Soldaten moorden erop los in Juba

reportage | Burgers opgesloten, neergeschoten en verbrand

KLAAS VAN DIJKEN

JUBA, ZUID-SOEDAN - Er heerst doodse stilte in de wijk Munuki-West in de Zuid-Soedanese hoofdstad Juba. In de dichtbebouwde volkswijk hangen de deuren scheef in de sponningen, de straten zijn bezaaid met kapotte meubels. Een groepje militairen gaat van huis tot huis, op zoek naar overgebleven bezittingen met enige waarde, of naar mensen die schuilen. Een aantal buurtbewoners vertelt nu wat er is gebeurd.

Precies vijf weken geleden liep bewaker Keah in dezelfde wijk terug van zijn werk naar huis. De hele nacht was het al onrustig en klonken er schoten in de stad. Er waren kort daarvoor gevechten uitgebroken tussen militairen behorende tot verschillende etnische groepen - de Dinka en de Nuer-stam.

Als Keah - zijn volledige naam mag niet in de krant - de hoek om gaat richting huis, ziet hij plots militairen van het Zuid-Soedanese regeringsleger mannen, vrouwen en kinderen van de Nuer bijeen drijven. Ze zijn gekomen met minstens zes pickuptrucks. Hij duikt weg achter een hekwerk van bamboe en belt direct zijn vrouw. Hij zegt dat ze zo snel mogelijk de kinderen moet meenemen naar de basis van de VN-vredesmilitairen vlakbij het vliegveld en niets mag meenemen.

Als hij door het hek kijkt ziet hij dingen waar hij nog iedere nacht nachtmerries van krijgt. Volgens Keah slopen de soldaten zo stil mogelijk rond in de hoop dat meer bewoners zich verraden door geluid. Als ze een groep van ruim twintig mensen bijeen hebben gedreven, binden ze de handen van de burgers op de rug.

Keah herkent een buurtbewoonster en haar kinderen. De militairen drijven de mensen in een tukul (traditioneel gebouwd huis van klei en riet), anderen worden in de laadbak van een pick-up geladen en weggereden. Dan beginnen de soldaten te schieten op de mensen in de tukul en steken vervolgens het huis, met mannen, vrouwen en kinderen erin, in brand.

"Het voelde alsof ik zelf doodging," vertelt Keah. "Mensen gilden het uit en ik was zo bang. Ik hield de handen voor mijn oren."

Zonder dat ze het van elkaar weten, schuilt de 41-jarige Simon niet ver van Keah. Hij ziet hetzelfde als zijn buurtgenoot. "Het waren in ieder geval meer dan twintig mensen die werden gedood. Ik kende drie van hen bij naam."

Vijf weken later staan alleen stukken muur van de tukul nog overeind. De grond is bedekt met as. Voor de ingang ligt nog een gesloten hangslot. Het sluitwerk van de tukul-deur zit er nog aan. Verkoolde lichamen zijn niet te vinden.

Zo'n twintig meter van de tukul staat het huis van Phar, die de moordpartij overleefde. Alleen de muren van zijn huis staan nog overeind. In het huis van Phar is het een ravage; zo goed als alles is verbrand. Her en der liggen nog foto's van de voormalige bewoners en gesmolten vrouwenschoenen met een hakje. "De militairen hebben alles meegenomen of kapotgemaakt."

Net als Keah en Simon wist hij samen met zijn vrouw te vluchten naar de VN-basis in Juba, waar de ontheemden worden opgevangen. Net als ruim 17.000 andere vluchtelingen in het kamp, durven ze nog niet terug naar hun huizen. De angst voor het regeringsleger zit er nog diep in.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden