Socrates in de Dorpsstraat

Na 2500 jaar is de Griekse filosoof Socrates terug. Trouw vroeg hem weer de markt op te gaan. Om daar te leren wat hoop is, vriendschap, respect en, zoals vandaag in Castricum, wat moed is.

'Moed is als je veel durft“, zei de man met de fiets aan zijn hand. “Riskante dingen, enge dingen. Moed is als je gevaren niet uit de weg gaat.“

Ik dacht aan het jongetje dat vorige week door het ijs zakte. Hij stierf in het ziekenhuis. Daarom vroeg ik: “Wat is het verschil met overmoed, dwaasheid, roekeloos gedrag?“

“Moed moet je wel ergens op richten“, antwoordde de man met de fiets aan zijn hand. Net als het jongetje dat door het ijs was gezakt, kwam hij uit Friesland. Zijn naam was Tjisse.

Tjisse zei: “Je kunt niet zomaar in het wilde weg moedig zijn.“

Dat leken ware woorden. En omdat het nogal koud was die dag, en omdat wijsheid ook iets zeldzaams is, vroeg ik hem of hij niet een kop koffie wilde drinken, ergens binnen waar het warm was.

Maar Tjisse, die psycholoog bleek te zijn, zei toen dat hij nooit dacht in termen van moedige, overmoedige en laffe mensen. Hij vond zichzelf ook niet moedig. Hij deed wat moest gebeuren, zijn plicht, verder niet. Bovendien had hij geen tijd. Hij sloeg het aanbod af, en liep door met de fiets aan zijn hand.

Even verderop bleef ik staan naast de notenstal. Daar vroeg ik het aan verscheidene mensen, maar niemand leek te weten wat moed is. Een klant die zich in de bijtende kou naar buiten had gewaagd, informeerde bij de notenverkoper naar studentenhaver. “Ja, natuurlijk, heb ik studentenhaver.“

Terwijl ik luisterde naar dit o zo aardse, o zo menselijke gesprek zonk de moed mij in de schoenen. Misschien was ik op zoek naar iets dat allang uitgestorven was, misschien was ik te vergelijken met iemand die anno 2006 een dinosauriër probeert te vangen op de Veluwe, misschien deed moed er allang niet meer toe.

Nadat ik wat gedronken had in een café, vervolgde ik mijn speurtocht met frisse moed. En de eerste persoon die ik aansprak had een antwoord. Hij zei: “Moed is staan voor wat je denkt.“

Anders dan de psycholoog kende deze man, zijn naam was Henk Vos, wél moedige mensen. “Er zijn mensen in de politiek die voor hun mening staan en niet draaien. Eenmansfracties die ondanks dreigementen toch doorgaan. En dat soms met gevaar voor eigen leven. Dat vind ik moedig.“

Een andere man, Leo 't Hart, dacht eveneens dat moed nog steeds bestond. “Moedig zijn de mensen die worden uitgezonden naar Afghanistan“, zei hij.

Een jonge vrouw, Sophie Admiraal, keek me recht in de ogen met een onverschrokken blik. “Als je moedig bent“, zei ze, “dan doe je lekker alle dingen die anderen niet durven.“

Ze kende bijna geen moedige mensen. Zelf was ze ook niet moedig, zei ze, want ze vond bijna niets eng. “Alleen als je veel dingen eng vindt, heb je veel moed nodig en vind je anderen snel moedig.“

Ze vervolgde: “Als iemand met een pistool tegenover je staat, dan moet je wel moedig wezen. Maar dat gebeurt niet in Castricum. Ik hoef daarom nooit moedig te zijn.“

“Kun je moed leren?“, vroeg ik haar. “Of worden mensen moedig geboren?“

Ze moest even nadenken. Ze dacht niet dat mensen moedig geboren werden. Maar of je het kon leren? Dat leek haar ook weer sterk.

“Als je moet leren om moedig te zijn, dan zou je je in moedigheid moeten oefenen“, zei ik. “Maar als hier in Castricum nooit iets engs gebeurt, dan kun je je er niet in oefenen. Kun je dan wel moedig zijn op het moment dat je moedig moet zijn?“

“Ach“, zei ze. “Niemand heeft je ook geleerd om te zoenen, en dat gaat ook goed, zegt tante Truus van de slager altijd. En ik denk dat ze daarin gelijk heeft.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden