Something is rotten in the state of Holland

Het Kamerdebat over de Catshuisbrand heeft het imago van de rijksambtenaar lelijk beschadigd. Breed werd deze week in nationale vergaderzaal uitgemeten hoe hoge ambtenaren van het departement van algemene zaken de waarheidsvinding over de toedracht van de brand in de weg stonden door gevoelige informatie voor de minister-president en het Openbaar Ministerie achter te houden. Premier Balkenende sprak over deze handelwijze zijn spijt uit en kwam daar politiek mee weg. De vraag die in het debat niet afdoende werd beantwoord, is of de ambtelijke ontsporing een incident was of een bijna onvermijdelijk gevolg van veranderingen in de Haagse cultuur.

Hans Goslinga

Een van die veranderingen is het verpolitieken van de departementale toppen. Dat proces is in de jaren tachtig begonnen als uitvloeisel van het machtsdenken dat eerst de PvdA en vervolgens het CDA in zijn greep kreeg. In dat denken is een minister niet langer een dienaar van de Kroon, maar de vooruitgeschoven post van de partij. In die zienswijze paste het dat ministers een politieke assistent meenamen naar het departement, doorgaans een jonge partijgenoot die de contacten onderhield met de fractie en de partij. Deze assistent ontwikkelde zich gaandeweg tot meer dan go-between. Zij vergaarden informatie en dus macht en gingen zich als spelers en spinners gedragen.

De volgende stap was dat ministers topambtenaren aanstelden van hun eigen politieke kleur. Sommigen wachtten een passend moment af, anderen voerden op rücksichtslose wijze een gewenste mutatie door. Beide ontwikkelingen betekenden een breuk met de historisch gegroeide cultuur waarin ambtenaren, zich bewust van hun betekenis voor de continuïteit en stabiliteit van het bestuur, loyaal hun minister dienden, om het even wat diens partijkleur was.

Het is nodig het begrip ’loyaal’ nader te duiden, omdat het in de hedendaagse politieke cultuur de betekenis heeft gekregen van volgzaamheid en trouw aan de eigen club. Zo kreeg een paar jaar terug een hoge ambtenaar die zijn minister beargumenteerd een advies gaf dat in slechte aarde viel, na afloop van de politiek assistent in het oor gesist: ’Jij bent deloyaal!’ In de oude ambtelijke cultuur, die nog niet geheel en al is verdwenen, houdt loyaliteit juist ook tegenspraak in als een ambtenaar dat nodig oordeelt om de minister voor een misstap te behoeden.

Op het departement van algemene zaken heeft de afgelopen jaren Jack de Vries als politiek assistent van Balkenende rondgelopen, die opereerde volgens twee adagia. Het eerste is dat liegen niet mag, maar dat eerlijkheid niet hetzelfde is als de hele waarheid vertellen. Het tweede dat een ambtenaar van een andere politieke kleur nimmer aan JP loyaal kan zijn. Het is dus geen verrassing dat de ambtelijke omgeving van de premier gaandeweg diens kleur heeft aangenomen. En het is ook niet helemaal een verrassing dat ambtenaren van dit departement meenden een deel van de waarheid over de Catshuisbrand in een la te kunnen stoppen.

Op de rechtstreekse vraag van D66-fractieleider Pechtold aan de premier of Jack de Vries van het gevoelige TNO-rapport op de hoogte is geweest, antwoordde de premier ontkennend. Het antwoord is eigenlijk niet relevant. Van belang is of onder invloed van De Vries op het piepkleine departement een sfeer is ontstaan waarin ambtenaren hun handelwijze geoorloofd vonden en misschien zelfs wel als een bewijs van hun loyaliteit beschouwden.

De premier zei in het debat dat aan de integriteit van de betrokken ambtenaren niet hoeft te worden getwijfeld. Zij meenden immers dat ze de minister-president en de staat dienden. Daaraan hoeft inderdaad niet te worden getwijfeld, maar de relevante vraag is hoe zij hun dienende functie opvatten. De Watergate-affaire in de Verenigde Staten in het begin van de jaren zeventig heeft laten zien tot welke ontsporingen een cultuur van onvoorwaardelijke loyaliteit aan de eerste man kan leiden.

Het is niet overdreven daarop acht te slaan, nu ook in de Nederlandse politieke cultuur het gewicht van de eerste man sterk is toegenomen. Dat heeft tot gevolg gehad dat de noodzaak hem uit de wind te houden en voor imagoschade te behoeden een steeds zwaardere nadruk heeft gekregen. Regeren is immers, volgens de populaire notie in Den Haag, vooral een kwestie van beeldvorming geworden. Vanwege dat belang opereerde De Vries tussen 2002 en 2008 in het Torentje meer als hoeder van Balkenende dan als diens politieke assistent.

Pechtold stelde de premier de vraag of De Vries van het achtergehouden TNO-rapport heeft geweten, maar hij drong niet echt aan op een antwoord. Kennelijk vond hij het voldoende even de vinger op de gevoelige plek te leggen. Of De Vries nu wel of niet op de hoogte was, het punt is dat hij daar zat om het partijbelang te dienen. Dat brengt het risico mee dat er minder oog is voor de belangen van de democratie, zoals waarheid, verantwoording en recht. In een ver doorgevoerde loyaliteitscultuur kan het gebeuren dat ambtelijke medewerkers uit zichzelf al toewerken naar wat er stilzwijgend van hen wordt verwacht.

Dat hoeft in dit geval niet te zijn gebeurd, maar het was mooi geweest indien de premier, als politiek verantwoordelijke voor het ambtelijk ontsporen, had laten blijken zich van dit gevaar bewust te zijn. Pechtold haalde het woord van wijlen Ien Dales uit 1992 aan, die zei dat de integriteit van het bestuur wordt bepaald door wat de leiding uitstraalt. Daarom geeft het te denken dat Balkenende zich op dit punt, in staatsrechtelijke zin noch als de verdediger van normen en waarden, voelde uitgedaagd een zweepslag te laten klinken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden