SOEDAN

ILONA EVELEENS

Twee miljoen vluchtelingen leven rond de Soedanese hoofdstad Khartoem. Overwegend vrouwen, die door de burgeroorlog plots gezinshoofd zijn geworden. Ze trachten zich voor te bereiden op hun thuisreis.

Het woestijnlandschap ten zuiden van Khartoem strekt zich in beige en grijs uit tot de horizon, waar het overgaat in een dreigende regenlucht. Slechts enkele verhogingen zijn zichtbaar in het vlakke landschap. Bij nadering blijken het huisjes te zijn, die het vluchtelingenkamp Jebel Aulia vormen.

Hier wonen zo'n 300 000 vluchtelingen uit het zuiden en westen van Soedan. De burgeroorlog, die sinds vijftien jaar woedt, heeft hen verjaagd uit hun woongebieden. Een strijd tussen troepen van het overwegend Arabisch-islamitische regime in Khartoem en de voornamelijk Afrikaans-christelijke rebellen in het zuiden. Meer dan een miljoen mensen zijn omgekomen in die vijftien jaar oorlog.

In een van de - uit modder en takken opgetrokken - huizen bevindt zich een winkel. De schappen zijn gemaakt van kartonnen dozen. Het schamele aanbod bestaat uit een paar zakjes thee, kruiden, suiker en een plastic waterkan. Hamed Kheir hurkt op de mat op de grond. Zijn handen spelen met een kralenketting. “Ik slaap veel. Ik kan het leven niet meer onder ogen zien. De winkel loopt nauwelijks want de mensen hebben geen geld om iets te kopen. Mijn eigenwaarde is volledig naar de knoppen”, zegt de oude man.

Een klein, mager poesje stoeit met de zoom van het lange, groezelige gewaad van Hamed Kheir. Als de oude man merkt dat zijn bezoekers de verrichtingen van het diertje volgen, zegt hij beschaamd: “Ik heb niet eens meer oog voor de kleine, leuke dingen in dit leven. Ik kom uit Gizira in centraal Soedan. In 1946 begon ik mijn carrière als zakenman. Ik bouwde een bloeiend handelsbedrijf op, compleet met een vrachtwagen. Ik had een goed leven, nu heb ik niets meer.”

Van zijn vier vrouwen zijn er sinds hij in 1991 in het kamp arriveerde drie overleden. In zijn kleine huis woont hij met zijn overgebleven vrouw, kinderen en kleinkinderen. Zestien mensen in totaal, die vijf bedden te beschikking hebben. Hamed Kheirs depressiviteit weerspiegelt zich in de grauwheid van de omgeving.

Soedan telt naar schatting 2,5 miljoen interne vluchtelingen. Bijna twee miljoen van hen hebben hun heil gezocht in de buurt van de hoofdstad Khartoem. Het merendeel woont in de vier officiële kampen. Anderen hebben gewoon ergens op de kale vlakte hun huizen opgetrokken, die evenwel om de haverklap door de overheid met de grond gelijk worden gemaakt.

Als de donkere wolken hun tropische regenbui loslaten verandert het stoffige Jebel Aulia in een grote modderpoel. Mens en dier zoeken beschutting in de huizen, want bomen ontbreken in het landschap. Het huisje van Angelina Michael lekt. Bruine druppels vallen op de weinige bezittingen. De treurnis van haar omgeving heeft de vechtlust van de dertigjarige vrouw niet aangetast. “God brengt op een dag vrede en dan ga ik terug naar mijn huis in Wau. In de tussentijd moet ik zien te overleven. Ik handel in wat kleine producten, maar veel brengt het niet op. Wel belangrijk is dat de kinderen naar school kunnen en er gratis medische verzorging is. Het had allemaal erger kunnen zijn”, meent de gezette vrouw in haar groene jurk, die vrolijk afsteekt tegen de eentonige achtergrond.

Drie jaar geleden is ze met haar gezin uit de regio Bahr el Ghazal naar het noorden gevlucht. De gevechten en de onzekerheden waren haar teveel geworden. “Ik ben blij dat ik toen besloten heb om weg te gaan, want nu sterven zoveel mensen door de hongersnood. Het leven is hier weliswaar niet goed, maar op dit moment beter dan in Wau”, meent Angeline Michael.

De vrouw straalt zelfvertrouwen uit. De overheidsfunctionaris, die het gesprek bijwoont en haar in de rede valt, krijgt lik op stuk: “Hou je mond. Mij worden de vragen gesteld en ik ben prima in staat te antwoorden”, zegt ze bits. Ze weet maar al te goed dat de man niet alleen voor de Humanitaire Commissie van de regering werkt, maar tevens dienst doet als verklikker. Veel vluchtelingen komen uit rebellengebied en de Soedanese leiders wantrouwen alles en iedereen. Daarom bestaat er in het land een omvangrijk apparaat van geheime politie en verklikkers.

Het grootste deel van de kampbevolking bestaat uit vrouwen en kinderen. Veel vrouwen zijn weduwe geworden door de oorlog. Anderen hebben hun mannen achtergelaten die vaak strijden aan de zijde van de rebellen.

Savia Aya Sylvester is een Soedanese gemeenschapswerkster, verbonden aan de International Rescue Committee (IRC). Deze Amerikaanse hulporganisatie begint deze maand met een project dat vooral vrouwen in de kampen moet steunen. “Vrouwen zijn door de oorlog vaak het hoofd van een gezin geworden. Door de Soedanese cultuur waarin vrouwen doorgaans een tweederangs rol vervullen, ontbreekt het hen vaak aan eigenwaarde en zelfvertrouwen. Dat werkt niet bevorderlijk als je in je eigen levensonderhoud moet voorzien. We willen het zelfvertrouwen van de vrouwen opvijzelen en ze daarnaast de middelen en instrumenten bieden om voor zichzelf te zorgen.”

Achttienhonderd vrouwen zijn gekozen voor een serie cursussen. Vrouwen die al een handeltje hebben opgezet wordt geleerd hoe ze die kunnen verbeteren en uitbreiden. Andere vrouwen krijgen scholing in het een of andere vak.

Savia Aya Sylvester voelt zich nauw betrokken bij de vluchtelingen. Zij verliet zelf als vluchteling het zuiden, ruim tien jaar geleden. Haar familie heeft ze in al die jaren niet gezien. Ze weet alleen dat de meesten in vluchtelingenkampen in het buurland Oeganda leven. Soedan is een van de armste landen ter wereld. De burgeroorlog kost handenvol geld en de overheid zit in een internationaal isolement wegens vermeende steun aan terroristische organisaties. Er is nauwelijks geld om de interne vluchtelingen basishulp te geven. In de kampen zijn veel mensen aangewezen op voedselverstrekking van internationale hulporganisaties.

Het ziet er niet naar uit dat er snel een einde zal komen aan het Soedanese conflict. Daarom heeft IRC besloten om naast noodhulp ook ontwikkelingshulp te verlenen. Een verschuiving die door de regering met argusogen wordt gevolgd. Pascale Lefrancois is een Canadese die het vrouwenproject begeleidt vanuit Khartoem. “De overheid kent hier alleen het fenomeen noodhulp. Ze zijn bang dat ontwikkelingshulp ertoe leidt dat mensen niet meer terug willen naar hun woonplaatsen. Wij benadrukken juist dat de vrouwen de verkregen kennis straks ook kunnen gebruiken als ze naar huis teruggaan.” De kosten van het project zijn voor het eerste jaar 720 000 gulden. Dat geld is bijeengebracht door de Stichting Vluchtelingen en de Nederlandse overheid.

De vrees van de Soedanese regering dat vluchtelingen niet meer willen terugkeren naar hun woonplaats, lijkt ongegrond. Veel vluchtelingen willen liever vandaag dan morgen huiswaarts keren.

Een van hen in Mary Najak. Ze komt uit Malakal in het Boven Nijlgebied. Ze is ernstig ziek geweest en door de oorlog was er nauwelijks medische verzorging in haar woongebied. Ze besloot vier jaar geleden naar Khartoem te gaan om gebruik te maken van de gratis medische zorg in de vluchtelingenkampen. Ze is weliswaar nog niet helemaal de oude, maar heeft haar buik vol van het kampleven. “Ik ga terug. Ik ben het zat om voor voedsel te zijn aangewezen op hulporganisaties. Thuis had ik tenminste een akker waardoor ik in mijn levensonderhoud en dat van mijn zeven kinderen kon voorzien. Alles is beter dan het leven hier.” Mary Najak weet dat bij terugkeer het leven in Malakal moeilijk zal zijn. Haar man vocht aan de zijde van de rebellen en is in de strijd gedood. De meeste leden van haar familie zijn weggetrokken.

Wat de vluchtelingen missen in de kampen is landbouwgrond. De directe omgeving van Khartoem leent zich niet voor landbouw. Bovendien weigert de overheid grond ter beschikking te stellen aan de vluchtelingen uit vrees voor permanente vestiging. Zo'n tachtig procent van de rurale bevolking van Soedan leeft van de traditionele landbouw. Over het algemeen worden slechts kleine stukken land bewerkt, vanwege de gebrekkige productietechnieken en omdat de bedrijfjes overwegend steunen op de inzet van familiearbeid. De gemiddelde bedrijfsgrootte wordt geschat op minder dan een hectare. Vroeger was in zuid-Soedan de veeteelt van groot belang. Maar er is weinig over van de eens omvangrijke kudden waarmee de nomadische volken over de savannen trokken.

Het vluchtelingenkamp Meiyo ligt tien kilometer van de stadsgrenzen van Khartoem. De armoede en ellende in Meiyo is groter dan in Jebel Aulia. In Meiyo is geen sprake meer van huisjes, het gaat om simpele hutten. Constructies gemaakt uit gebogen takken bedekt met alle mogelijke afval zoals plastic zakken, platgeslagen blik en lompen. De bouwsels bieden onvoldoende beschutting tegen regen of de fijne stof die uit de woestijn waait.

Op een van de hutten prijkt een gescheurd T-shirt van het Amerikaanse basketbalteam Chicago Bulls. Na de Amerikaanse raketbeschieting van vorige week wordt alles wat uit de Verenigde Staten komt als onfatsoenliijk beschouwd. De bewoonster van het bouwsel is Mary Njalam. Ze haalt de schouders op over de anti-Amerikaanse stemming. “Dat T-shirt is dakbedekking en bovendien heb ik wel andere dingen aan mijn hoofd dat de politiek van de grote heren. Ik moet zien dat ik elke dag overleef en met oplossingen kom om het leven iets dragelijker te maken. Het enige wat me bij die hele kwestie interesseert, is of de gratis medicijnverstrekking blijft doorgaan.”

Mary Njalam verkoopt pinda's. Vandaag liggen er ook twee vissen bij haar uitgestalde koopwaar. “Die heb ik van een kennis uit Khartoem gekregen. Door de vele regens zijn de Blauwe en Witte Nijl buiten hun oevers getreden en liggen de vissen soms letterlijk in plassen voor het oprapen. Als ik geen koper vind, eten we ze vanavond zelf op.”

Middenin Meiyo is van simpele bouwmaterialen uit de omgeving een cursusruimte opgetrokken door IRC. Er zijn zelfs kleine bloemperken aangelegd waarin wat miezerige blauwe bloempjes trachten te overleven.

Op een bank zit Awatif Idris. De vrouw in haar vuurrode gewaad wiegt zachtjes heen en weer om de baby op haar schoot rustig te houden. Zes jaar geleden arriveerde Awatif Irdis in het kamp na een wekenlange voettocht uit de westelijk gelegen Nuba-bergen.

“Het oorlogsgeweld werd mij en mijn man te veel”, vertelt ze. “We lieten allebei een redelijk goede baan achter. Ik was politieagente. In onze cultuur mogen vrouwen niet door vreemde mannen worden aangeraakt. En omdat er ook vrouwelijke misdadigers zijn, hebben we vrouwelijke agenten.”

Awatif Idris verkoopt nu specerijen. Haar handeltje brengt bitter weinig op. “Ik wil eigenlijk een klein restaurant openen. Je moet groot denken, dan kun je ook groeien. Ik moet alleen leren hoe ik zoiets opzet en er een winstgevende zaak van kan maken”, vertelt ze. Awatif kan nauwelijks wachten tot de cursus van IRC gaat beginnen. De toekomst is het belangrijkste gespreksonderwerp van haar en haar man. Ze geeft toe dat hij moest wennen aan haar ondernemingslust en zelfstandigheid. “Maar hij weet net zo goed als ik dat we in ons eigen onderhoud moeten voorzien. We moeten onze kinderen meer kunnen bieden dan basisonderwijs. Dat kost geld. Zodra de situatie in de Nuba-bergen verbetert gaan we terug. Alles wat we hier leren, kunnen we daar in de praktijk brengen en misschien met andere mensen delen. Inshallah.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden