstens verschrikkelijk afwezig. Dat is geen nieuws. Dat wist Dietrich Bonhoeffer vijftig jaar geleden al in zijn Gestapocel. God is een werkhypothese. „In alles wat gebeurt is God maar voor en met God moeten wij leven zonder God. Wij moeten leven alsof God niet bestaat.”

Voor en met God leven zonder God... Maar toen een SS’er Bonhoeffer op 9 april 1945, dus kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, meedeelde dat hij over een uur zou worden opgehangen, zonk hij op zijn knieën en bracht het laatste uur van zijn leven biddend door, God smekend hem in genade aan te nemen. Zijn laatste woorden: „Dit is het einde, maar voor mij het begin van leven.”

Voor en met God leven zonder God. Korter gezegd: God bestaat niet en houdt van mij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden