Soedan dwingt zwarte kinderslaven tot militaire dienst en islam

KHARTOEM - Zwarte, Afrikaanse kinderen worden in Soedan ontvoerd en verkocht als slaven of gedwongen tot militaire dienst. De regering knijpt een oogje dicht, of is direct betrokken.

VANESSA GORDON

“Mijn naam is Wol. Ik ben een Dinka, 14 jaar oud, uit Bahr al Ghazal. Toen de Baggara-militie ons dorp aanviel, namen zij 22 dorpelingen gevangen, waaronder mij en nog 18 kinderen. Ze staken mijn oom en diens zoon dood. Vier dagen lang liepen we, naar de plaats Gidad, in Arabisch land. Ze verdeelden ons onder elkaar: sommigen namen twee ontvoerden, anderen één. Ali Abdallah, een nomadische veehouder, nam mij alleen. Hij hield ervan me te slaan, vooral als een kalf ervandoor ging.”

Gedurende intensief onderzoek, in 1994 en 1995, heb ik twaalf Soedanese kinderen gesproken met verhalen als die van Wol. De kinderen waren tussen 8 en 14 jaar oud, allemaal recentelijk uit de slavernij ontsnapt, en weggevoerd uit de Afrikaanse, zuidelijke delen van Soedan door milities die trouw zijn aan de Soedanese regering. De Baggara-militie van de provincies Darfur en Kordofan die Wol en zijn dorp overviel, speelt een centrale rol in deze moderne slavenjacht en -handel.

Een andere jongen, geïnterviewd eind 1994, legde uit wat er gebeurde toen een kind probeerde te ontsnappen aan haar meesters. De jongen werkte als slaaf in het huishouden van een familie in Darfur, samen met een Dinka-meisje, genaamd Aboek. Op een dag was Aboek de mishandeling beu, en trachtte ze weg te lopen. Ze werd gezien door een zoon van de familie, Abdoel Latif, die zijn geweer nam en op haar schoot. Ze viel gewond neer, pal voor het huis. Snel werd Aboek het huis ingedragen, waar ze aan haar lot werd overgelaten en stierf aan haar verwondingen.

Naast jonge jongens en meisjes belanden ook veel jonge vrouwen in Soedan in slavernij. De vrouwen worden dikwijls verkracht onmiddellijk na hun gevangenneming, en later als huisslavin en concubine gegeven aan een van de deelnemers van de slavenjacht. Eén vrouw, Ajak, zag hoe militieleden die haar dorp overvielen haar man doodknuppelden. “Ze dwongen ons een maand lang te lopen, zonder te vertellen waarheen. Ik had twee kinderen. Een van hen is gestorven tijdens de lange tocht. De eerste drie dagen werden werden we vreselijk geslagen omdat we weigerden met hen te slapen. Toen ze dreigden ons allemaal te doden, gaven we toe. Ik realiseerde me dat als mijn kinderen en ik zouden worden gedood, mijn mans stamboom tragisch zou eindigen. Daarna gingen ze met ons naar bed wanneer ze er maar zin in hadden. Toen bereikten we een plaats Goemlai geheten, nabij Ed Daien. De man die mij verkrachtte, Mohammad Hoessein, maakte me zwanger.”

Rechtszaken

Opeenvolgende Soedanese regeringen hebben herhaaldelijk ontkend dat slavernij bestaat in Soedan. Maar de slavernij blijkt niet alleen te bestaan, leden van de Soedanese strijdkrachten profiteren ervan. In een grote stad in Kordofan zijn sommige leden van het zogeheten Volksverdedigingsleger (Popular Defense Forces, PDF) verwikkeld in rechtszaken in verband met slavernij. Het PDF is een paramilitaire organisatie, die wordt gesteund en gecontroleerd door de Soedanese regering.

In een van de rechtszaken werden de families van acht kinderen, in de leeftijd van 8 tot 13 jaar, gedwongen om een compensatie van omgerekend 40 gulden te betalen aan de 'eigenaar' van de kinderen voor hun vrijlating. Een kind, een 13-jarige jongen, was al drie keer verhandeld voor zijn uiteindelijke vrijlating. De twee 'eigenaars' waren beiden PDF-leden. In 1994 werden in de stad Aliet Jar El Nabis vijf kinderen teruggekocht op een gelijksoortige manier, tegen compensaties variërend van 25 tot 40 gulden. De kinderen waren meerdere malen doorverkocht.

Een plaatselijke militieleider in West-Soedan wordt, samen met zeven andere personen, beschuldigd van betrokkenheid bij verkoop en transport van kinderslaven naar Tsjaad en Libië. Verscheidene personen in de groep zijn leden van lokale PDF-eenheden. In dit gedeelte van Soedan wordt het PDF ondermeer getraind door Afghaanse en Palestijnse moedjahediens (islamitische strijders). De spiritueel leider van het regerende Nationaal Islamitische Front in Soedan, dr Hassan Toerabi, heeft PDF-trainingskampen in dit gebied vorig jaar twee maal bezocht.

De Britse krant The Observer meldde in april twee gevallen van slavernij in Noord-Soedan. De krant meldde ook dat de Soedanese president, Omar al Basjir, er twee jonge Zuidsoedanese slaven op nahoudt. President Basjir heeft deze aantijgingen van de hand gewezen als leugens, en gezegd dat de jongemannen studenten waren, die hij gratis onderdak heeft aangeboden in zijn huis.

Slavenjacht is niet nieuw voor Soedan. De zuidelijke gedeelten van Soedan hebben eeuwenlang dienst gedaan als slavenreservoir voor markten in Noord-Afrika en het Arabische schiereiland. De slavenjacht langs de Nijl en ook diep in Bahr al Ghazal was een integraal onderdeel van de regionale economie tot laat in de negentiende eeuw, toen de Brits-Egyptische koloniale overheersing de slavenhandel min of meer stillegde - hoewel ze eigenaren nog wel toestond er slaven op na te houden. 'Soedanese bedienden' werden die slaven genoemd.

Maar met de burgeroorlog in Soedan zijn oude gewoonten weer de kop gaan opsteken. In het midden van de jaren '80 begon de toenmalige premier Sadek el Mahdi de Arabische Baggara-militie van Darfur te trainen en te bewapenen, om hen te gebruiken tegen de door Afrikanen overheerste rebellen van het Soedanese bevrijdingsleger (SPLA). De Baggara werden door de regering aangemoedigd om het thuisland van de Dinka, die de ruggegraat vormden van het SPLA, te terroriseren. De militie gebruikte de regeringssteun onmiddellijk door in het Bahr al Gazal-gebied op vee- en mensenjacht te gaan.

De huidige regering heeft zeer weinig gedaan om de slavenhandel te beëindigen. De militie die verantwoordelijk is voor de slavenjacht, is opgenomen in de PDF. De strooptochten in Bahr el Ghazal gaan door, als onderdeel van de campagne van regeringstroepen tegen het SPLA.

Tijdens een aanval op Dinka-vluchtelingen in het dorp Meriam op 19 april werden vier vluchtelingen gedood. Een jongen werd eerst door het hoofd geschoten, en later werd zijn keel doorgesneden van oor tot oor. Van een zwangere vrouw werd de buik opengereten nadat ze was neergeschoten. Regeringstroepen in het kamp deden weinig om de Dinka's tegen de aanvallende Baggara te beschermen. Dergelijke aanvallen op dorpen en vluchtelingenkampen komen regelmatig voor in het noorden van Bahr al Ghazal, en hangen vaak samen met vee- en slavenroof.

Het huidige bewind, dat in 1989 aan de macht kwam en wordt gedomineerd door het Nationaal Islamitisch Front, heeft een nieuwe dimensie van terreur toegevoegd aan de oorlog. Islamitische zeloten in de regering moedigen islamitische organisaties aan om grote aantallen Afrikaanse kinderen ontvoeren voor islamisering en gedwongen militaire dienst.

In februari en maart van dit jaar werden 135 kinderen van het Toposa-volk ontvoerd uit hun woongebied, tegen de grens met Kenia. Per vliegtuig werden ze van Juba naar Khartoem vervoerd - een patroon dat al eerder gevolgd was met Toposa-kinderen, in 1991. Na aankomst in Khartoem werden de kinderen overgebracht naar kampen bij Modoerman, bij Khartoem; anderen gingen naar El Fau, in Noordoost-Soedan.

In februari dit jaar werden 670 Noeba-kinderen weggeroofd bij hun families in het gebied ten oosten van Kadoegli, vanwaar PDF-soldaten hen meenamen naar een Koran-school bij Oem Roebawa. 79 van hen wisten te ontsnappen en doken onder bij familie in nabije steden.

Kinderen in dergelijke kampen krijgen een harde behandeling, om hen te dwingen over te gaan tot de islam. Zij worden gewekt voor het eerste gebed om half vier 's ochtends, en hun programma, dat bestaat uit gebed, islamitische leer en militaire exercities, eindigt pas laat op de dag. Voedsel, onderdak en medische toestand in de kampen zijn slecht, vertellen de kinderen die eruit ontsnapt zijn.

Zweepslagen

Wie probeert te protesteren of te ontsnappen, wordt gestraft. In een kamp zag een Zuidsoedanees, die er werke als bewaker, dat kinderen er met de zweep van langs kregen. “Ze houden een kind met vier mensen vast en gaan door met slaan, ook al schreeuwt het kind het uit en heeft het heel erge pijn.” Eén kind sierf van een dergelijke behandelig in het Faroek 2 kamp, bij El Fau, in 1993. Een ander kind verdween.

Dergelijke kampen vallen onder het ministerie van sociale zaken en welzijn. Islamitische instituties met namen als Dawa Islamia, Zaka, de Stichting voor Vrede en Ontwikkeling, en (volgens sommige bronnen) delen van het Soedanese Rode Kruis (Rode Maan) zijn in de kampen betrokken, samen met godsdienstleraren, moedjahediens en PDF-soldaten.

In februari van dit jaar rapporteerde de in Londen gevestigde mensenrechtenorganisatie African Rights details van zeven bekende kampen in Noord-Soedan, waar vooral Zuid- en Westsoedanese kinderen worden vastgehouden. Alleen al in 1994 zijn zeker 1500 kinderen van deze kampen 'bevorderd' tot moedjahediens en strijders van de PDF. In april van dit jaar werden sommige van deze kinderen teruggevonden in het militaire ziekenhuis van Omdoerman.

Hulporganisaties

Zelfs in Khartoem worden kinderen gekidnapt en tot islamisering en militaire dienst gedwongen. Dit gebeurt ondanks de aanwezigheid van internationale hulporganisaties, waaronder Unicef.

Een Zuidsoedanese jongen vertelt wat er kan gebeuren tijdens een wandeling in Khartoem: “Ik werd opgepakt in het centrum van Khartoem in november 1994. We werden meegenomen naar een plek die ik niet kende. We moesten binnenblijven, tot ze ons meenamen naar een andere plek, ver weg, waar we militaire training kregen. Naast de islam-lessen die we kregen, moesten we islamitische gebeden opzeggen, anders werd je zwaar gestraft. Sinds mijn verdwijning zochten mijn ouders mij overal, tot ze me vonden in januari.”

Campagnes om kinderen op te pakken voor islamisering en militaire training heten 'hamlats', en ze vinden elke drie à vier maanden plaats in Khartoem en omstreken. Terwijl organisaties als Unicef en Save the Children vaak hebben gerapporteerd over het grootschalige gebruik van kinderen in de oorlog door het SPLA en dat hebben veroordeeld, hebben diezelfde organisaties de laatste jaren niets gedaan om publiekelijk de slavernij of de ontvoering in de door de regering geconroleerde gebieden aan de kaak te stellen.

Internationale organisaties in Khartoem schijnen te vrezen voor sluiting van programma's, of zelfs voor uitwijzing uit Soedan, als ze daarover wel hun mond open doen. Het beleid van de Soedanese regering en de klaarblijkelijke desinteresse van de internationale instanties om deze zaken te onderzoeken, plaatst duizenden kinderen voor onmogelijke keuzen. Ofwel ze proberen zich staande te houden ondanks internering en harde arbeid; ofwel ze kunnen proberen te ontsnappen, zware straf riskerend; ofwel ze moeten wachten tot familieleden hen vinden en terugkopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden