Soms moet je pal staan

Ze zijn geboren tussen 1945 en 1950. Ze groeiden op in de schaduw van de oorlog en in het licht van herstel. In een serie interviews met vooraanstaande Nederlanders onderzoekt Miek Smilde hoe oorlog en wederopbouw de kinderen van nét na de oorlog hebben gevormd. Aflevering 6: Arnold Schilder (1948), directeur van De Nederlandsche Bank en belast met het toezicht op het bankwezen. Na zijn studie theologie aan de vrijgemaakt gereformeerde Hogeschool in Kampen en later aan de Universiteit Utrecht werd hij accountant. Schilder was lid van de commissie-Van Kemenade die onderzoek deed naar de roof van Joodse tegoeden na de Tweede Wereldoorlog.

'Mijn eerste beeld van Kampen staat ondersteboven. Ik kwam met mijn vader aan op het station, boog me voorover en keek door mijn benen naar achteren, naar de stad. Ik weet niet waarom ik dat heb gedaan. Het was vlak na de februaristorm in 1953, ik was toen vijf jaar. Er lagen overal bomen, ontworteld.'

,,Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in de oorlogsjaren, op congressen van de Calvinistische Studenten Beweging, die had je toen in de gereformeerde wereld. Het Maarten Maartenshuis in Doorn is een ontmoetingspunt geweest. Mijn vader was toen al een beetje bekend, de naam Schilder, dat was iets in gereformeerde kringen. Hij was het neefje van zijn beroemde oom Klaas die betrokken is geweest bij het conflict in de gereformeerde kerken in 1944. Dat conflict leidde tot de afscheiding van de vrijgemaakt gereformeerde kerk waartoe mijn familie behoorde. Achteraf is het een vreemde datum, 1944, midden in de oorlog en dan zo'n kerkstrijd. Het bewijst dat de samenleving in de oorlog gewoon doorging. Oorlog betekent niet een soort nationale pauze waarin het leven wordt stilgelegd. Pas achteraf realiseer je wat er precies is gebeurd en wat allemaal weggedrongen is.'

,,Mijn vader was ook de oudste zoon en Herman, zo heette hij, die moest wat worden. Dominee, theoloog. Er hing een soort belangrijkheid om hem heen, terwijl dat eigenlijk helemaal niet de natuur van mijn vader was. Zijn omgeving koesterde verwachtingen, hij moest dingen waarmaken. Die enorme verantwoordelijkheid typeert mijn geslacht, er moest heel veel. Als oudste van tien kinderen heb ik die verantwoordelijkheid ook gevoeld. Zeker voor mijn zus Aleid, die na mij komt. Baas, zoals mijn moeder mij als jochie noemde, Baas moest op Aaltje passen. Dat kreeg ik meteen mee.'

,,Mijn grootvader Schilder was een selfmade man. Hij had graag theologie willen studeren, maar daar was geen geld voor. Zijn moeder was jong weduwe geworden en verdiende wat geld met wassen en dienen. Hij begon als loopjongen op de sigarenfabriek en dankzij allerlei avondcursussen werkte hij zich op van jongste bediende tot partner van een groot accountantskantoor. Opgroeien, opklimmen en dan wat neerzetten, dat is dat typische patroon. Plus de gereformeerde arbeidsethiek dat je de aarde moest bebouwen en bewaren, dat je rentmeester moest zijn. Rapportcijfers werden beloond bij mij thuis, een zeven was een stuiver, een acht een dubbeltje en voor een negen kreeg ik een kwartje. Eén keer stond op mijn rapport dat ik de klas uit was gestuurd. Toen ben ik onmiddellijk bij mijn grootvader geroepen. Het paste niet, het hoorde niet. Het hoorde perfect te zijn.'

,,Ik ben opgevoed in de streng gereformeerd vrijgemaakte traditie. Mijn moeder was van origine hervormd, maar was geboeid door de gereformeerde hoogleraar Veenhof die haar als dominee erg aansprak. Zij is gereformeerd, en later vrijgemaakt gereformeerd geworden, maar heeft zich geleidelijk aan gerealiseerd dat ze die ingeboren felheid van de vrijgemaakte kerken eigenlijk niet echt vond. Dat die kerkelijke ruzies beschamend voor mensen hebben gewerkt. In 1967 brak opnieuw een kerkelijke twist uit tussen het zogenaamde binnenverband en het buitenverband. Mijn vader heeft toen voor het binnenverband gekozen, mijn moeder voor het buitenverband. Ik herinner mij hoe mijn ouders na het middag eten tegenover elkaar aan tafel zaten en elkaar niet konden bereiken. Ze waren vol goede intenties, het is eigenlijk altijd een goed huwelijk geweest, maar tegelijkertijd zaten daar twee verschillende werelden tegenover elkaar. Die kerkscheuring scheurde ook ons gezin. Er kwamen discussies naar welke kerk de kinderen nu moesten, naar de kerk op de Broederweg of naar een zaaltje in de Stadsgehoorzaal waar mijn vader heen zou gaan. De oudste drie kinderen mochten zelf kiezen naar welke kerk ze zouden gaan en gingen met moeder mee. Mijn vader vond dat de jongste kinderen niet gescheiden mochten worden van hun moeder, dat kon hij emotioneel niet maken. Dus die mochten ook met moeder mee naar de kerk. Maar de middelste drie, twee zussen en broer, die moesten maar met vader mee. Op de eerste zondag dat het speelde, heeft mijn moeder een bijzondere daad van verzet gepleegd. Zij heeft haar middelste drie kinderen weggestuurd nog voordat mijn vader beneden kwam. 'Loop maar om via de Zwartendijk naar de Nieuwe kerk', heeft ze gezegd. Dat was een absolute daad van verzet tegenover mijn vader. Sindsdien is hij alleen naar de kerk gegaan.'

,,Ik ben eigenlijk al op de lagere school in verzet gekomen. Ik liep tegen grenzen aan, ik wilde eropuit. Ik heb eens een meisje aan haar paardenstaart getrokken, ik denk dat ik toen twaalf jaar was. Mijn vader was woedend toen hij het hoorde. We hebben toen even fysiek gevochten, helemaal niet lang, maar dat ging natuurlijk volstrekt tegen alle regels in, ik kon de autoriteit niet zo beschadigen. Ik ben weggelopen, een eind Kampen uit, naar de molen. Maar ik moest natuurlijk toch terug naar huis, met lood in mijn schoenen. Ik weet nog dat ik in de gang stond, wij hadden zo'n lange gang, en dat mijn vader thuiskwam. Ik zag hem buiten zwaaien naar mensen, hij lachte, maar toen hij binnenkwam en mij zag, verstrakte zijn gezicht. Daar zat iets heel kunstmatigs in. Ik moest gestraft worden, uitpraten was niet genoeg, er moest recht worden gesproken en dat moest om zeven uur 's avonds, op zijn studeerkamer. Lijfstraf. Daar ging mijn vader redelijk ver in. Zo had hij dat van zijn vader geleerd. Het was niet eens het fysieke dat mij kwetste - dat had nooit gemogen, maar dat hoorde er nu eenmaal bij. Het was die verkramptheid. Kinderen willen zich ontworstelen, ze willen hun eigen vrijheid zoeken, maar dat mocht niet, dat kon niet, daar werd geen ruimte voor gegeven.'

,,Op de middelbare school werd het heftiger. Ik zat op het Calvijn lyceum, een algemeen protestantse school. Als vrijgemaakt gereformeerde jongen, zoon van de bekende professor Schilder, mocht ik niet naar de schoolvereniging, want daar zaten ook andere geloven bij, synodaal gereformeerden en hervormden. In de ogen van mijn vader en de kerk waren zij het absolute kwaad, dat werd ook van de kansel gepredikt. Tot de derde, vierde klas heb ik zelf tegenover vriendjes verdedigd dat het vanzelfsprekend was dat ik geen lid mocht worden, maar daarna heb ik mij stiekem laten inschrijven voor een schoolkamp. Ik wilde daarnaartoe en heb dat thuis niet verteld, althans niet aan mijn vader. Op dat kamp heb ik verkering gekregen met mijn huidige vrouw, een gereformeerd synodaal meisje, en ontmoette ik een goede vriend, ook gereformeerd synodaal. En zijn vader, dat was zo'n mild mens, hij heeft me erg gevormd. Evenals mijn schoonouders. Tot dan toe had ik altijd hel en verdoemenis gehoord over de gereformeerd synodalen, daar deugde niets van, daar mocht je niet mee omgaan, laat staan mee trouwen of zo, en dan kom je mensen tegen die volstrekt integer zijn. Dat heeft mij leren relativeren. Kennelijk zit er altijd een andere kijk aan de dingen.'

,,Ik ben sinds die tijd ook naar andere kerken gegaan. Dat was een grote verkenningstocht, ik ging de wereld in, liep eens een katholieke kerk binnen, ging bij de Jehova's getuigen kijken. Daarmee ontkende ik die vrijgemaakte gereformeerde wereld, want ik stapte een andere wereld in die niet hoorde te bestaan, die zondig was en die alleen maar met de duivel werd geassocieerd. Dat ik toch theologie ging studeren op de vrijgemaakt gereformeerde Hogeschool van mijn vader, had te maken met het gevoel dat ik nog niet uit Kampen weg wilde. Ik was er gewoon nog niet aan toe. Ik wilde niet zozeer predikant worden en heb ook getwijfeld tussen theologie en economie, maar in Kampen stond die Hogeschool en het sociale aspect van de theologie, het gericht zijn op mensen, het dienstbaar zijn, dat aspect heeft me altijd erg aangesproken. Dat blijft ook een rode lijn in mijn leven, ook in deze functie. Ik moet zorgen voor stabiliteit, dat is ook een vorm van verantwoordelijkheid. Wij zorgen ervoor dat mensen met een gerust hart hun geld kunnen toevertrouwen aan banken. De Nederlandsche Bank is ervoor verantwoordelijk dat hun vertrouwen niet wordt beschaamd.'

,,In 1966 heeft een aantal vrijgemaakt gereformeerde predikanten een open brief geschreven waarin ze probeerden begrip te vragen voor andere gelovige gereformeerden, waarin ze iets meer over de schutting probeerden te kijken. Een teken van verzet, vind ik. Die open brief is de aanleiding geweest voor de kerkscheuring tussen binnen- en buitenverband. Ik studeerde toen samen met veertig, vijftig andere studenten op de Hogeschool, een heel hechte club. Door die hele twist werd de groep uit elkaar gedreven, zoals dat ook bij ons thuis gebeurde. Op landelijk niveau kozen de vrijgemaakt gereformeerde kerken voor het binnenverband en hun Hogeschool dwong de studenten positie te kiezen. Voordat studenten hun propedeutisch of hun kandidaatsexamen mochten doen, moesten zij een verklaring tekenen waarin zij aangaven voor het binnenverband te kiezen. Anders mochten zij geen dominee meer worden binnen de vrijgemaakte gemeente. Dat was een exacte herhaling van wat in 1944 was gebeurd, ook toen moesten aanstaande dominees definitief kiezen voor de synode of de vrijmaking. Zelf hoefde ik nog niet te tekenen, omdat ik mijn propedeuse al had gehaald. Maar dat was natuurlijk uitstel van executie. Ik heb vrienden zien worstelen. Vooral voor de jongens die vlak voor hun kandidaatsexamen zaten, was het een drama. Zij hadden zes jaar gestudeerd, wilden graag predikant worden en mochten dat opeens niet meer. Ik heb een paar jongens zichzelf toen zien verloochenen, omdat ze onder druk van thuis en alle emoties niet durfden te weigeren. Die hebben getekend. Op dat moment hebben zij ergens in zichzelf een definitieve barst geslagen.'

,,In de oorlog hebben veel mensen een Ariërverklaring moeten tekenen om hun baan te behouden. Zij verklaarden daarmee geen Joods bloed te hebben, zuiver te zijn volgens de toenmalige Duitse rassenwetten. Ik ben heel aarzelend om over dit soort situaties te oordelen. Zal ik de moed hebben niet te tekenen, als ik weet wat er dan gebeurt? Bij verzet gaat het om individuele keuzes, niet om het systeem. Ook verzetsdaden uit de oorlog zijn, denk ik, vooral individuele keuzes geweest. Ik vind het niet gerechtvaardigd te zeggen dat ik niet getekend zou hebben. Net zo min als ik kan zeggen dat ik me zou hebben verzet tegen de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Je kunt daarover niet oordelen als je niet zelf in de spanning, het vuur, de ernst van het moment hebt gezeten.

Ik heb een heilig respect voor de mensen die wél die keuzes hebben gemaakt en ik vind dat we naar al hun verhalen moeten luisteren in de hoop dat we, op het moment dat het erop aankomt, iets vergelijkbaars durven te doen. Maar ik begrijp ook die jonge studenten op de Hogeschool die zo graag examen wilden doen en wél tekenden.'

,,Momenten waarop het er echt op aankwam, waarop ik een duidelijke keuze moest maken, zijn er wel geweest. Niet dramatisch veel. Beroepsmatig, als accountant, ben ik er wel eens mee geconfronteerd. Dat is dan zakelijk, maar emotioneel is het wel te vergelijken, want het is niet eenvoudig om tegen mensen met wie je een commerciële relatie hebt te zeggen: 'En nu dus niet'. Je kunt als accountant een afkeurende accountantsverklaring afgeven waarmee je eigenlijk zegt dat een jaarrekening van een cliënt niet te vertrouwen is. Ik herinner me twee keer dat mijn kantoor een conceptverklaring in die geest bij een klant heeft neergelegd. Dat is dus echt in zakelijke zin oorlog. Dat vereist enige moed, niet in de heldenzin, maar je moet je er wel toe zetten.

In dit vak, als toezichthouder bij de Nederlandsche Bank, heb ik het ook een paar keer meegemaakt. Ik voerde eens een gesprek met vertegenwoordigers van een financiële instelling en had het gevoel dat zij een voor ons belangrijk thema, de integriteit van de bedrijfsvoering, niet voldoende serieus namen. Zij vonden dat wij te veel doorzeurden. Mij ging het echt om meer en toen kwam er een emotie los die ik normaal keurig beheers. Ik heb gezegd: 'En nu is het echt even afgelopen'. Dan is het iedereen ook duidelijk dat het menens is. Soms moet je pal staan. Ik hoop dat ik drijf op een aantal kompasjes en sensoren die ingebouwd en ingegroeid zijn en die mij op belangrijke momenten helpen goede beslissingen te nemen. Maar de grote bezorgdheid is natuurlijk of ik dat vaak genoeg doe.'

,,Ik heb mij nooit een kind van na de oorlog gevoeld. De oorlog was geschiedenis en daar werd verder niet over gepraat. Ik weet niet of dat een kwestie van verdringen is geweest. De oorlog was wel enigszins zichtbaar in onze familie, een aangetrouwde oom was omgekomen en mijn tante was dus oorlogsweduwe. De verhalen kwamen wel langs, hoewel er altijd een beetje omfloerst over werd gesproken. Het lijkt alsof mensen niet zoveel behoefte hadden om over de oorlog te praten. Mensen moesten door, moesten bouwen en misschien was het ook wel te erg om er goed over te praten.

Niet voor niets zijn er zoveel emoties losgekomen na de publicatie van het rapport van de commissie-Van Kemenade over de roof van Joodse tegoeden in en na de oorlog. Kennelijk kan het nu pas, erover praten bedoel ik, erover schrijven. Kennelijk kunnen we pas nu, 55 jaar na het einde van de oorlog, enig zakelijk onderzoek doen. Er is een tijd, dat heb ik ook in die kerkelijke affaires gezien, dat mensen er niet over kunnen praten. Een onderzoek als dit eist distantie.'

,,Mijn vader is niet bij de kerkelijke inzegening van mijn huwelijk geweest, het was zijn kerk immers niet. Hij was niet bij de doop van onze drie kinderen en evenmin bij de begrafenis van mijn schoonvader. Ik heb dat nooit heel erg gevonden, omdat ik begrijp welke wereld achter die keuze schuilgaat. Begrip is begrijpen dat iets gaat zoals het gaat. Mijn vrouw heeft het daar wel moeilijk mee gehad. Op zulke momenten ben je er gewoon, vindt zij. Eigenlijk zijn er twee soorten begrip. Het analytische begrijpen, wat ik in deze situatie kon, en het begrijpen met je hart, als mens.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden