Sociale bescherming heeft ook economische meerwaarde

De auteur is minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

DRS. A. P. W. MELKERT

Werkloosheid is niet het voorbestemde resultaat van processen als de toeneming van harde, wereldwijde concurrentie ('globalisering') en technologische vooruitgang, maar van keuzes op het gebied van het sociaal-economisch beleid en de wijze waarop de samenleving is ingericht.

Nu bovendien de vooruitzichten voor economische groei gunstig zijn, ontstaat meer ruimte voor deze fundamentele benadering. Pijnlijk zichtbaar is dat de stijgende werkgelegenheid de langdurige werkloosheid niet of nauwelijks heeft verminderd. Het tij beweegt zich naar een nieuw evenwicht tussen staat en markt, met meer verantwoordelijkheid voor de overheid, gericht op investeringen en werkgelegenheid. En met meer ruimte voor de markt in de wereldhandel, waar regels die dienen om het eigenbelang af te schermen en ongelijke verhoudingen te bevestigen, moeten worden afgeschaft.

Evenwicht Dit is een aanmerkelijk verschil met de hoofdstroom die het economische en politieke denken in de jaren tachtig domineerde. De expansie via de markt is ten koste gegaan van investeringen en zorg door de staat. Inmiddels wint het besef terrein dat een gezond evenwicht tussen publiek en privaat domein doorslaggevend is voor houdbare welvaart. Het is een ethische plicht om marginalisering en uitsluiting van kanslozen tegen te gaan. Dit is tegelijk een concurrentiefactor voor economische prestatie.

Het internationale draagvlak voor deze benadering groeit. De Sociale Top, die volgende week in Kopenhagen regeringsleiders uit de hele wereld bijeenbrengt om de nieuwe agenda van sociale cohesie vast te stellen, markeert deze trendbreuk. Nadat decennia lang de Verenigde Naties gebiologeerd zijn geweest door de Koude Oorlog en het klassieke Noord-Zuid-conflict, komt nu de mens zelf steeds meer in beeld. Via de Kindertop en de Bevolkingsconferentie (Caïro) naar de Sociale Top en de Wereldvrouwenconferentie (Beijing, september). Het doel: investeren in menselijke bronnen, bestuurlijk vermogen, nationale verantwoordelijkheid en sociaal en economisch evenwicht. Deze begrippen gaan schuil achter het kernbegrip good governance.

Kopenhagen biedt zo de kans om het grote afschuiven van verantwoordelijkheid dat te vaak het internationale confereren beheerst, te verhinderen. Het gaat er nu allereerst om orde op zaken te stellen in eigen beheer. Dat is relevant voor ontwikkelingslanden, die zich niet alleen kunnen beroepen op afhankelijkheid van hulp uit het Westen. Het is ook van belang voor geïndustrialiseerde staten, die zich meer moeten richten op het voorkomen van sociale uitsluiting die sluipend hun samenleving ondermijnt.

Dit is ook de krachtigste aansporing voor Nederland in zijn bijdrage aan Kopenhagen en in het eigen beleid. Zo is ook het 20/20-concept ingebracht: donorlanden en ontvangende landen komen overeen dat 20 procent van de hulp bestemd is voor sociale doeleinden. Tegelijk wordt afgesproken dat de ontvangende landen 20 procent van hun nationale overheidsuitgaven aan deze doeleinden besteden.

De ethische dimensie die onder meer wordt verwoord door de kerken is een ander aspect. In een recent document van de samenwerkende kerkelijke organisaties op het gebied van sociale vragen werd de internationale tendens tot uitsluiting en tweedeling gesignaleerd. Volgens deze organisaties is gericht beleid nodig in nieuwe bondgenootschappen tussen uitgeslotenen en mensen die zich hun lot aantrekken. De economische dimensie wordt verder gefundeerd in het reeds genoemde rapport van de ILO.

In de analyse van de problematiek van de werkloosheid in de westerse landen bespreekt het ILO-rapport verschillende mogelijke oorzaken van de hoge werkloosheid in met name de Westeuropese landen. Sterke deregulering en een terugtredende overheid waren de adagia uit de jaren tachtig, maar zij hebben het echte probleem van de arbeids- en inkomensperspectieven voor laag betaalden niet opgelost. Het geluid van de ILO in haar rapport is opvallend: de rol van (de)regulering in de bestrijding van de werkloosheid is beperkt. Volgens de ILO worden de positieve kanten van regulering vaak over het hoofd gezien. Het bewijs voor de belemmerende effecten van regulering acht de ILO veelal mager, bij voorbeeld op het punt van ontslagrecht, minimumlonen en algemeen verbindend verklaren van cao's.

Integendeel: deze vormen van bescherming bieden zekerheid en werken derhalve stabiliserend en groeibevorderend. Soms komen landen met verschillende sociaal-economische systemen tot vergelijkbare resultaten op het gebied van werkgelegenheid en werkloosheid. De ILO concludeert dan ook dat het twijfelachtig is dat regulering van de arbeidsmarkt de belangrijkste belemmering voor banencreatie is. De ILO verwijst daarbij naar het rapport van het McKinsey Global Institute Employment Performance uit 1994. In dat rapport wordt de conclusie getrokken dat beperkingen op de markten voor produkten net zo belangrijk, zo niet belangrijker zijn dan belemmeringen op de arbeidsmarkt om de relatief lage werkgelegenheidsgroei in Europa ten opzichte van de Verenigde Staten te verklaren.

Vrijere keuzes De ILO veegt de negatieve effecten van sommige regels op de arbeidsmarkt overigens niet onder het tapijt. Op enkele punten is het volgens de ILO raadzaam arbeidsmarktregulering in de geïndustrialiseerde landen aan te passen. Werkenden zouden vrijere keuzes moeten worden geboden om zelf te bepalen hoeveel uren en wanneer zij willen werken. Er zouden meer mogelijkheden moeten zijn voor opleidingen tijdens het werkzame leven. Vooral de positie van lager opgeleiden verdient daarbij aandacht. Voor lager opgeleiden kunnen de relatief hoge loonkosten wel een probleem vormen voor hun kansen op een baan. De Nederlandse regering pakt dit aan door de arbeidskosten in het onderste segment van de arbeidsmarkt te verlagen, door subsidies voor specifieke groepen, inschakeling van langdurig werklozen via directe banencreatie of mogelijke vormen van dienstencheques; maar vooral via het wegwerken van de werkgeverslasten op het niveau van het minimumloon en vlak daarboven.

De ILO voegt daaraan toe dat de werkloosheidsbestrijding het meest is gebaat bij een internationaal gecoördineerd sociaal-economisch, budgettair en monetair beleid. Institutionele veranderingen die resulteren in een betere coördinatie van sociaal-economisch beleid kunnen bevorderen dat de sociale en economische winst elkaar versterken in plaats van tegenwerken. Tegelijk concludeert de ILO dat vrijere internationale handel voor alle deelnemers voordelen oplevert. Dus zijn buitenlandse investeringen positief. Deze verdienen een betere spreiding onder de ontwikkelingslanden. Zo kan worden voorkomen dat de voordelen van de toenemende internationale handel bij een beperkte groep landen terechtkomt. De VN-top over sociale ontwikkeling is volgens de ILO een goede gelegenheid voor de internationale gemeenschap om het commitment aan volledige werkgelegenheid nog eens te onderstrepen en het belang aan te geven van nieuwe initiatieven om het werkgelegenheidsprobleem op wereldniveau en de daaruit voortvloeiende sociale problemen aan te pakken.

Overheidsingrijpen, en zo ook arbeidsmarktregulering, is in de regel ingevoerd om sociale bescherming te waarborgen voor zwakkere partijen op de arbeidsmarkt, maar ook om voorwaarden voor eerlijke concurrentie te scheppen. Markt en overheid hebben een eigen rol, met eigen mogelijkheden en beperkingen.

Voor beide rollen moeten we zoeken naar een nieuw evenwicht, zoals ook in het regeerakkoord al tot uiting kwam. Sociale bescherming is niet alleen normatief geïnspireerd, maar heeft ook economische meerwaarde. Waar regels van de overheid niet meer nodig zijn, kan deregulering winst opleveren in termen van werkgelegenheid. Waar de marktpartijen een duwtje in de rug nodig hebben, kan de overheid stimuleren, zoals bij herverdeling van arbeid. Waar de markt niet de maatschappelijk gewenste resultaten oplevert, dient de overheid actief in te grijpen, bijvoorbeeld bij de inschakeling van langdurig werklozen. De ondergrenzen aan sociale bescherming mogen daarbij niet uit het oog worden verloren. Ook de Sociale Top kiest dit uitgangspunt. In het slotdocument van de Sociale Top wordt met zoveel woorden erkend dat het de primaire rol van de staat is om de sociaal-economische doeleinden van doelmatigheid en rechtvaardigheid te realiseren.

Dit vergt een herijking, niet alleen in de betrekkingen tussen donoren en hulpontvangers, maar ook in de sociaal-economische verhoudingen in ieder land afzonderlijk. Herijking dus ook van de kwaliteit van de inkomensoverdrachten en regels, zowel tussen als binnen landen. Ter voorkoming van sociale uitsluiting, of het nu gaat om afgeschreven economieën of om buitengesloten burgers. De humane agenda kan zo verder tot de markt doordringen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden