Activisten in Los Angeles tijdens de International Women’s Strike op 8 maart dit jaar.

Analyse Amerikaanse politiek

Socialisme is een scheldwoord in de VS, maar hoe lang nog?

Activisten in Los Angeles tijdens de International Women’s Strike op 8 maart dit jaar. Beeld Getty

Bernie Sanders is nog steeds de enige openlijke socialist onder de Democraten die zich vanaf vanavond in de race storten voor het presidentschap. Socialisme is in de VS vooral een scheldwoord. Maar heel langzaam verandert dat.

 De Republikeinse kiezersonderzoeker Frank Luntz was ontevreden. In het dure hotel in Wenen waar hij verbleef, was de lift al drie dagen stuk. “Alsjeblieft, breng socialisme Europese stijl niet naar Amerika”, smeekte hij vorige week op Twitter.

Mocht het een poging tot ironie zijn geweest, dan was die mislukt. Luntz werd er wereldwijd mee geplaagd: “Wie kent ze niet, die communisten en socialisten die na de machtsovername meteen de liften vernielen”, klonk het uit Duitsland. Uitgescholden vanuit Engeland: “Dit is waarom de hele wereld denkt dat Amerikanen idioten zijn, en bij jou hebben ze een punt”. Ernstig toegesproken door een Amerikaanse journalist: “Echt een domme tweet – beneden je niveau, Frank!”

Misschien was het wel een aanval van bedrijfsblindheid. Frank Luntz, schreef webmagazine Slate, is een meester in het inzetten van met emotie geladen woorden in het politieke debat. Hij was degene die bedacht dat Republikeinse politici het voortaan moesten hebben over ‘doodsbelasting’ in plaats van ‘erfenisbelasting’; over ‘energiewinning’ in plaats van ‘olieboren’ en ‘klimaatverandering’ in plaats van ‘klimaatopwarming’.

En voor de verkiezingen van 2020 lijkt zijn advies aan de campagne-organisatie van Donald Trump te zijn: betitel alles waar je kritiek op wilt hebben als ultralinks, onwerkbaar en afgekeken van landen waar niets deugt, zoals Cuba en Venezuela. Kortom: als socialistisch. In Wenen paste Luntz gewoon zijn eigen advies toe.

‘Republikeinen geloven niet in socialisme, we geloven in vrijheid’

Inderdaad heeft Donald Trump het er de laatste tijd graag over: “Vanavond hernieuwen we ons vaste besluit dat Amerika nooit een socialistisch land zal worden!”, zei hij in februari in zijn State of the Union. En vorige week in Florida, tijdens de officiële startmanifestatie van zijn herverkiezingscampagne voor 2020, noemde hij een stem voor Democraten een stem voor ‘radicaal socialisme’, en getuigde hij: “Republikeinen geloven niet in socialisme, we geloven in vrijheid”.

Dat zal voor zijn aanhang ongetwijfeld gelden, maar onder Amerikanen in het algemeen is dat niet meer zo vanzelfsprekend. En nergens wordt dat duidelijker dan in de strijd om de Democratische nominatie voor het presidentschap.

In 2016 moest de gedoodverfde kandidaat, Hillary Clinton, alle zeilen bijzetten om niet te worden verslagen door een openlijke ‘Democratisch socialist’, senator Bernie Sanders uit Vermont. Maar wat Sanders in de stembureaus niet voor elkaar kreeg, lukte hem en zijn geestdriftige aanhangers daarna wel binnen de partij. Vanavond zullen 10 van de 24 gegadigden voor de Democratische nominatie met elkaar debatteren, morgenavond nog eens tien. Sanders is nog steeds de enige zelfbenoemde socialist onder hen, zijn concurrent op links, Elizabeth Warren, bezweert zelfs dat ze ‘kapitalist tot op het bot’ is. Maar allemaal vinden ze nu dat er een minimumloon van 15 dollar per uur moet komen – iets wat Clinton vier jaar geleden te ver ging – en toegang tot een staatsziekenfonds voor iedereen.

De Democratisch socialist en senator Bernie Sanders in 1991. Beeld CQ-Roll Call Group

Sanders loopt inmiddels alweer verder voor de troepen uit: “We moeten elke man, elke vrouw, elk kind in ons land economische basisrechten garanderen”, zei hij twee weken geleden in een redevoering gewijd aan zijn socialistische gedachtengoed. “Het recht op goede gezondheidszorg, het recht op zo veel onderwijs als nodig is om succes te hebben in onze maatschappij, het recht op een goede baan waar je van kunt leven, het recht op betaalbare huisvesting, het recht op een zeker pensioen en het recht om te leven in een schone omgeving. We moeten erkennen dat in de 21ste eeuw, in het rijkste land in de geschiedenis van de wereld, economische rechten mensenrechten zijn.”

Dat zo’n boodschap aanslaat zou je verwachten in een land waar ziek worden iemand in grote financiële moeilijkheden kan brengen, het gemiddelde salaris lager ligt dan in 1973 en de rijkste 10 procent van de bewoners inmiddels 70 procent van de rijkdom bezit.

Gemeentelijk socialisme

Het is eerder vreemd dat die boodschap nu pas gehoor vindt. Terwijl in veel landen in Europa in de vorige eeuw dankzij sterke arbeiderspartijen een verzorgingsstaat werd opgebouwd, keerde Amerika dat idee met enige afschuw de rug toe.

Maar niet altijd en overal, zegt ­Lawrence Glickman, hoogleraar geschiedenis aan de Cornell universiteit in Ithaca, New York. In 1912 kreeg de presidentskandidaat van de Socialistische Partij, Eugene Debs, bijna een miljoen stemmen, 6 procent van het totaal. Tientallen steden hadden een socialistische burgemeester en zelfs in grote steden waar dat niet zo was, zoals San Francisco en New York, werd een beleid gevoerd dat Glickman ‘gemeentelijk socialisme’ noemt. “Je kon er bijvoorbeeld gratis studeren. Mijn eigen ouders gingen naar de City University of New York; ze kwamen uit arme immigrantengezinnen. Andere universiteiten konden ze niet betalen, maar CUNY kostte toen niets. Dat gaf hun toegang tot de middenklasse.”

Doorbreken in de landelijke politiek deden de socialisten niet, onder andere doordat ondernemers in de VS de rol van vakbonden zoveel mogelijk ontmoedigden. Daardoor konden die niet een sterke arbeiderspartij ondersteunen, zoals Labour in Groot-Brittannië.

President Roosevelt geeft in 1933 uitleg over zijn sociaal en economisch hervormingsprogramma, de New Deal.

Vanaf de jaren dertig, toen president Franklin Delano Roosevelt met zijn New Deal kwam als antwoord op de economische crisis, en tot de jaren zeventig, zag het er echter naar uit dat de VS dezelfde kant op gingen als Europa. Het kroonjuweel van de New Deal was social security, de Amerikaanse versie van de AOW.

“Er was behoorlijke steun onder de bevolking voor een verzorgingsstaat”, zegt Glickman. “Die van ons was altijd wel beperkter, we kregen nooit een algemene ziektekostenverzekering. Maar er was politieke consensus dat een verzorgingsstaat iets waardevols was. Republikeinen en Democraten hadden het over een gemengde economie, waarin niet alleen de vrije markt, maar ook de overheid een rol had.”

Een van de factoren die daar een einde aan maakte, denkt Glickman, was de spanning tussen zwart en wit Amerika. Om precies te zijn: de toenemende toegang van zwarten tot die zo gewaardeerde sociale voorzieningen. “Toen de New Deal werd opgezet, waren veel van die programma’s alleen voor witte Amerikanenen. Niet expliciet, maar ze waren wel zo ingericht. De oudedagsvoorziening gold bijvoorbeeld in het begin niet voor arbeiders in de landbouw en huishoudelijk personeel, net twee sectoren waar Afro-Amerikanen zwaar oververtegenwoordigd waren. Toen zwarte Amerikanen voor hun vrijheid gingen strijden, en progressieve politici de Afro-Amerikanen toegang gaven tot de voorzieningen van de New Deal, hoorde je opeens meer misnoegen onder witte Amerikanenen, kwam er een beweging tegen wat mensen de ‘uit zijn krachten gegroeide verzorgingsstaat’ gingen noemen.”

Na de oorlog kwam het begrip socialisme helemaal in een kwade reuk te staan

Het lijkt tegenstrijdig als mensen zich tegen sociale wetten keren waarvan ze zelf gebruikmaken. Maar dat is een typisch Amerikaans verschijnsel, zegt Glickman: “Amerikanen zien voorzieningen waar ze zelf gebruik van maken niet als iets dat ze van de overheid krijgen. Maar wat andere mensen krijgen, dat zien ze wel als overheidsgeld.”

Het scheldwoord ‘socialisme’ lag voor die kritiek op de verzorgingsstaat al klaar, want dat wordt al ingezet tegen grote overheidsprogramma’s sinds Roosevelt met zijn New Deal kwam. Na de oorlog kwam het begrip helemaal in een kwade reuk te staan, toen de VS de leiding hadden in de geopolitieke krachtmeting met de ‘socialistische landen’: de Sovjet-Unie en haar satellietstaten.

Maar ook zonder de Koude Oorlog zouden de Amerikanen allergisch zijn geworden voor het begrip, denkt Glickman. “Er werd door tegenstanders met kracht beweerd dat Amerikaans progressief beleid, liberalism, onvermijdelijk zou overgaan in een totalitair bewind. De meesten zeiden: ik verwacht geen Sovjet-invasie, en ik denk niet dat de regering vol communisten zit – al had je natuurlijk senator Joseph McCarthy die dat wel zei. Maar de critici zagen gevaar in dat geloof in de gemengde economie: dat de overheid een rol had. Ze vreesden dat die daardoor zou groeien en groeien, en uiteindelijk de vrijheid vernietigen.” Die gedachte kon wortelen doordat er een lange traditie is van wantrouwen tegen de overheid. “Dat gaat al terug tot Thomas Jefferson. Al leert de geschiedenis dat Amerikanen tegelijk ook sterke voorstanders waren van ingrijpen door de overheid in de economie, in de negentiende eeuw al.”

Het is bijna een reflex voor Amerikanen om te denken dat de overheid slecht is

Ook dat is een paradox van het Amerikaanse politieke debat: zonder overheidssteun voor de spoorwegen, en later het op staatskosten aanleggen van het netwerk van snelwegen, was de ontwikkeling van de VS een stuk langzamer gegaan. Maar daar hoor je conservatieven niet over. Na de Tweede Wereldoorlog, zegt Glickman, was Orange County in Californië een brandpunt van de conservatieve strijd tegen een ‘te grote’ overheid, terwijl het district ondertussen leefde van de defensie-industrie. “Laissez faire is in Amerika altijd een mythe geweest”, stelt hij.

Toen Roosevelt met zijn New Deal kwam, konden tegenstanders – organisaties van het bedrijfsleven en conservatieve politici en opiniemakers – inhaken op dat altijd aanwezige wantrouwen. Glickman: “Ook al waren hun bezwaren eigenlijk nieuw, ze konden zeggen: ‘Dit is de traditionele Amerikaanse ideologie, we verdedigen iets dat teruggaat op de stichters van het land’.

“En ook al hebben ze vele politieke gevechten verloren, ze bleven het verkondigen, en daarmee hebben ze de bredere ideologische strijd gewonnen. Want het is nu bijna een reflex voor Amerikanen om te denken dat de overheid slecht is. Zelfs al vinden ze bepaalde programma’s goed, als je ze vraagt naar wat ze van de overheid vinden, spreekt uit hun reactie wantrouwen, of erger.”

Scheldwoord wordt sleets

Behalve bij aanhangers van Bernie Sanders. En mede dankzij zijn zichtbaarheid als ‘Democratisch socialist’ een steeds groter deel van de Amerikaanse kiezers. In een peiling voor website Axios verklaarden eerder deze maand vier van de tien Amerikanen liever in een socialistisch land te willen wonen. Onder vrouwen tussen 18 en 54 jaar was het zelfs een meerderheid: 55 procent. Je zou zeggen dat socialisme als scheldwoord sleets aan het worden is.

Maar daar is Glickman allerminst zeker van. “Ik denk dat je het niet kunt afschrijven, het heeft in het verleden maar al te goed gewerkt. Ik denk wel dat het op zijn laatste benen loopt. In 2018, bij de Congresverkiezingen, probeerden de Republikeinen het te gebruiken en kregen op hun donder. Dus misschien is het volgend jaar wel zo ver. Maar ik zie mijn hele leven al dat in de politieke retoriek angst heel effectief is. En ik zou het vermogen van Trump en zijn partij om angst te zaaien onder de kiezers niet onderschatten.”

Lees ook: 

Wie neemt het op tegen Trump? 

Tijd voor een pikorde in de democratische kippenren. 

Een steeds populairder idee in de VS: meer belasting voor de rijken

Pak de rijken aan met hogere belastingen. Een meerderheid van de burgers in de VS wil dat, een club van miljonairs – trotse ‘verraders van hun klasse’ – lobbyt er hard voor. Langzaam maar zeker wordt het een politiek thema.

Kan Beto O’Rourke op charisma president worden?

Als je de presidentsverkiezingen op charisma alleen kunt winnen, dan is Beto O’Rourke misschien wel de sterkste troef van de Democraten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden