Socrates, niet Jezus

'Wie zijn wij om onze normen op te leggen aan anderen? Wij mogen onze westerse waarden toch niet opdringen aan andere culturen?' Deze alledaagse twijfel aan de grootsheid van onze eigen beschaving is volgens filosoof Paul Cliteur een symptoom van verval. Cliteur pleit voor een revitalisering van de Europese cultuur. Daarbij moeten we ons niet richten op het christendom, maar op de Griekse Verlichting uit de 5de eeuw v. Chr.: 'Pericles vond het helemaal niet gevaarlijk maatstaven te hanteren waarmee een hoogstaande beschaving van een verwerpelijke kan worden onderscheiden. Een cultuur die openstaat voor alle tradities zou hij decadent hebben gevonden. Zo'n cultuur gelooft niet meer in zichzelf en is voorbeschikt om ten onder te gaan.'

In 430 v. Chr. hield de Atheense staatsman Pericles een beroemde rede. De Peloponnesische oorlog (tussen Athene en Sparta) was uitgebroken en Pericles probeerde aan te geven wat voor de Atheners op het spel stond:

'Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te bootsen strekken wij hen tot voorbeeld. Onze staat heet een democratie omdat zij in handen is, niet van enkelingen, maar van velen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht voor allen en de publieke opinie eert een ieder die zich door iets onderscheidt in het openbare leven boven anderen; niet om de klasse waartoe hij behoort maar om de waarde van zijn persoon. Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn positie ook is. Wij leven als vrije staatsburgers en in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan jegens elkaar. Wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt en werpen hem geen boze blikken toe, die weliswaar geen schade berokkenen maar niettemin de ander kunnen kwetsen. Verdraagzaam in onze omgang met anderen, houden wij ons in het openbare leven aan de wet, die we eerbiedigen. Wij gehoorzamen aan hen die boven ons zijn gesteld, alsook aan de wetten; in het bijzonder ook aan die ongeschreven wetten waarvan de overtreding in ons aller ogen de overtreder schande brengt.'

Wat maakte de Griekse politieke cultuur superieur, nog steeds een voorbeeld dat tot navolging strekt?

De cultuur in Athene in de 5de eeuw v. Chr. wordt terecht geprezen als een periode van Humanisme en Verlichting. De classicus J.V. Luce typeert deze periode als volgt: een toenemende vrijheid van het individu, een kritische houding tegenover gezag en de verbreiding van democratische instituties. Dragers van die Verlichting waren Socrates en de Sofisten. De Sofisten waren rondtrekkende 'wijsheidsleraren' die onderricht gaven in allerlei vaardigheden, zoals spreken in het openbaar. De verschillen tussen Socrates en de Sofisten zijn aanzienlijk. Maar er zijn ook overeenkomsten.

Van Protagoras, de belangrijkste sofist, stamt de uitspraak dat de mens de maat is van alle dingen. Luce beschouwt deze beroemde frase als het 'sleutelmanifest van het Griekse humanisme'. Ik ben dat met hem eens, maar dan wel wanneer we deze 'menselijke maat' op een bepaalde manier interpreteren.

We kunnen onder 'de mens' twee dingen verstaan: de individuele mens en de mens als soort. In het laatste geval betekent het dat waarden alleen maar waarden zijn in het verkeer van mensen onder elkaar. Er zijn geen hogere wezens dan mensen die bepalend zijn voor goed of kwaad. Dat is natuurlijk een duidelijke afwijzing van God of de goden als bepalend voor ethiek. Niet de mening van een transcendente macht is bepalend voor wat goed en kwaad is, het zijn de mensen. Het is dan ook niet zo vreemd dat Protagoras zijn kentheoretisch antropocentrisme combineerde met een agnostische beginselverklaring: 'Ik ben niet in staat tot enige kennis over de goden'. Hij kon niet zeggen of zij bestaan of niet bestaan. Intrigerend zijn de redenen die hij voor zijn agnosticisme opvoert, te weten de duisterheid van het onderwerp en de korte duur van het menselijk bestaan.

Maar er is ook een radicaal individualistische interpretatie mogelijk van Protagoras' 'menselijke maat'. Dan betekent die regel dat niet de mens als soort maar elke individuele mens als de maat van alle dingen moet worden gezien. Zo geïnterpreteerd leidt de regel tot een grenzeloos relativisme of nihilisme. Deze interpretatie werd gevolgd door de meer radicale elementen binnen de Sofistiek, zoals Gorgias van Leontini die meent dat geen enkel bewijs voor welke stelling dan ook geleverd kan worden, de sofist Kallikles die moraal ziet als een uitvinding van de zwakkeren om de sterkeren in hun machtsuitoefening te breidelen of de sofist Thrasymachos die moraal juist ziet als een uitvinding van de sterkeren. Dit soort cynisme en waardenrelativisme klinkt ook door in de wijdverbreide scepsis ten aanzien van morele objectiviteit die kenmerkend is voor onze huidige cultuur.

Socrates was van mening dat Protagoras op deze laatste manier moest worden geïnterpreteerd en dat verklaart ook zijn afkeer van de Sofistiek. Toch is die nihilistische interpretatie niet logisch noodzakelijk. Men kan vasthouden aan de gematigde interpretatie van de 'menselijke maat', en dan ligt de werkzaamheid van Socrates en die van de Sofisten min of meer op één lijn. Dan stond Socrates inderdaad, zoals de Duitse filosoof Windelband schrijft, met de Sofisten 'op de gemeenschappelijke grond van de Verlichting en bepleitte hij, net als zij, onafhankelijke reflectie ten aanzien van alles dat ons door traditie en gewoonte wordt overgeleverd'.

De Griekse verlichters benadrukten de betekenis van het individueel oordeel en stimuleerden de trend naar meer democratie en egalitarisme. Ook bevorderden Socrates en de Sofisten tolerantie en vrijheid van meningsuiting. 'De geest van de tijd', aldus Luce, 'was anti-autoritair, en religieus geloof werd kritisch ondervraagd'. Tegen deze achtergrond kregen de beginselen van rechtstaat en democratie gestalte.

Waarvoor vechten we eigenlijk?

Tussen 1914 en 1918 was Engeland in oorlog met Duitsland. Nu zijn oorlogen bij uitstek geschikt om 'existentiële vragen' te stellen. De meest voor de hand liggende is: waarvoor vechten we eigenlijk? Van Britse zijde bezien: 'waarvoor worden wij, Britten, geacht te strijden?' De Britse regering had haar antwoord klaar: 'You are fighting for civilization.' Maar ook dat helpt ons nog niet echt uit de problemen. Immers wat is beschaafd? En wat zou het specifieke zijn van de Britse beschaving dat men daarvoor zijn leven in de waagschaal moest stellen? Sommigen meenden de essentie van de Britse beschaving te kunnen identificeren als 'het christendom'. Zij hadden het over 'Het Kruis versus Krupp'. Willem II stond model voor de Antichrist. Maar erg overtuigend was dat natuurlijk niet, want ook Duitsland was een - althans naar courante maatstaven gemeten - 'christelijke beschaving'.

Het meest veilige was het misschien nog wel in het vage te laten om wat voor beschaving het ging, maar alleen te stellen dat Duitsland geen beschaafd land was. De Britten vochten dan voor 'beschaving zonder meer'

Maar wat is beschaafd? De oude Grieken hadden weinig moeite met het beantwoorden van die vraag. Beschaafd, dat waren zijzelf. Beschaafd was Grieks. Wat daarbuiten viel was onbeschaafd of barbaars.

Dit is natuurlijk nogal voortvarend geformuleerd en toch denk ik dat het niet mogelijk is dat een beschaving blijft voortbestaan zonder het idee dat men terecht 'ergens voor vecht'. Dat behoeft niet het lijfelijke gevecht te zijn van de soldaten in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het geldt ook voor het kleine gevecht van alledag. We maken wetten. We sluiten verdragen tussen staten. We proberen onrecht te bestrijden in eigen land en -voorzover mogelijk - in andere delen van de wereld. Die activiteiten vooronderstellen allemaal een norm over welke standaarden 'beschaafd' zijn en welke 'primitief'.

Het decadente cultuurrelativisme

Velen wijzen erop dat de Europese beschaving tegenwoordig in verval is. Volgens de Amerikaanse historici Barzun en Lukacs staan we aan 'the End of an Age'. Hier krijgt 'endism' een onheilspellend karakter. Het eind is een tijd van ommekeer, een crisis die het onvermijdelijke verval inluidt. Misschien is dat juist. Maar dan alleen omdat velen tegenwoordig denken dat dit het geval is; omdat velen tegenwoordig twijfelen aan de grootheid van de Europese beschaving; omdat sprake is van een gebrek aan moed. Bijna alle intellectuelen zijn in de greep van een mentaliteit van cultuurrelativisme: 'Wie ben jij om mijn gedrag te beoordelen?' 'Wat geeft jou het recht om jouw maatstaven aan mij op te leggen?' 'Dat zeg jij!'

Hoe vaak hoor je dat niet?

Nog couranter is het collectief relativisme. Als je zegt dat je een bepaalde misstand in een ander land verwerpt zegt men: 'Ja, maar wie zijn wij om onze normen aan hen op te leggen? Is dat niet een beetje arrogant?' Of: 'Wij mogen onze eigen, westerse, waarden toch niet opdringen aan andere culturen?'

Deze overtuiging is zo wijdverbreid dat men het relativisme wel de publieke religie van deze tijd kan noemen. Je moet tenslotte allemaal een 'beetje kunnen relativeren', is het niet? Als je niet meer kunt relativeren, dan gaat het serieus mis. Wát er dan mis gaat wordt doorgaans niet verteld en behoeft ook niet verteld te worden, want bijval aan de relativeringsnorm geschiedt en passant.

De vraag is natuurlijk wat de relativist met zijn opmerkingen afwijst. Onder andere dit: absolute en universele morele standaarden waarmee gedrag zou kunnen worden beoordeeld. Er zijn geen waarden en normen die absoluut gelden, dat wil zeggen: geen uitzonderingen kennen. Ook zijn er geen waarden en normen die universeel gelden, dat wil zeggen: geldig zijn voor alle mensen, alle culturen, alle maatschappijen.

Wie denkt dat sommige waarden en normen wél universele gelding hebben, heeft eenvoudigweg te weinig gereisd. Hij denkt dat de gewoonten van zijn dorpje in de hele wereld als dwingende moraal ervaren worden. Wie gelooft in absolute waarden en normen is een gevaarlijke ayatollah of een wereldvreemde gelovige. De ware wereldburger weet te relativeren. Hij is ruimdenkend en tolerant.

De consequentie van het relativisme is ook dat niet één cultuur beter kan zijn dan een andere. Er is immers geen bovenculturele maatstaf op basis waarvan men een dergelijke superioriteit zou kunnen vaststellen.

De liberaal-verlichte intelligentsia van de moderne tijd beschouwt het relativisme min of meer als vanzelfsprekend. Neem de volgende uitspraak van columnist Marcel van Dam: 'Wie bereid is over de grenzen van de eigen cultuur en de eigen generatie heen te kijken moet tot de conclusie komen dat culturen nooit beter of slechter zijn dan andere culturen. In iedere cultuur heb je ploerten, heiligen en alles wat daar tussen zit. En zelfs die uitspraak moet gerelativeerd worden omdat er geen absolute criteria zijn om af te meten of iemand een ploert is of een heilige.'

Wie het relativisme niet onderschrijft, omdat hij gelooft in universele waarden en normen wordt meteen provincialisme en benauwdheid toegeschreven. Hij kan kennelijk de grenzen van de eigen cultuur en generatie niet overstijgen. Dat moet wel een erg geborneerd mens zijn.

Het cultuurrelativisme kan niet anders dan in nihilisme eindigen, precies zoals gebeurde in de Griekse Sofistiek. Als je zegt dat niet de mens als soort, maar elke individuele mens de maat van alle dingen is, waarom zou je dan nog met elkaar debatteren over morele zaken? Dat is allemaal zinloos. Moraal is dan tenslotte een zaak van opinie en over smaken valt niet te twisten. Vanuit die positie heeft het ook geen enkele zin meer te zeggen 'wat in nazi-Duitsland gebeurde was afschuwelijk', immers 's lands wijs, 's lands eer. We kunnen ook geen vrouwenbesnijdenis in Soedan afwijzen, want wie zijn wij om 'onze cultuur' aan hen als voorbeeld voor te houden? We kunnen ook de mores van jeugdbendes in eigen land niet meer veroordelen, immers die mores maken deel uit van die specifieke cultuur. En alle culturen zijn toch gelijk?

Mogen we Europees superioriteitsgevoel cultiveren?

Het superioriteitsgevoel van de Grieken, hun onbekommerd geloof in universele waarden, was eens ook kenmerkend voor Europa. De Europese beschaving stond model voor de wereld en wat cultureel-antropologen ons vertelden over andere beschavingen kon ons niet schokken in ons cultureel superioriteitsgevoel. In 1928 schreef de kunstcriticus Clive Bell dat antropologen nauwgezette studies hadden gemaakt van de leefwijze van barbaarse volkeren. Daaruit zou je kunnen leren wat beschaving niet is.

Maar daarna is het snel bergafwaarts gegaan met het Europees zelfbewustzijn. Ongetwijfeld hebben twee wereldoorlogen daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. Opvallend is dat tegenwoordig zelfs het begrip beschaving veel van zijn glans heeft verloren. Bij beschaving denken we tegenwoordig aan iets opgeklopts, iets geaffecteerds, aan een pretentie die niet waargemaakt kan worden. Beschaving, poeh-poeh, dat klinkt gewichtig.

Zo impopulair als de notie beschaving is tegenwoordig, zo populair is de notie cultuur. Bij 'cultuur' gaan de harten sneller kloppen. Vooral wanneer het gaat om ieders 'eigen cultuur'. Hier en daar wordt zelfs wel gesproken van een recht op die eigen cultuur. Ik deel die opvatting niet. Er zijn verwerpelijke culturen. Nazi-Duitsland was geen beschaving, maar het was wel een cultuur. De mores van een straatbende in de sloppen van Los Angeles vormen een cultuur, ook al is men zo onbeschaafd om conflicten met stiletto's uit te vechten en vrouwen te verkrachten.

Maar wie tegenwoordig nog gelooft in universele waarden en dat deze wel degelijk binnen één specifieke cultuur, bijvoorbeeld de Europese, de beste verankering hebben gekregen, is duidelijk niet erg 'bij de tijd'. Men moet dan wel een naïeveling of ongecultiveerd zijn, zoals de Italiaanse president Silvio Berlusconi. Na 11 september 2001 zei hij: 'We moeten ons bewust zijn van de superioriteit van onze beschaving, een systeem dat berust op welzijn, respect voor mensenrechten en respect voor religieuze rechten - iets wat je niet hebt in islamitische landen.' De Italiaanse premier zei ook dat het Westen zijn tradities van vrijheid, democratie en tolerantie moet blijven koesteren. 'Dit zijn waarden waar we trots op moeten zijn, hoeveel kritiek op de huidige ontwikkelingen er ook is van de kant van de anti-globaliseringsgroepen.' Maar het was vooral de islam waar Berlusconi zich tegen afzette. Een deel van de islamitische wereld was blijven steken in het jaar 1400, zei hij.

Er stak een storm van protest op. Prodi, voorzitter van de Europese commissie en landgenoot van Berlusconi, nam afstand van de Italiaanse premier. Hij pleitte voor een 'humaan Europa, open voor alle tradities en alle godsdiensten'.

'Voor alle tradities, mijnheer Prodi?', is men geneigd te vragen. 'Ook die van de Ku Klux Klan? De vrouw-onvriendelijke traditie van het islamisme? Of het racisme van de nazi's? Is niet juist kenmerkend voor Europa dat het humaan wilde zijn? En vooronderstelt dat niet een norm? De norm dat men stelling neemt tegen alle levensbeschouwingen en ideologieën die inhumaan zijn?'

Het is misschien goed deze relativistische uitspraken van onze politieke leiders over onze cultuur eens te vergelijken met de wijze waarop de Griekse staatsman Pericles zijn tijd typeerde. Hij zegt dat Athene zich onderscheidt door de kwaliteit van haar politieke instituties. Het is een democratie. Bovendien heerst in Athene niet de willekeur van een machthebber, maar is het een staat onder de heerschappij van het recht. 'Wij gehoorzamen aan hen die boven ons zijn gesteld, alsook aan de wetten', zegt Pericles.

Hier is een staatsman aan het woord die nog gelooft in beschaving. Hij zegt niet: 'Het maakt niet uit of je de Griekse beginselen onderschrijft of die van de barbaren, het is toch allemaal gelijk.' Pericles voelt zich kennelijk uitstekend thuis bij een soort van superioriteitsdenken. Hij vindt het helemaal niet 'gevaarlijk' maatstaven te hanteren waarmee een hoogstaande beschaving van een verwerpelijke kan worden onderscheiden. Een Griekenland dat open zou staan voor alle tradities en godsdiensten zou hij decadent hebben gevonden. Dat is immers een cultuur die niet meer gelooft in zichzelf. Zo'n cultuur is voorbeschikt om ten onder te gaan. Hun leiders staan met de mond vol tanden wanneer de vraag wordt gesteld 'waarvoor worden wij geacht te strijden?'.

Het vormingsideaal voor Europa

De grote vraag voor de toekomst is of Europa zich nog steeds kan laten bezielen door idealen, en wat deze idealen zouden moeten zijn? De Britse classicus Gilbert Murray schreef in 1953 - dus na de Tweede Wereldoorlog - dat hij wel degelijk in zulke idealen gelooft: 'Ik heb het gevoel dat de westerse samenleving, met al haar fouten en vulgariteiten, en met alles dat ze kan leren van bepaalde oosterse naties, geroepen is om de wereld te leiden, en wel dankzij de hellenistische en christelijke erfenis.'

Murray schrijft dat elke beschaving zijn wortels in het verleden heeft. Zo heeft de westerse beschaving zijn wortels in Rome, Jeruzalem en Athene. Soms hebben we het over 'christelijk', een andere keer over 'helleens'.

Daarbij moet ook de Romeinse beschaving genoemd worden. De invloed daarvan is overal aanwezig. In ons rechtssysteem, in onze manier van het besturen van het land. Maar graven we dieper, zo zegt Murray, dan blijken die Romeinse opvattingen schatplichtig te zijn aan de Griekse. Het Latijnse alfabet is eigenlijk Grieks. Ook het Romeinse recht dat de Europese cultuur zo gestempeld heeft, is in oorsprong Grieks. Ook onze politieke opvattingen gaan terug op de Griekse. Een Romeinse dichter heeft wel eens opgemerkt dat het door de Romeinen overwonnen Griekenland zijn overwinnaar gevangen heeft genomen. Ondanks het militaire overwicht van Rome was Athene cultureel superieur. Murray zegt: 'Toen andere volkeren alleen nog maar wat konden mompelen, spraken de Grieken al gearticuleerd. Zij konden helder denken; zij konden ook dingen uitleggen en onderwijzen.'

Toch hebben ook de Romeinen wel een blijvende erfenis nagelaten aan de Europese cultuur. Murray noemt twee zaken. Allereerst een 'united religion' en als tweede een 'united civilization'. Met dat 'verenigd' bedoelt hij dan 'wereldwijd' of 'oecumenisch' in de antieke zin van het woord. Dat wil zeggen: het dekt wat men de oecûmenê, de 'bewoonde' of beschaafde wereld noemde - en dat was dus de wereld voorzover deze aan de Romeinen bekend was. Die 'verenigde beschaving' probeerde men ook door een doelbewuste onderneming te bevorderen. Natuurlijk allereerst door verovering, maar ook door een effectief bestuur. Die heerschappij heeft eeuwen geduurd en, zo schrijft Murray, 'het is precies wat we nu proberen opnieuw te realiseren'. Duidelijke taal. Zou niet de Grieks-Romeinse erfenis een blijvende bron van inspiratie kunnen vormen voor de Europese cultuur?

Athene of Jeruzalem?

Er is één ding dat mij niet helemaal zint bij het ideaal van Murray. Hij typeert de westerse cultuur als een spruit van Griekenland, maar spreekt ook van een 'christelijke erfenis'. Hij noemt de christelijke en hellenistische cultuur zelfs in één adem. Beziet men vervolgens wat hij als de belangrijke richtinggevende ideeën van die cultuur opvoert, dan blijken het allemaal Griekse ideeën te zijn en geen christelijke. Volgens mij vindt Murray dat de Griekse bronnen van de Europese cultuur gerevitaliseerd moeten worden en niet de christelijke. Hij heeft dat alleen in 1953 niet zo openlijk durven uitspreken. Wanneer men verder beziet hoe kritisch hij is over met name het religieuze element van andere culturen, dan kan men niet anders dan concluderen dat Murray een voorkeur heeft voor een seculiere cultuur: een cultuur waarin niet Gods wil en woord doorslaggevend zijn, maar die van de mens. Immers: de mens is de maat van alle dingen. Niet de individuele mens, zoals de radicale sofistiek meende en in haar voetspoor de nihilistische (post)moderne intelligentsia van de westerse wereld, maar de mens als soort.

Laten we overstappen op de joods-christelijke cultuur, zoals bekend een tweede bron van de Europese beschaving. Is de Griekse cultuur in harmonie met de joods-christelijke elementen van de Europese cultuur of gaat het hier om een verbinding van ongelijksoortige en onverenigbare elementen? Naar mijn idee is dat laatste het geval. De joods-christelijke elementen van onze cultuur zijn niet gebaseerd op de mens als maat van alle dingen, maar op God als maat van alle dingen. De christelijke opvatting over moraal is even eenvoudig als consistent: goed is wat overeenstemt met de wil van God, kwaad is wat tegen Diens wil ingaat. Moraal is dan ook niet 'horizontaal', niet iets dat samenhangt met de menselijke verhoudingen, maar het komt 'van boven', van God. Gehoorzaamheid aan Gods bevelen is dan ook het eerste gebod van een theïstische ethiek of, in het jargon van de ethiek: moraal is heteronoom (en niet autonoom).

Je kunt de christelijke ethiek traceren door te proberen een consistent moreel betoog te destilleren uit de bijbel. Vooral de leringen van Jezus zijn dan natuurlijk van belang. Voor Jezus was gehoorzaamheid aan het goddelijk bevel de hoogste deugd. Hij was immers niet uit de hemel neergedaald om 'zijn eigen wil' te doen, maar 'de wil van Hem die Mij gezonden heeft'. Als hoogste gebod wordt door Jezus geproclameerd: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod.'

Dit eerste gebod geeft een formeel richtsnoer aan. Zedelijk goed, is wat God beveelt. Zedelijk slecht, is wat God afwijst.

Als tweede gebod voerde Jezus op: de liefde tot de naaste. Hij interpreteerde dit gebod extensief: het zou ook moeten gelden voor onze vijanden.

Zijn het eerste en het tweede gebod verenigbaar? Volgens mij niet. Het tweede gebod moet prioriteit krijgen: heb uw naaste lief als uzelf. Dat is strikt genomen niets anders dan het gelijkheidsbeginsel, de gulden regel die in alle volwassen levensovertuigingen en ethische stelsels erkend is. Men vindt het bij Confucius, bij de oude Grieken, het ligt besloten in de bekende categorische imperatief van Kant, maar ook in de utilistische regel dat ieder individu maar voor één telt. Grondregel van de moraal is de gelijkheid van alle mensen.

Maar dat staat op gespannen voet met wat Jezus als het eerste gebod formuleerde, namelijk dat de wil van God altijd doorslaggevend moet zijn voor ons morele handelen. Dat kan ertoe leiden dat wanneer een vader het goddelijk bevel krijgt zijn zoon te offeren het zijn religieuze plicht is om aan dat bevel gevolg te geven, zoals met Abraham het geval was. Die religieuze plicht kan volledig strijdig zijn met een morele plicht om goed voor je kinderen te zijn.

De Duitse filosoof Nicolaï Hartmann (1882-1950) heeft erop gewezen dat religie wel een vindplaats kan zijn van morele opvattingen, maar dat men zich nooit op godsdienst kan beroepen ter legitimatie van moraal.

De gedachte van de autonomie van de moraal is een typisch Griekse uitvinding. Men vindt haar al bij Socrates die in Plato's dialoog Euthyphro aan Euthyphro probeert uit te leggen waarom morele geboden iets anders zijn dan bevelen van god of de goden. Het goede, zegt Euthyphro, is wat de goden welgevallig is. Maar wat moeten we doen als de goden het niet eens zijn? Uiteindelijk kunnen we niet anders dan ons richten op ons eigen zedelijk oordeel. Deze autonomie van de moraal is het belangrijkste leerstuk van de Griekse beschaving.

Wanneer Berlusconi spreekt van de superioriteit van 'onze beschaving' ben ik dat in die zin met hem eens dat de Griekse beschaving superieur was omdat het met haar seculiere moraal een vreedzame coëxistentie van de verschillende volkeren over de gehele wereld mogelijk maakt. Het maakt moraal een kwestie van rede en niet van geloof. En rede bezitten wij mensen allemaal. Het geloof is wat ons verdeelt en versplintert.

Maar betekent dat nu ook dat we het joods-christelijke element van de Europese cultuur als afgedaan moeten beschouwen? Het beste antwoord op die vraag is gegeven door John Stuart Mill in 1874. Mill zegt dat de voorschriften van Christus soms zeer behartigenswaardig zijn en een bijdrage vormen aan de Europese cultuur. Als voorbeelden noemt hij het liefdesgebod, de eerbied voor de zwakken en nederigen en het voorschrift dat we voor anderen moeten doen wat we zouden willen dat voor ons werd gedaan. En zo kan men op meer wijzen. Terecht zegt Mill dat deze voorschriften zo overeenkomen met wat een redelijke man of vrouw zal doen dat we niet bang hoeven zijn dat we ze weer zullen vergeten als de religieuze oorsprong ervan vergeten wordt.

De vraag is natuurlijk of men deze waarden moet hooghouden als 'specifiek christelijk'? En de vraag is ook of zij hun aantrekkelijkheid en verbindende kracht ontlenen aan de combinatie met het geloof in een goddelijke schepper. Dát is volgens Mill niet het geval en ik volg hem daarin graag. Mill zegt dat het geloof in een bovennatuurlijke schepper een zekere verdienste mocht hebben in de vroege fasen van de menselijke evolutie, maar nu niet meer.

Dat is mij nog iets te voorzichtig uitgedrukt. Als de gebeurtenissen van 11 september 2001 ons van iets moeten hebben doordrongen, dan is het wel het grote gevaar dat verscholen ligt in een moraal die zich baseert op godsdienst. Abraham is niet een literaire figuur uit een oud boek, maar zijn volgelingen lopen tussen ons. Zij zijn bereid op basis van wat zij zien als Gods bevel de meest belangrijke morele overwegingen terzijde te schuiven. Mede daarom lijkt mij dat het Europese vormingsideaal voor de toekomst moet aanknopen bij de seculiere bron van de Europese cultuur, bij Socrates, en niet bij de Jezus van het eerste gebod.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden