Soms wat te lief in Uruzgan

'Als het geven van ontwikkelingsgeld ten koste gaat van eerlijkheid en goed bestuur, moet je maar wat minder geven.' (FOTO WERRY CRONE)

Aan het civiel-militaire optreden in Afghanistan valt zeker wat te verbeteren, concludeert Afghanistan-expert Willem Vogelsang na ruim twee jaar in Uruzgan. Nederland kan zich niet aan de nieuwe missie onttrekken.

Vorige maand maakte Willem Vogelsang in Uruzgan iets mee wat hij tijdens de Nederlandse missie nog nooit had meegemaakt. Amerikaanse militairen ondervroegen een Afghaans contactpersoon die ze ervan verdachten dat hij ontwikkelingsgeld in zijn eigen zak had gestoken. „Dat heb ik de Nederlanders nooit zien doen. We hadden de besteding van ontwikkelingsgeld zelf veel beter kunnen en moeten controleren. Nu zie je dat de besteding van het vele geld soms tot enorme corruptie heeft geleid.”

Willem Vogelsang is net terug uit de Afghaanse provincie Uruzgan. Ruim twee jaar lang was hij als regionaal en cultureel adviseur verbonden aan de door Nederland geleide Task Force Uruzgan en woonde hij op Kamp Holland, de militaire basis bij Tarin Kowt. Vogelsangs eerste werkdag op de universiteit van Leiden was wat onwennig. Lachend: „Ik stapte de deur uit om met de fiets door de regen naar de universiteit te gaan en dacht onwillekeurig: hé, waar is m’n helikopter?”

De laatste militairen van de Nederlandse taakgroep vertrokken op 1 augustus vorig jaar, precies vier jaar nadat de omstreden missie was begonnen. Vogelsang bleef tot eind december in Uruzgan om de Amerikaanse en Australische opvolgers te helpen bij het leggen van contacten met formele en informele leiders in de provincie. Als een van de weinigen kan hij het Nederlandse optreden in Uruzgan vergelijken met dat van de Amerikanen en Australiërs.

Het grotendeels ontbreken van controle op de besteding van ontwikkelingsgeld is Vogelsang een doorn in het oog. „Veel geld komt niet op de juiste plaats terecht. Een van de hogere Afghaanse ambtenaren in Uruzgan ging elk jaar op bedevaart naar Mekka met geld dat voor onderwijs was bedoeld. Die man is onlangs eindelijk ontslagen, maar dat heeft wel jaren gekost. De instelling van Nederland en van de internationale gemeenschap in de richting van het lokale en nationale bestuur is dat ze niet durven in te grijpen, zich afwachtend opstellen, allemaal aardig willen worden gevonden, geen kolonisator willen zijn, en soms gewoon geld willen uitgeven.”

Die softe aanpak pakt volgens Vogelsang desastreus uit. Dertig jaar geleden bestond er nauwelijks corruptie in Afghanistan. Nu neemt dat enorme vormen aan. „Als het geven van ontwikkelingsgeld ten koste gaat van eerlijkheid en goed bestuur, dan moet je maar wat minder geven, en dan ook nog op voorwaarde dat het goed wordt besteed en dat die besteding wordt gecontroleerd. Deze corruptie is erger dan het gemis van een schooltje of kliniek in de vallei.”

Amerikaanse militairen pakken dat volgens Vogelsang veel resoluter aan. Geen zaken met de mantel der liefde bedekken, maar op de man af vragen waarom dat schooltje nog niet is gebouwd of waar het aan de boeren uitgedeelde graan is gebleven. Het stereotiepe beeld van bruut en respectloos optredende Amerikaanse militairen herkent Vogelsang niet. Ze hebben wel meer moeite om met andere culturen om te gaan dan Nederlanders en zijn ook hiërarchischer ingesteld.

De Amerikanen richten zich veel sterker op het provinciaal bestuur van Uruzgan dan de Nederlandse militairen en diplomaten deden. Die hebben veel energie gestoken in het opbouwen van contacten met de lokale bevolking en het terugkoppelen van bevindingen naar het provinciaal bestuur. De Nederlanders waren de tussenpersoon tussen lokale leiders en het provinciale bestuur. Dat heeft geleid tot een zekere stabiliteit in de provincie.

De lokale contacten zijn sinds het vertrek van de Nederlanders verwaterd. Dat is jammer, maar de tijd dringt vanwege het voorgenomen vertrek van de Navo-troepenmacht Isaf. „Nederland begon aan de missie met het – onuitgesproken – idee dat het opbouwproces heel lang kon gaan duren. Tien, twintig jaar, dan was er vanuit de bevolking voldoende druk op de provinciale regering gekomen. Dat zou ideaal zijn geweest, maar rustig de natie van onderaf opbouwen, dat kan niet meer. Daarom worden alle kaarten nu gezet op het trainen van politiemensen en militairen, zodat de Afghanen het binnen een beperkt aantal jaren helemaal zelf kunnen doen. ”

Opvallend is ook het verschil in omgang met vroegere krijgsheren. Nederland verklaarde een aantal van die krijgsheren (onder wie de vroegere gouverneur Jan Mohammed Khan en Matiullah Khan, baas van de Highway Police) besmet vanwege criminele bezigheden en onduidelijke banden met de taliban. Amerikanen en Australiërs redeneren veel pragmatischer. De krijgsheren zijn in Afghanistan nu eenmaal een factor van betekenis. Dan kun je maar beter met hen rond de tafel gaan zitten. Vogelsang: „Dat negeren is geen goede insteek gebleken. Als neutrale macht moet je met alle partijen praten. Nederland had meer kunnen bereiken als we wel met die mannen hadden gesproken. Maar onze opvolgers in Uruzgan moeten ook weer goed oppassen dat ze door de bevolking niet gezien gaan worden als een verlengstuk van die krijgsheren.”

Over de Nederlandse bijdrage aan de veiligheid en opbouw van Uruzgan wordt nog altijd waarderend gesproken. Lokale leiders zagen de Nederlanders met lede ogen vertrekken. „Uruzgan is nog steeds redelijk stabiel. We kunnen best trots zijn op wat er is bereikt.” Tegelijk is Vogelsang somber over wat er kan gebeuren als de Isaf-troepen Afghanistan verlaten. Hij voorziet een herhaling van 1990, na het vertrek van de Russische troepen. „Straks gaat het westen weg met achterlating van heel veel wapens. Dan blijft het een paar maanden, misschien een half jaar rustig en komen de krijgsheren weer tegenover elkaar te staan. De kans is groot dat de zaak dan weer in elkaar stort.”

Het trainen van Afghaanse politiemensen en militairen is vooralsnog de enige manier om dit doemscenario voor te blijven. Nederland kan zich daaraan niet onttrekken, vindt Vogelsang. „Ons land heeft inderdaad al veel gedaan, maar je kunt het niet maken dat bijna elk Navo-land troepen stuurt en Nederland niet. De buitenlandse militairen zijn in Afghanistan op verzoek van de Verenigde Naties. Het is juist het grote aantal landen dat aanwezig is in Afghanistan dat de westerse aanwezigheid voor de meeste Afghanen acceptabel maakt. Het is geen puur Amerikaans feestje en daarmee is Isaf geen bezettingsmacht.”

De ontwikkelingen in Afghanistan de komende jaren zullen medebepalend zijn voor de globale verhoudingen. Daarin kan Nederland het zich niet veroorloven om langs de zijlijn te blijven staan. „We moeten proberen onze ervaringen en kennis te gebruiken en doorgaan, ondanks de fouten die er worden gemaakt, om het land er bovenop te helpen. Dat zijn we aan onszelf, juist als onderdeel van de grote wereldgemeenschap, en aan Afghanistan verplicht. Als we ons allemaal terugtrekken, komt er een enorm bloedbad dat wellicht zal overslaan naar Pakistan. Dat willen we toch ook niet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden