Somberen over de macht van het beeld / Wervelwinden van waarheid en onzin

De journalistiek zou het irritante jongetje moeten zijn dat uitroept dat de keizer geen kleren draagt. Maar nee. Hypes regeren het politieke debat. En de grens tussen feiten en indrukken vervaagt. Volgens politiek commentator Hans Goslinga is de beeldcultuur een bedreiging voor de democratie.

Het lijkt wel alsof zich in de afgelopen veertig jaar ongemerkt een rolverwisseling heeft voltrokken in de parlementaire journalistiek, waarbij de media bepalend zijn geworden en de politici volgend. Het machtsevenwicht is verschoven, zo niet gekanteld. Is deze verandering symptoom van een crisis? Ik denk het wel, want deze positie vraagt om een geheel nieuwe oriëntatie.

Op dit moment weet de journalistiek zich er geen raad mee, zoals bleek uit het misbaar over de filippica van de christen-democraat Piet Hein Donner tegen de media. In mei 2004 waste hij de media de oren vanwege hun onnauwkeurigheid en onbetrouwbaarheid in het presenteren van de feiten en de werkelijkheid.

Een toenemend deel van het werk van de overheid, fulmineerde hij, bestaat uit het rechtzetten van wat verslaggevers uit het verband hebben gerukt, niet hebben begrepen of aan onzin hebben afgedrukt. Harde feiten zouden de onwaarheden nog wel achterhalen, bij zachte feiten – reputaties, beelden, de toonzetting van feiten – was dat naar zijn veronderstelling minder het geval. Zij scheppen een eigen werkelijkheid die de echte kan verdringen en zo reputaties kan maken of breken, en bron kan zijn van onrust en van oorlog. Daarbij laakte hij de bijna tot routine verworden alarmistische toonzetting. „De pers mag een waakhond van de democratie zijn, een waakhond die te vaak loos alarm slaat, heeft geen functie.” De laatste zin van zijn rede was dat de persvrijheid „niet verloren gaat onder druk van externe bedreiging, maar door gebrek aan interne kracht en weerstand; niet door gebrek aan vrijheid, maar door te veel”.

De verhitte discussie over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting moest toen nog komen, maar het huis was al te klein. De aanval van de minister werd opgevat als het bewijs van een herlevende christen-democratische macht, die het volk opnieuw wilde disciplineren en het had voorzien op de persvrijheid. Het paste in de rolverdeling die we kennen vanaf de jaren zestig. Volgens de gangbare opvatting is de journalistiek in Nederland in die periode volwassen geworden, omdat zij zich bevrijdde uit de oude zuilen en een onafhankelijke positie innam. In mijn ogen is dat maar ten dele waar.

Een krant als de Volkskrant maakte zich weliswaar los uit de rooms-katholieke zuil, maar zij voegde zich in één ruk door in de politieke agenda van de PvdA en D66, die eruit bestond de macht van de confessionelen te breken en hen uit de spilpositie van de Nederlandse politiek te verdrijven. De afkeer van de christen-democratie was een krachtige drijfveer bij de politieke redacteuren van deze krant.

Op het protestantse erf deed zich bij Trouw een vergelijkbaar proces voor, maar met minder vergaande consequenties voor de verhouding met de zuil en voor de redactionele lijn. Trouw bleef de krant van het gereformeerde volksdeel, al keken degenen op de redactie die opgingen in het progressieve levensgevoel (onder wie ikzelf) wel dikwijls met jaloerse blik naar de overburen aan de Wibautstraat.

Niettemin verfoeide ik de ’geëngageerde journalistiek’ die de Volkskrant-redactie in de jaren zeventig en tachtig bedreef en ben ik als journalist altijd trouw gebleven aan het adagium ’Comment is free, but facts are sacred’. Hierbij speelde sterk de overweging mee dat te grote betrokkenheid bij een politiek doel, net als een gecultiveerde weerzin, ajournalistiek is. Een zekere afstand is gewenst, zelfs noodzakelijk om fair en waarheidsgetrouw te zijn en een scherp beeld te krijgen. Ik had dus niet zo’n moeite met de kritiek van Donner, sterker nog, ik deel zijn zorgen.

In ’The powers that be’ beschrijft David Halberstam, oud-redacteur van The New York Times, dat een groot aantal mensen president Kennedy op vrijwel elk moment in de Oval Office kon storen; de deur stond altijd open, behalve als hij ’s avonds naar de nieuwsshows van Walter Conkrite of het duo Huntley en Brinkley keek. Die uitzendingen waren heilig, Kennedy keek er met volle aandacht naar. Missschien, schreef Halberstam, was het geen werkelijkheid en misschien was het zelfs geen goede journalistiek, maar het was wat de mensen beleefden als de werkelijkheid, en dus kwam het in zekere zin dichter bij de werkelijkheid dan de werkelijkheid zelf. Kennedy voelde dat scherp aan.

Volgens de machtsleer van Machiavelli slaat een bekwaam leider acht op de tijd en de omstandigheden (i tempi en l’occasione), en wendt hij die aan in zijn voordeel. Kennedy beantwoordde aan deze eis van leiderschap door snel en behendig in te spelen op de nieuwe werkelijkheid die het toen nog prille medium televisie creëerde. Maar dat wil niet zeggen dat de journalistiek en de politiek zich nu, ruim veertig jaar later, bij die werkelijkheid moeten neerleggen. De beeldmacht is uitgegroeid tot een ware tegenmacht, die bedreigend is voor het streven naar waarheid. Kennedy gebruikte de televisie, zoals zijn voorganger Franklin D. Roosevelt de radio gebruikte. In de Nederlandse verkiezingscampagne van 2006 had het er meer van weg dat de televisie de politici gebruikte, dag in, dag uit. „Ik kan mezelf niet meer zien”, zei Femke Halsema na enkele weken.

Hoe de klassieke journalistiek er voorstaat, is er nauwelijks scherper samengevat dan in de film ’The Shipping News’ van Lasse Hallström uit 2001. Hilarisch en pijnlijk is de scène waarin Jack Buggit, eigenaar en hoofdredacteur van de lokale krant in een vissersdorp op Newfoundland, aankomend verslaggever Quoyle inwijdt in de geheimen van de journalistiek. Na de eerste, onbeholpen poging van Quoyle een bericht te maken zegt Buggit: „Je spelling is goed, maar waar het om draait bij een goede journalist is het vinden van de essentie. Begin met de kop: kort, krachtig en dramatisch.” Buggit wijst naar zee en vraagt Quoyle: „Wat zie je daar? Wat zou je kop zijn?” Quoyle, na enig peinzen: „’Donkere wolk boven horizon’.” Buggit schudt zijn hoofd en dicteert: „’Opkomende storm bedreigt dorp’.” Quoyle, met dunne stem: „En als er geen storm komt?” Buggit: „’Dorp ontsnapt aan dodelijke storm’.”

Niets gebeurd, twee keer nieuws, is nog altijd een gevleugeld woord in de krantenwereld – met een knipoog uitgesproken, omdat het meestal een canard bemantelt. Buggit geeft daar niet om. In de film ontvouwt hij een beredeneerde, maar gewetenloze kijk op de journalistiek.

Het onthutsende is dat de journalisten van het krantje geen enkel weerwerk aan de dictaten van Buggit bieden. Ze worden afgeschilderd als sukkels die het verschil tussen Shakespeare en Tolstoj niet kennen en die hun nieuws, als ze het niet zelf verzinnen, van de radio overschrijven. Is dat de lamentabele staat waarin we verkeren?

De rel over de sharia-uitspraken van minister Donner in september 2006 heeft laten zien dat Jack Buggit geen fictie is. De minister verkondigde in een interview in het boek ’Land van haat en nijd’ van de Vrij Nederland-journalisten Margalith Kleijwegt en Max van Weezel een waarheid als een koe: als tweederde van het parlement morgen de sharia zou willen invoeren, dan kan dat en moet dat wettelijk zelfs. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over inkrimping van de Tweede Kamer of het afschaffen van de monarchie. Als uiteindelijk beide Kamers daar in tweederde meerderheid vóór zijn, gebeurt het. Zo werkt onze democratie. Hoewel iedere journalist in Den Haag weet dat Donner geen voorstander is van de sharia, maakten vrijwel alle media er nieuws van. Het AD liet zich als de beste epigoon van Buggit kennen. Het bracht het nieuws onder de kop ’Donner: sharia moet kunnen’ en de aanhef luidde: „Als het aan minister Donner ligt, kan in Nederland de sharia worden ingevoerd.”

In onze mediademocratie zijn de grenzen tussen feiten en indrukken meer dan ooit vervaagd. Een enkel woord is voldoende om een hype te veroorzaken, een wervelwind waarin waarheid en onzin, emoties, sentimenten en meningen gedurende enkele dagen rond razen, om pas na het onvermijdelijke spoeddebat in de Kamer te gaan liggen. Het ontbreekt aan een corrigerend mechanisme. De journalistiek zou het jongetje moeten zijn dat, hoe irritant ook, uitroept dat de keizer geen kleren aan heeft. Maar ze brengt niet alleen de hype tot leven, ze blaast deze ook aan tot stormkracht, in wisselwerking met politici die denken uit het opwaaiende stof voordeel te halen of die tegen beter weten in meedoen uit beduchtheid de media-aandacht te missen, samen met burgers die via weblogs hun opvattingen toevoegen, columnisten, en in het elfde uur van de dag Pauw en Witteman, die aan hun stamtafel ’het gevoel van de week en het gesprek van de dag’ nog eens breed uitmeten.

Ruim een jaar na zijn provocatie voerde Donner de fricties en het onbehagen terug op een botsing tussen twee culturen. De ene is de wereld van de dialectiek – de uiteenzetting, het geschreven woord, de redenering –, die haar uitdrukking vindt in de parlementaire democratie en de rechtsstaat. Ik zou daaraan toevoegen de waarheidsgetrouwe journalistiek. De andere cultuur is de wereld van het beeld – de suggestie, de retoriek, de beeldvorming –, waarvan de mediacratie als de pregnante uitdrukkingsvorm kan worden beschouwd. Het spreekt bijna vanzelf dat de botsing tussen deze werelden een heftige is.

In de ene wereld heersen de feiten, de analyse, de objectiviteit, de geduldige waarheidsvinding, de zuiverheid van procedures, de weloverwogen beoordeling, het parlement, de kwaliteitskrant. In de andere regeren de waan van de dag, de pose, de indrukken, de kortstondige en toevallige waarheid, de emoties, de hype en de tv-stamtafel. Volgens Donner is dit de cultuur die Machiavelli beschreef in ’De Vorst’, zijn spottende beschrijving van de wijze waarop de laatmiddeleeuwse leider zijn macht maximaal kon uitoefenen. Deze cultuur biedt veel ruimte aan manipulatie, bluf en suggestie.

Met terugwerkende kracht kan de revolte van Fortuyn in 2002 worden gezien als de eerste uitdrukking van die botsing der culturen in de Nederlandse politiek: de poserende dandy, welbespraakt en flamboyant, gevoelige snaren van het volk bespelend, versus de in grijze pakken gestoken Haagse ’schroefjesverdraaiers’ Melkert, Dijkstal en De Graaf, sprekend in een onnavolgbaar jargon, en ook nog eens half of geheel met de rug naar het volk gekeerd. We weten intussen dat de fortuynisten er op geen stukken na in slaagden hun ambities politiek vorm te geven, maar dat is bij nader inzien maar ten dele waar. Vermoedelijk is het juister vast te stellen dat hun dat niet lukte in het raamwerk van de parlementaire democratie. In de mediacratie is een aantal van hen bekende figuren geworden, graag geziene gasten aan de stamtafels van de commerciële en publieke televisie, en heeft hun voorbeeld navolging gekregen. Dat duidt erop dat de mediacratie niet aanvullend en dienstbaar is aan het democratische bestel dat wij kennen, maar in de grond een ander bestel, met andere wetten en regels.

Het is begrijpelijk dat politici van de oude stempel zich niet in deze wereld thuisvoelen. Niemand verbeeldt beter de kat in het vreemde pakhuis dan Donner aan een tv-stamtafel. Maar er is uiteraard meer in het geding dan alleen ongemak. Sinds 2002 is er bijna een hele generatie politici weggevaagd en beleven we in ons voor nuchter gehouden polderland ’Italiaanse toestanden’ met drie kabinetten in vier jaar tijd, de ene crisis na de andere en een doorlopende onrust veroorzaakt door hypes en relletjes. Dat kan niet alleen worden verklaard uit gebrekkig leiderschap.

De botsing der culturen blijkt diep in te grijpen in onze parlementaire democratie. Vertrouwde gewoonten en regels verliezen ineens hun betekenis; het staatsrecht, het parlementaire debat, de scheiding der machten en zelfs de bonhomie van de koffiekamer voldoen niet meer als richtingwijzers. Door de toenemende macht van de beeldcultuur verliest het politieke leven stilaan zijn autonomie, waardoor het kon gebeuren dat Kamerleden het rapport van de commissie-Blok (die het minderhedenbeleid onderzocht) nog voor de inkt droog was al van tafel veegden. De crisis in het demissionaire kabinet-Balkenende III illustreerde hoe gering de betekenis is geworden van staatsrechtelijke regels; zelfs met de vertrouwensregel, die daarvan de kern is, werd een loopje genomen om de politieke situatie beheersbaar te houden.

De desintegratie die zich de laatste jaren voordoet wordt veroorzaakt doordat het spel van de ene wereld en dat van de andere door elkaar worden gespeeld. Vanuit de optiek van het oude spel hebben politici als Fortuyn, Hirsi Ali, Geert Wilders en Rita Verdonk een spoor van conflict, ruzie en verdeeldheid door politiek Den Haag getrokken; objectiever is de waarneming dat zij, als kinderen van de beeldcultuur, een ander spel speelden met andere wetten, regels en mogelijkheden, zoals een komeetachtige stijging in populariteit. De coördinaten van het nieuwe spel worden bepaald door de mechanismen van behagen en overleven, die je terugziet in populaire programma’s als Idols en Big Brother of aan de tv-stamtafels, waar iemand net zo makkelijk verkondiger als slachtoffer van de ad-hocwaarheid kan zijn, naar gelang de samenstelling van het gezelschap, het gevoel van de dag of het humeur van de sidekick. Dat stelt eisen waaraan politici die groot werden in de oude wereld, als Melkert, Dijkstal en De Graaf, niet wilden of konden voldoen. „Het is jullie schuld”, siste Ad Melkert bij zijn dramatische afscheid van de Kamer tegen journalisten. De journalisten dachten beduusd: hij heeft het nog niet verwerkt. Maar in zekere zin had Melkert gelijk.

Hoe verhoudt de klassieke journalistiek zich tot de nieuwe omstandigheden en dimensies?

Nu het in deze politiek en cultureel verwarde tijd ’akelig gemakkelijk’ is geworden geschiedenis te maken, is het alleen al het vergaren en ordenen van de feiten, het tonen van de samenhang en het geduldig analyseren van de complexe werkelijkheid een daad van democratische gezindheid. Voor deze opgave is de krantenjournalistiek in mijn ogen nog altijd beter toegerust dan de televisiejournalistiek. Televisie is allergisch voor nuances en fijne, maar soms zeer belangrijke details. Het is sterk gericht op ruzies, verdeeldheid en op politici en opinieleiders die controverses oproepen.

Het politieke en sociale bestel in Nederland, dat het moet hebben van coalities en compromis, overleg en samenwerking, is daar slecht tegen bestand. De huidige polarisatie staat haaks op dit bestel, dat vanwege de pluriformiteit de redelijkheid van het midden zoekt en naar zijn aard niet zonder een mate van beslotenheid kan. Het moet te denken geven dat tijdens de crisis in Balkenende III zelfs in het laatste bastion van vertrouwelijk beraad, de Trêveszaal, een bres werd geslagen door het opzijzetten van de regel dat het kabinet met één mond spreekt.

Aan de andere kant: als zij meer tijd neemt kan de tv-journalistiek, dankzij de kracht van het beeld, een verdiepend inzicht geven in de achtergronden van gebeurtenissen en conflicten in de wereld. Programma’s als Tegenlicht, Zembla en Reporter laten dat keer op keer zien. Zij staan meer dan de dagelijkse actualiteitenrubrieken in de traditie van de pioniers uit de begindagen. Vermoedelijk was het geen toeval dat Edward R. Murrow als anchorman van het wekelijkse CBS-programma See it Now begin jaren vijftig de hype doorprikte die senator Joseph McCarthy met zijn jacht op vermeende communisten veroorzaakte. Hij deed dat simpelweg door tegenover de stemmingmakerij van de senator droge feiten te plaatsen. Die lieten zien dat McCarthy met zijn heksenjacht een farçe maakte van de rechtsstaat, vooral van de kernregel dat niemand schuldig is zolang het tegendeel niet is bewezen.

Dezelfde Murrow koesterde grote argwaan tegenover het medium televisie, dat in zijn ogen dichter bij de wereld van showbusiness stond dan bij die van het gedrukte woord. Volgens Halberstam vreesde hij de kracht van het medium met zijn neiging zaken te dramatiseren en zijn onvermogen tot subtiliteit. Die argwaan was terecht. Murrow riep met zijn hang naar de feiten zoveel controverse op, dat de leiding van CBS diens programma onder druk van de adverteerders in 1958 de nek omdraaide. Het journalistieke heldendom van Murrow, door George Clooney in 2005 vastgelegd in de film ’Good night, and good luck’, bestaat erin dat hij tegen zware druk in voor de waarheid opkwam omwille van de waarden van de democratische samenleving.

Het is dus niet voor het eerst dat de journalistiek voor deze opgave staat. Het bevechten van waarheid op leugens en schijn, zelfs van het recht van het publiek op waarheid, is altijd met pijn en moeite gepaard gegaan. Nu zijn we zelfs zo ver dat niet de leugens of de waan, maar de feiten voor ongemakkelijk worden gehouden. ’Een ongemakkelijke waarheid’ noemde Al Gore zijn film over de effecten van de opwarming van de aarde. Het blijft moeilijk de feiten de plaats te geven die zij verdienen. Toch moeten we hier onverstoorbaar en uit overtuiging voor blijven strijden om te ontsnappen aan de paradox dat de mediacratie niet een overwinning maar een bedreiging is van het nobele vak van de journalistiek.

Krantenjournalisten hebben nu nog aanmerkelijk meer tijd dan radio- en televisiejournalisten om hun werk te doen. Maar op deze extra tijd zullen zij inleveren naarmate de digitale krant belangrijker wordt dan de papieren editie. Nu al oefent de internetredactie bij politieke gebeurtenissen van gewicht druk uit op collega’s om ook op de website meteen de feiten te duiden en te analyseren, liefst sprekend in beeld.

Deze ontwikkeling wijst erop dat binnen afzienbare tijd de kranten-, radio- en tv-journalistiek zullen integreren. Dat lijkt mij een reden temeer de rol van de journalistiek in een democratische samenleving ernstig te overdenken.

Tegelijk levert de onvermijdelijke integratie een schitterend moment op om, op basis van oude principes, de beste eigenschappen van de verschillende disciplines te bundelen tot een nieuwe, volwassen, intermediale journalistiek.

Hans Goslinga is politiek commentator van deze krant. Dit is de beknopte versie van een essay dat hij schreef voor de jubilerende (25 jaar) Anne Vondeling-prijs voor parlementaire journalistiek. Goslinga won de prijs in 2001.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden