Somaliërs zijn nu het zorgenkind

Een Somalische migrant wordt geholpen door leden van de Somalische Vereniging Amsterdam en Omstreken. ( FOTO MAARTJE GEELS )

Kinderen van Somalische herkomst doen het van alle migrantengroepen het slechtst op school. En de criminaliteit lonkt. „Het probleem wordt elke dag groter.”

De nieuwe Marokkaantjes worden ze genoemd. In het jaarrapport integratie van het Sociaal en Cultureel Planbureau krijgen de Somaliërs geen rapportcijfers waar je trots mee thuis kunt komen: ze kampen met extreem hoge schooluitval en werkloosheid, drugs- en alcoholverslaving. Veel jonge Somaliërs begeven zich op het criminele pad begeven en zijn volgens de veiligheidsdienst AIVD vatbaar voor radicalisering. „De problemen worden elke dag erger”, verzucht de Somalische Amsterdammer Abdikarim Mohamud.

De slechte rapportcijfers waren voor het ministerie van wonen, werk en integratie aanleiding de situatie rond de Somaliërs grondig te laten bestuderen. Onderzoeksbureau Regioplan werd aan het werk gezet. Het onderzoek moet duidelijk maken of het huidige beleid voor de groep werkt, of dat er aanvullende en specifieke maatregelen moeten worden getroffen om de integratie van Somaliërs te bevorderen. Het rapport van Regioplan wordt deze week in de Kamer behandeld.

„Twintig jaar oorlog hebben hun sporen nagelaten. Jaren van stilstand, nauwelijks onderwijs, analfabetisme. Dit zijn niet de Somaliërs die ik van vroeger ken”, zegt Shamsa Hassan Said (51), trainer/adviseur en medeoprichter van de Federatie Somalische Associaties Nederland (FSAN).

Said ging in 1987 als diplomaat aan de slag op de Somalische ambassade voor de Benelux. „Toen eind jaren tachtig de oorlog in Somalië uitbrak, werd snel duidelijk dat wij daar op die ambassade niemand meer vertegenwoordigden. Onze regering was er niet meer. En teruggaan naar het oorlogsgebied rond hoofdstad Mogadishu was geen optie.” Ze vond met haar drie kinderen woonruimte in Harmelen, bij Utrecht, en werkt sindsdien als adviseur en trainster op het gebied van integratie, emancipatie en diversiteitsvraagstukken.

„Als diplomaat had ik te maken met studenten die hier in Nederland een opleiding volgden. Met goed geschoolde Somaliërs die hier voor hun werk kwamen, of voor de handel. Dat waren Somaliërs die hun droom achterna reisden. Na het uitbreken van de oorlog kwam er een nieuwe stroom. Die reisde geen droom achterna maar was op de vlucht voor het verleden”, aldus Said.

„Deze groep is na twintig jaar oorlog getraumatiseerd. Ze zijn allemaal twee, drie jaar onderweg geweest, vaak in zee gegaan met mensensmokkelaars, agressief bejegend. Ze leefden in angst, velen raakten in die periode verslaafd aan drank en drugs. Elk jaar worden de verhalen in asielzoekerscentra heftiger. Deze mensen hebben zoveel meegemaakt”, zegt Abdikarim Mohamud (28), interne coördinator van de Somalische Vereniging Amsterdam en Omstreken (SOMVAO). „En de vaak ellenlange asielprocedure, met zoveel onzekerheid: dat helpt ook niet”, voegt Said er aan toe.

Kinderen en jongeren van Somalische herkomst doen het van alle migrantengroepen het slechtst op school en hun kans op schooluitval is relatief hoog, schrijft het SCP. Van alle kinderen in Nederland leven zij het vaakst in éénouderhuishoudens (58 procent) . Somalisch-Nederlandse jongeren worden ook vaak doorverwezen naar bureau Halt (taakstraffen voor lichte vergrijpen), zelfs vaker dan jongeren van Antilliaanse en Marokkaanse afkomst.

De Somalische groep telt van alle migrantengroepen ook de meeste mensen met een uitkering. Meer dan een derde tussen de 15 en 65 jaar heeft een bijstandsuitkering. Anders dan bij andere migrantengroepen nam de afhankelijkheid van die uitkering de afgelopen tien jaar niet af. Alle terreinen van integratie overziend, is de positie van Somalische Nederlanders het meest zorgelijk, concludeert het SCP. „Als enige lichtpunt zou men kunnen zeggen dat de Somalische groep in Nederland relatief klein is (circa 22.000 personen).”

Dan is er nog de waarschuwing van de AIVD dat de jihadistische strijd in Somalië vanuit Nederland wordt ondersteund. Bovendien zien geradicaliseerde jongeren Somalië als bestemming voor de jihad. De AIVD speurt, staat in het laatste jaarverslag, intensiever naar jihadistische netwerken gerelateerd aan Somalië.

Mohamud ontvluchtte het oorlogsgeweld in Somalië in 2000, op achttienjarige leeftijd. Het was als jongere daar heel moeilijk om door de chaos, in al dat geweld, door al die stammentwisten, een rol van betekenis te spelen in de maatschappij, zegt hij. „Als je niet wilde meedoen, hoorde je nergens bij.”

In Somalië wilde hij niet betrokken zijn bij (en verantwoordelijk gehouden worden voor) het wangedrag in zijn stam. Daar is hij voor weggelopen, zegt hij. „Criminaliteit, verslaving, uitkeringsfraude, hoge werkloosheid, piraten: dat imago... Al die problemen in de Somalische gemeenschap hier bezorgen mij, of ik nu wil of niet, ook een etiketje. Ik wil niet nog een keer weglopen, dit raakt me. Dit is ook mijn verantwoordelijkheid”, aldus de migrant die binnen twee jaar na aankomst in Nederland de taal al goed genoeg beheerste om hbo informatica te kunnen volgen. Mohamud werkt nu als zelfstandige in de informatica en als tolk-vertaler.

SOMVAO bestaat sinds 1993. Destijds hielp de vereniging Somaliërs hun weg in Nederland te vinden, met ’huis-, tuin- en keukendingetjes’. Mohamud is zich de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker voor de club gaan inzetten. SOMVAO (700 leden) organiseert culturele activiteiten, taallessen voor kinderen en nieuwkomers, informatiebijeenkomsten over opvoeding, het onderwijssysteem en het sociale stelsel. Ook lopen er jongerenprojecten tegen schooluitval en criminaliteit.

De problemen worden elke dag groter, ziet hij. De asielzoekerscentra zitten nog vol met getraumatiseerde Somaliërs die pas later zichtbaar zullen worden in de statistieken. „Zo’n asielzoekerscentrum is vaak ook een valse start. Er is daar zoveel afgunst, stress en agressie. Mensen die in die stammenoorlogen tegenover elkaar stonden, zitten daar heel lang, veel te dicht op elkaar. De kans wordt hier in Nederland steeds groter dat je op straat eens iemand tegen het lijf loopt die betrokken was bij de moord op één van je familieleden.”

Het ’stammengevoel’ leeft ook binnen de vereniging, erkent Mohamud. „We proberen het op de achtergrond te houden. De boodschap van onze imam en in lezingen die we hier houden is ook steeds weer: ’Stammenoorlog: dat was daar, dat was toen. We zijn nu in het hier en nu: maak iets van je leven’.”

Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, zegt Shamsa Said. „Het is zo moeilijk op de arbeidsmarkt en al helemaal voor de oudere migranten die de taal niet goed spreken, die ervaren dat hun eventuele diploma’s hier niets waard zijn. Dat levert veel frustratie op. Van de eerste groep die hier neerstreek zijn er heel veel doorgetrokken naar Engeland. Dat was makkelijker qua taal en om werk te vinden. Je kon daar altijd nog taxichauffeur worden, of een winkeltje beginnen. Zonder allerlei vergunningen.”

Geen werk, grote gezinnen, kleine huizen. „Somalische families komen vaak terecht in achterstandswijken. En daar sluiten hun kinderen zich dan soms aan bij de Marokkaanse jongeren”, zegt Said die in 1994 medeoprichter was van FSAN, een landelijke koepel van 51 lokale Somalische organisaties. FSAN zet zich in voor de integratie en participatie van de Somalische gemeenschap in de Nederlandse samenleving.

Eigenlijk is er niet één Somalische gemeenschap, stelt Mohamud. Niet in Somalië, én niet hier. De verdeeldheid is enorm, maar aan de andere kant is er sprake van groepsdruk. Said: „Dat elkaar in de gaten houden, dat aan elkaar vastklampen: dat belemmert de integratie.” Aan de andere kant wordt de solidariteit geroemd. Families doen enorme inspanningen uitgeprocedeerde asielzoekers op te vangen. In elke hoek een logeermatrasje, bij elke collecte wordt grif geschonken.

Hij heeft als verklaring daarvoor zijn eigen statistiek ontworpen, na al zijn ervaringen in zijn geboorteland en zijn nieuwe thuisland. „In Somalië, maar ook hier in de Somalische gemeenschap, zie je twintig procent goedwillenden. Tegenover twintig procent die ellende schopt. En dan heb je nog zestig procent die makkelijk te beïnvloeden is: die na twintig jaar oorlogstrauma’s niet zo goed meer zelf kan denken, beslissingen kan nemen, kan onderscheiden wat goed of fout is. Als de sfeer binnen de vereniging goed is, dan kun je met die zestig procent, gezamenlijk veel goed werk doen. Maar als de sfeer slecht is dan is die zestig procent vatbaar voor al die negativiteit die de andere twintig procent uitstraalt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden