SOCIOLOGIE

Het geloof van dat Ghanese volk was natuurlijk niet het ware. God en zijn tegenspeler beheersen het leven, zeiden de piëtisten. Achteraf blijkt vooral die laatste te zijn aangeslagen.

Je proeft de handel achter deze bekering, een 'voor wat hoort wat'. Christen ben je voor een heel schappelijke prijs, redeneerden sommige stamleden van de Ewe toen zij de overstap waagden. Niet alleen spaar je er geiten mee uit, maar ook de christelijke begrafenis is stukken voordeliger dan het prijzige ritueel, voorgeschreven door de Ewe-religie.

Het moet een magere bekering zijn geweest in de ogen van de Duitse piëtisten die deze stam uit Peki in Ghana halverwege de vorige eeuw de nieuwe god kwamen brengen. Het was geenszins hun bedoeling om met lucratieve aanbiedingen zieltjes te winnen, blijkt uit de studie Translating the Devil, waarop de antropologe Birgit Meyer begin van de zomer in Amsterdam promoveerde.

De zendelingen van de Norddeutsche Missionsgesellschaft gingen eigenlijk op weg voor een onmogelijke ontmoeting. In hun afkeer van verworvenheden van de moderne wereld zochten zij loutering in een strenge ascese, ervan overtuigd dat een lijdensweg in zekere zin de meest deugdzame levenswandel is. Dus: eet bij voorkeur wat je niet lekker vindt, want sinds Adam en Eva weten we dat de verleiding door de maag gaat.

Die keuze voor zelfkastijding en soberheid is verbeeld op tal van schilderijen die het Brede en Smalle Pad weergeven: de brede, goed begaanbare weg naar het inferno, waar Bacchus en Venus op elk kruispunt naar je lonken, en een smal, bochtig en steil struikelpad naar het eeuwige licht. In Württemberg, een centrum van de piëtistische beweging indertijd, hing deze dreigende levensles bij velen als prent aan de muur.

Maar ga eens, met de overtuiging dat de duivel voor alle geneugten staat, je eigen God aanprijzen bij arme Ewe, die een blik hadden opgevangen van de rijke buitenwereld. Voor de piëtist er erg in had, bekeerden de Afrikanen zich tot de welvaart die de missionaris geacht werd mee te brengen, en namen ze diens God op de koop toe.

Een onmogelijke ontmoeting: de missionaris zet zich schrap tegen het duivelse in deze primitieve mensen, terwijl de Ewe mèt de missionaris het betere leven de hand denken te schudden. Dat kan geen gesprek worden, zeker als je elkaar niet verstaat.

Om elke hoek zagen piëtisten de duivel wegglippen, blijkt uit de studie van Meyer. Door de overtuiging dat Satan zo werkelijk was dat je er haast in kon knijpen, herkenden de missionarissen een boze hand in allerlei ritueel en gedrag van de Ewe. Satan regeerde over hun harten en fluisterde onhemelse wensen in, waar alleen het Woord mee zou kunnen afrekenen.

De missie was een voortdurende confrontatie met dienaren van de duivel, al waren de Ewe zich dat natuurlijk zelf niet bewust. Hun ketenen moesten nog worden gebroken, en zolang dat niet was gebeurd beschouwden de piëtisten zich als voyeurs in een satanische wereld: als toeschouwers van het kwaad.

Maar wie was die duivel? Ewe dachten immers voornamelijk in goden, en in vele nog wel. Van geesten van voorvaderen en familiegoden tot al wat in de natuur als goddelijk klinkt: op de heuvel, in rivier en bron huisden allerhande geesten.

Ewe hadden ook wel een god van boven, Mawu, die trouwens nogal een beetje een linkmiegel bleek. Van Mawu kwamen mooie dingen, maar voor hetzelfde geld bracht hij narigheid en verdriet. Verder liepen de Ewe tijdens de jacht allerhande klein grut aan goden tegen het lijf, die de ene keer het wild voor de boog brachten maar morgen de jager expres op een verkeerd spoor zetten.

De ambivalente houding tegenover de goden moge duidelijk zijn. Ewe hadden een handelsmatige relatie met de geesten: geven en nemen, zo hoorde het. Hun goden konden offers krijgen, als ze zich maar wel door het leven van de Ewe heen behulpzaam toonden. Uiteraard hielden de goden zich niet altijd aan die rekening; al te vaak waren offers tevergeefs en werden gezinnen getroffen door ziekten en armoe. Onder zulke belabberde omstandigheden, van noden en inheemse ziekten, kwamen de piëtisten binnen wandelen met een meer betrouwbare god en bovenal natuurlijk met westerse welvaart, met geschenken als katoen en tabak.

Daar lever je nog niet zómaar je eigen goden voor in. Maar sommige Ewe zagen spoedig in dat het christendom hen kon verlossen van de beperkingen van het traditionele bestaan. Van de eigen geesten viel weinig scheutigheid te verwachten. Als de god van de missionaris de welvaart kon schenken die ze elders met eigen ogen hadden aanschouwd, moest het een superieure god zijn. Bekering was hèt vehikel op weg naar het betere leven, met meer zorg, minder verdriet, minder taboes en minder dure goden. Christen-zijn betekende dat je werd opgenomen in de nieuwe elite in deze koloniale samenleving.

Maar bekeren betekende voor de missionaris allereerst dat hij zijn dopelingen, met hun nieuwe christelijke en liefst bijbelse naam, de piëtistische boodschap moest voorhouden. De Ewe moesten weten van duivel en zonde en afstand nemen van hun oude leefwijze.

Meyers onderzoek leert, dat zo'n radicale bekering vrijwel onmogelijk was. Weliswaar begonnen de missionaris en de Ewe elkaar langzaam te begrijpen tijdens een lange conversatie om het begrip 'beschaving' inhoud te geven, maar de Ewe-traditie en de christelijke beschaving, vooral die van een piëtist, verdroegen elkaar niet goed. Het was ook veel gevraagd, die puriteinse moraal in de seksualiteit, een permanente huiver voor de duivel, een voortdurend besef van eigen zondigheid en een onvoorwaardelijk vertrouwen in de Heer. Zo vertrouwden zij hun goden niet.

Hoe leg je uit dat je de weg weet naar de enige ware God? Die missie getuigt van ernstige naïveteit, van de gedachte dat je als vertegenwoordiger van een andere god voorbij kunt gaan aan traditionele belevingen, en de eigen religie kunt presenteren als superieure vervanging voor heidense afgoderij. Om te beginnen: wat is jouw god of jouw hemel in Ewe-taal, of in de vele Ewe-talen zelfs? En Satan? Het begrip 'zonde' of 'kwaad' bij voorbeeld kende geen passend synoniem in Ewe-taal: kwaad haalde je je volgens piëtisten door eigen toedoen op de hals, maar in de ogen van Ewe was het iets dat je overkwam en waar je door reinigende rituelen van verlost kon worden.

Bekeren begint met vertalen. Dat lijkt al een onmogelijke opgave als je al die Ewe-stammen hun dialecten moet verbieden, om ze in één standaard-Ewe te kunnen aanspreken. De Ewe-taal was een heidense jungle, die nodig gecultiveerd moest worden. Heidens was hun hele leven tot dan toe geweest. Of niet soms?

Vooral was het een probleem voor de zendelingen dat de Ewe van die paradoxale situatie doordrongen moesten worden: dat ze niet hun leven lang God hadden aanbeden, maar de duivel hadden gediend. Wie dat ook was. De missionaris moest maar afwachten wat er terecht kwam van de vertaling van zijn boodschap, dat de Ewe louter het Brede pad hadden gevolgd, het pad naar helse vlammen.

Dat veel van deze missie-gangers hun overredingskracht hebben overschat, wordt duidelijk in het vervolg van Meyers betoog. Bekeerd tot God, begonnen de Ewe van twee walletjes te eten. Vooral op het moment dat de nieuwe religie tot dezelfde ellende van weleer leidde. En dat gebeurde niet zelden, want ook missionarissen in Peki waren uiteraard geen bezweerders van bacterie of virus.

De missionaris kon wel voorschrijven dat alle goden van voorheen, dichtbij of uit het woud, onwerkelijk waren, maar dat accepteerden vele Ewe voor de duur dat de nieuwe God hun welgezind was. Bij ziekte of andere tegenslag kon een beroep op een vertrouwde geest, met een offer vaak, geen kwaad. Dan raadpleegde je in het geniep een priester van de oude stempel om naar de prijs voor betere tijden te informeren.

Tegenover die reciproke houding jegens goden, de ruilgedachte van een offer voor een goddelijke gunst, kon de piëtist met de boodschap dat 'alleen Jezus echt geeft' lang niet altijd overtuigen. Vele Ewe wensten zich dan ook niet te bekeren, omdat hun dan de handel met de goden uit handen werd geslagen.

Daarbij hadden ook de Ewe dat menselijke trekje van eerst zien dan geloven. Ziet het hiernamaals van de missionaris er nu werkelijk zoveel beter uit dan het hunne? Beschrijf het dan eens! Anders gezegd: na hun bekering zaten de Ewe twee werelden te vergelijken. Appels met peren, zou de filosoof Quine zeggen, want een directe vertaling van de ene in de andere leefwereld is eenvoudigweg onmogelijk. Goden of godsdiensten naast elkaar zetten is onbegonnen werk, je vertaalt een god van buiten ongemerkt naar eigen snit. In die optiek is de missie van elke prediker op vreemd terrein gedoemd te mislukken. Hij moet niet alleen door taal- maar ook door belevingsbarrières heen.

Toch hebben de Ewe zich Satan heel snel eigen gemaakt. Zij namen gemakkelijk aan dat al die tijd duistere krachten over hen regeerden, en dat zij zich in de rituelen voor de goden in werkelijkheid hadden verkocht aan de duivel: een gladjanus die desnoods dorstige zielen rum aansmeerde. Zo 'verduivelden' de piëtisten andermans goden: in hun oude geloof waren de Ewe permanent in conclaaf geweest met demonen.

Maar die strategie van de piëtisten werkte ook averechts. De Ewe wilden wel accepteren dat de god van de missionarissen superieur was, maar door de nadruk op het duivelse en het kwade in de Ewe-goden werden deze juist in hun bestaan bevestigd. Aan de ene kant leidde bekering dus tot demystificatie van de natuur, maar de diabolisering, de verduiveling van de oude religie, maakte die goden tegelijk springlevend. Mawu mocht dan een satanische bedrieger zijn die, zei een Ewe, “mijn haar rood heeft gekleurd, terwijl mijn baard zwart is”, maar hij bestond wel degelijk.

Met zulke bekeringen konden de misssionarissen allerminst tevreden zijn. Ze klaagden er voortdurend over dat ze bij de Ewe geen 'innerlijke overgave' bespeurden. Ewe praatten na, over God, over de duivel vooral, over zonde en dat ze uit het duister kwamen, maar ze voelden zich niet zondig in eigen persoon. Ze werden meer gedreven door angst voor de duivel dan door het bewustzijn van eigen zondigheid.

Die fascinatie en angst voor de duivel konden de piëtisten natuurlijk zichzelf aanrekenen. Zoals een missionaris zelf eens opmerkte: “Dom volk, die christenen. Als het over de hemel gaat, weet niemand eigenlijk iets te zeggen, gaat het over de duivel, dan heeft iedereen wel wat te vertellen.”

De Ewe lieten de oude religie niet echt achter, maar handhaafden haar min of meer als een soort schaduwreligie voor het christendom. In het openbaar zwegen ze over de traditionele geesten, maar voor menig Ewe school in het ruisen van de bomen evenveel god als in de bijbel.

Sommigen richtten zelfs hun gezin in naar die dubbele religie: vader en het eerst geboren kind werden christen, moeder en de rest van de kinderen lieten zich niet dopen, zodat zij bij ziekten of andere armoe een beroep konden doen op de traditionele geesten. Ook bekeerlingen wilden tijdelijk nog wel eens zaken doen met de goden uit het 'heidendom'.

In wezen bood het piëtistische dualisme van God en de duivel juist de mogelijkheid om de oude geesten serieus te nemen. Ewe distantieerden zich er wel van door in duivelse termen over die goden te spreken, maar in wezen erkenden zij daarmee de realiteit en de kracht ervan, stelt Meyer.

De demonisering en het heimelijk verweven van traditionele belevingen en het nieuwe geloof is een proces dat volgens Meyer niet alleen in Afrika maar wereldwijd zichtbaar is. Een 'lokale toeëigening van de christelijke religie', noemt de promovenda het. Dit tot verdriet van de Duitse zendelingen, die eigenlijk vanaf hun komst tot hun vertrek uit Peki aan het einde van de eerste wereldoorlog geen moment de religieuze beleving van de Ewe konden domineren.

De historie daarna kenmerkt zich door afsplitsingen van de oorspronkelijke zendingskerk, pinksterkerken waarin zich een voortdurende Afrikanisering manifesteert. Tot op de dag van vandaag blijft het beeld van Satan cruciaal, Satan die via familiegoden, heksen en andere geesten permanent het leven bedreigt. Geestuitdrijving en ritueel zijn de religie binnen geslopen. Een Afrikaans christendom. Ooit bezorgd door religieuze betweters, maar het heeft er alle schijn van dat ze indertijd vooral de duivel hebben achtergelaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden