’Soms zie je de hand van de Heere aan het werk’

Van alle kerken krimpt de doopsgezinde het snelst. De grootste groeier is de gereformeerde gemeente. Vandaag deel 2 van een drieluik uit Apeldoorn: het ’bevindelijke’ gezin Schut: „Wat niet tot Gods eer is, komt van de duivel. Blanco bestaat niet.”

De familie Schut twijfelt of ze op de foto wil. „Niet ons geloof of onze kerk staat centraal”, zegt vader John, „maar de Heere Jezus Christus, Die voor zondaren gestorven is.”

John Schut (42) is met zijn vrouw Willeke (36) en hun kinderen Lennart (14), Daniël (11) en Kirsten (5) lid van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika (’gergem’) in Apeldoorn. Hun kerk (1100 leden) wordt gerekend tot de bevindelijk-gereformeerde gezindte. Theoloog en communicatiedeskundige Anne van der Meiden schreef er het boek ’De zwartekousenkerken’ over.

Die hebben het imago dat er héél weinig mag: vrouwen dragen tijdens de kerkgang een rok en een hoed, de meeste gezinnen hebben geen tv, men stemt veelal SGP. „Bij alles wat we doen is de Bijbel onze norm”, zegt John. „Wij stellen onszelf de vraag: wat is tot eer van God en wat niet?” Dat betekent volgens Willeke niet dat in hun kerk voortdurend ’dit mag niet en dat mag niet’ wordt gepreekt. „Maar de wereld zou heel mooi zijn als iedereen leefde zoals God het wil.”

In de Bijbel staat toch niets over televisie? „Dat klopt”, zegt John. „Maar in bijvoorbeeld Goede Tijden, Slechte Tijden komen zonden voor als overspel en nijd. Dat is duidelijk niet tot eer van God. Kijk maar in Galaten 5.” Belangrijker dan de tv zélf vindt Willeke wat je doet met ’de tijd die God je heeft gegeven’. „Wij zijn helemaal niet ingesteld op televisie. Dat voelt heel vrij.”

Het is zondagochtend, kerktijd. Vóór het gezin de kerkzaal betreedt, zet Willeke een baret op. De kerkeraad komt binnen – zeventien mannen, in zwart pak met zwarte das. De mannen in de kerk gaan staan voor een stil gebed, de vrouwen bidden zittend. Er is een lezing uit de Bijbel, in de Statenvertaling van 1618, en de (ongeveer 900) aanwezigen zingen psalmen – uitsluítend psalmen – in de berijming van 1773: ’God is op ’t hoogst geducht in Zijner heilgen raad, en vreeslijk boven ’t heir dat om Zijn rijkstroon staat’.

Vanochtend is er geen predikant (de gergem kent een domineestekort), dus leest een van de kerkeraadsleden een preek over een ’zondag’ (hoofdstuk) uit de Heidelbergse catechismus (anno 1563), waarin de gereformeerde leer via vragen en antwoorden wordt uitgelegd. Een van de vragen luidt vanochtend: ’Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heilige Geest?’.

Het antwoord: ’Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn’. Daarop volgt een tamelijk abstracte uitleg over ’wezenseigenschappen’ en ’personele eigenschappen’ van God, met af en toe een vermaning: „Jongens en meisjes, geef je kostbare tijd toch niet aan de wereld, aan dat voetbal waar mensen hun nachtrust, ja zelfs hun huwelijk voor opgeven.” De dienst eindigt met gebed voor de zieken („Heere, U gaat met hen een moeilijke weg naar het vlees”) en de mededeling dat volgende week een theologiestudent zal preken – „zo de Heere wil en wij leven.”

Veel kerkgangers zijn met de auto gekomen. „Mijn opa vond nog dat je op zondag niet mag fietsen”, zegt John. „Van Beekbergen liep hij naar de kerk in Apeldoorn.”

Autorijden op zondag is niet het enige dat in de gergem is veranderd, zegt Willeke. „Mijn ouders hebben mij vroeger niet laten inenten. Zij vonden dat je voor je gezondheid op God diende te vertrouwen. John en ik denken: de Heere heeft ons medicijnen gegeven.” John: „Wij vragen Zijn zegen over ons besluit de kinderen te vaccineren.”

De positie van de bevindelijk-gereformeerde vrouw is volgens Willeke nu ook anders dan een generatie terug. „In onze gemeente ken ik geen enkele vrouw die bij verkiezingen niet gaat stemmen.” Zelf kiest Willeke voor de SGP, al vindt ze die politici ’wel erg mannenbroeders’ en heeft ze óók sympathie voor de ChristenUnie. Toen ze eens overwoog op die partij te stemmen, kreeg ze op een nacht een droom waarin ze SGP’er Bas van der Vlies zag. Heel helder. „God laat mensen soms duidelijk zien dat het anders kan”, zegt Willeke. „De SGP kreeg toen een zetel extra. Ze hadden mijn stem gewoon nodig.” Volgens John staat nergens in de Bijbel dat vrouwen zich niet met politiek mogen bezighouden. „De koningin van Sjeba regeerde toch ook?”

Voorheen ook ondenkbaar in bevindelijke kring: Willeke werkt (part-time) buitenshuis, in de kinderopvang. Haar collega’s zijn veelal niet gelovig. „Ze stellen me allerlei vragen”, zegt ze. „Dan denk ik: ’Yes, ik kan wat over mijn geloof vertellen.’” Laatst vroeg iemand: ’Als jij in de hemel komt, houd je dan een plaatsje voor me vrij?’. „Ik hoop dat jij God ook leert kennen en Hem liefkrijgt”, antwoordde Willeke. „Dan is bij Hem ook plaats voor jou.”

Volgens de literatuur luidt de klassieke bevindelijke leer dat niemand kan weten of hij in de hemel komt. God heeft namelijk ’van eeuwigheid’ al besloten wie ’verlost’ zal worden en wie niet. „Dat wordt in onze kerk zo niet gepreekt”, zegt John. Willeke: „Vroeger dacht ik: als ik niet in de hemel kom, heeft God dat niet gewild. Door de Bijbel te lezen kwam ik tot het inzicht dat God van mij houdt. Toen kreeg ik Hem écht lief. Als ik nu zou verongelukken, weet ik dat ik behouden ben.”

„Er is verlossing mogelijk”, zegt John. „We komen onbekeerd en als zondaars ter wereld, maar wie hongert en dorst naar gerechtigheid is zalig. God geeft ons Zijn liefde, en vraagt of wij Hem ook willen liefhebben.” Maakt het dan uit of iemand gereformeerd is, doopsgezind of rooms-katholiek? „In principe niet”, zegt John. „Wij denken niet dat onze kerk de enige ware is. Gods kinderen vind je ook wel buiten de gergem.”

Dan is het etenstijd. John opent de maaltijd met gebed, Willeke eindigt. Daartussen mag kleine Kirsten een verhaal kiezen uit de kinderbijbel (’Jozef!’) en komt het gesprek op het begrip ’bevindelijk’. Dat betekent volgens Lennart dat je het geloof niet kunt bewijzen, maar wel erváren, ondervinden. „Dat je opeens de hand van de Heere aan het werk ziet”, knikt Willeke. Ze ervoer het toen haar vader ziek werd en stierf. „Toen heb ik geworsteld. Waarom moest hij zo lijden? God is met iedereen, maar Hij leek mijn vader in de steek te laten.” Uiteindelijk stierf opa heel vredig, op paasochtend. De avond ervoor was zijn broer langsgekomen om een oud geschil bij te leggen. „Daar had ik om gebeden”, zegt Daniël. Willeke: „Ik zat aan zijn sterfbed en hoorde buiten de vogels. Ik dacht: God ziet ons hier tóch.”

Om vijf uur zondagmiddag is er weer kerk, nu mét dominee. Hij onderscheidt zich van de kerkeraad door zijn jacquet en witte das. Hij preekt een klein uur – uit het hoofd – in drie delen die worden onderbroken door een couplet zang. In de kerkbank deelt de familie Schut achtereenvolgens mentos, topdrop en fruitella uit. „Hebben wij onze onreinheid al ontdekt?”, vraagt de predikant. „Daarvoor zijn we van nature blind. Zullen wij daarom zingend bidden: ’Ontzondig mij met hysop en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen’ en wat er verder volgt in Psalm 51 vers 4?” De predikant heeft een opvallend bevende manier van spreken. Daniël vermoedt dat de dominee dat eerbiedig vindt.

Eens per week gaat John (Willeke past op de kinderen, volgende week andersom) naar een gebedsgroepje bij een gemeentelid thuis. Zulke groepjes vind je vooral in evangelicale kerken, maar sinds een jaar of tien is er volgens John in de gergem sprake van een kentering, waardoor ze ’prima kunnen’. „Het geeft mijn geloofsleven verdieping”, zegt hij.

Het groepje (vier mannen, een vrouw) zingt bij de gitaar, en ieder spreekt een persoonlijk gebed uit. Daarna lezen ze een bijbeltekst. Die maakt volgens John heel duidelijk ’dat leven zonder God zinloos is’. „Je moet letten op de tekenen van de wederkomst”, zegt hij. „We lazen net over de watervloed. Dan denk ik aan de tsunami. Ik zie dat als een vervulling van de tekenen die de Heere Jezus heeft aangekondigd. Daaraan kun je merken dat het einde van de wereld dichterbij komt.” De anderen mompelen instemmend.

Later die week is er in een bijzaal van de kerk een opvoedavond van de Jeugdbond van Gereformeerde Gemeenten, over ’huisgodsdienst’ en popmuziek. Kirsten is voor popmuziek nog te klein, zegt John. En Daniël is er niet zo ’vatbaar’ voor; die luistert tijdens het huiswerk maken naar preken. Maar Lennart begon laatst over een mp3-speler. Om naar gospelmuziek te luisteren. „Met gospel zet je de deur op een kier voor echte popmuziek”, vindt John. Pop is volgens de jeugdbond ’niet tot eer van God, inhoudsloos, en ik-gericht’. „Wat niet tot Gods eer is, komt van de duivel”, zegt John. „Blanco bestaat niet.”

Met een ledenaanwas van dertien procent in de laatste vijftien jaar (zie grafiek) groeit de gergem sterker dan welke andere kerk ook. Overal in het land worden kerkgebouwen uitgebreid. Komt dat misschien door de traditioneel grote gezinnen? Of blijft men de kerk trouw uit angst het sociale leven kwijt te raken? Dat laatste gelooft Willeke niet, zegt ze. „Van bijna ieder gezin in de gergem gaat er wel iemand naar een andere kerk. Zo nuchter moet je zijn.” John denkt dat mensen in de gergem blijven, omdat ze ’ervaren dat de Heilige Geest hier werkt’. „En bij ons staat Gods Woord centraal”, zegt hij. „Wij geven Hém alle eer.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden