Sociaal-democratie kan niet zonder 'ideologische veren'

Voor de sociaal-democratie is het belang van een uitgewerkte 'Weltanschauung' of maatschappijvisie groter dan voor bijvoorbeeld de christendemocratie of de liberalen. Als te veel 'ideologische veren worden afgeschud' zonder dat daar nieuwe voor in de plaats komen, betekent dat onherroepelijk de ondergang van de sociaal-democratie, oordeelt politicoloog Ruud Koole. Dit is een door ons ingekorte versie van de lezing die Ruud Koole, verbonden aan de vakgroep politieke wetenschap van de rijksuniversiteit Leiden, onlangs hield voor de gespreksgroep geschiedenis an de Wiardi Beckman Stichting.

RUUD KOOLE

De tijd van de polarisatiestrategie van de jaren zeventig ligt ver achter ons. Pragmatische politiek en gerichtheid op consensus zijn de belangrijkste kenmerken van de dominante politieke cultuur van vandaag en het paarse kabinet spant in dit opzicht de kroon.

In een dergelijke sfeer lijkt het opstellen van een beginselprogramma door een politieke partij op zijn best iets van voorbije tijden en op zijn slechtst op een instrument van traditionele ideologen die zich willen verzetten tegen de moderne tijdgeest. Zo bezien kan “het afschudden van ideologische veren voor een politieke partij .. in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring” zijn, zoals premier Kok vorig jaar zei in zijn Den Uyl-lezing. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist in de Partij van de Arbeid enig geharrewar is ontstaan over de wenselijkheid van het opstellen van een nieuw beginselprogramma hoewel het partijcongres daar in 1992 reeds toe besloten had. De fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Wallage, heeft zich onlangs echter onomwonden uitgesproken voor de totstandkoming van een nieuw beginselprogramma en het zojuist gepubliceerde Jaarboek voor het democratisch socialisme is één pleidooi voor het opstellen van een programma dat in de plaats komt van het erg gedateerde beginselprogramma uit de radicale jaren zeventig.

Maar wat is nu precies het belang van een beginselprogramma en is dat belang even groot voor elke partij?

Wanneer wij kijken naar sociaal-democratische partijen in andere West-Europese landen, dan valt op hoezeer die partijen bezig zijn met een 'moeizaam proces van ideologische heroriëntatie en vernieuwing'. Van Kersbergen noemt in het Jaarboek vier prikkels die een dergelijk proces stimuleren: 1. het verlies van kiezers; 2 het ideologisch succes van het neoliberalisme; 3. de noodzaak nieuwe maatschappelijke vraagstukken, zoals milieubescherming, te integreren in het ideologisch profiel; 4. de teloorgang van het Keynesianisme en de crisis van de verzorgingsstaat.

Ik denk dat Van Kersbergen daar gelijk in heeft. Maar niet alleen de sociaal-democratie wordt met dergelijke of andere ingrijpende kwesties geconfronteerd. En daarom is het beeld dat bij uitstek de sociaal-democratie overal in West-Europa in crisis zou zijn, onvolledig. Een belangrijke verklaring waarom de worsteling van juist de sociaal-democratie met dergelijke kwesties vrijwel overal kan worden waargenomen ligt in een even banaal als belangrijk gegeven, namelijk dat in vrijwel elk Europees land een belangrijke sociaal-democratische partij bestaat. Dat geldt niet voor partijen uit andere politieke families, zoals christen-democratische, conservatieve, gaullistishe, liberale of groene stromingen. Ook die partijen worden met grote maatschappelijke vraagstukken geconfronteerd, waarop zij niet diret een antwoord hebben, maar hun 'crisis' is altijd minder wijd verbreid dan die van de alom tegenwoordige sociaal-democratie.

Ongeëvenaard

Er is echter een belangrijke reden waarom juist de beginseldiscussie in sociaal-democratische gelederen vaak de aandacht trekt. Dat is namelijk het ongeëvenaarde belang van een beginseldiscussie voor de sociaal-democratie. Mijn stelling is dat het belang van een uitgewerkte Weltanschauung of maatschappijvisie voor de sociaal-democratie groter is dan voor bijvoorbeeld de christendemocratie of de liberalen.

Waar andere partijen konden terugvallen op buiten de politiek gelegen legitimeringsbronnen, heeft de sociaal-democratie het steeds uitsluitend moeten hebben van haar politieke project zelf. Vanuit dat politieke project zijn weliswaar pogingen ondernomen om een socialistische culturele beweging van de grond te krijgen, maar deze beweging heeft zonder de aanwezigheid van een politiek project nooit zelfstandig kunnen bestaan. Vooral daarom is de formulering van beginselen en uitgewerkte ideeën, al dan niet opgenomen in een formeel programma, steeds van essentieel belang geweest voor het voortbestaan en het succes van de sociaal-democratie. Confessionele partijen konden altijd refereren aan godsdienstige waarden, ook al varieerde de intensiteit van de betrekkingen met de verschillende kerken. De verdediging van liberale ideeën is nooit beperkt gebleven tot politieke partijen. Dagbladen, universiteiten en de handelswereld, bijvoorbeeld, verdedigden liberale beginselen zonder zich te bekennen tot specifieke partijen. De sociaal-democratie beschikte nooit over een dergelijke 'voorprogrammatische algemene opinie', zoals de historicus Kossmann het heeft aangeduid.

De afwezigheid van een doortimmerde principiële plaatsbepaling leidt daarom bij een sociaal-democratische partij veel eerder tot een crisis dan bij andere partijen, juist omdat zij de veiligheidsgordel van die 'voorprogrammatische algemene opinie' ontbeert. Zeker, door de voortgezette secularisatie moeten nu ook confessionele of christen-democratische partijen een grotere inspanning leveren dan voorheen, maar nog steeds kunnen zij appelleren aan godsdienstig geïnspireerde waarden, die zijzelf niet als enigen behoeven te reproduceren. Hun 'zinbronnen' liggen nog steeds voor een belangrijk deel buiten de partij. Het (economisch) liberalisme beleeft momenteel zowel natioaal als internationaal een tweede jeugd, ook buiten de liberale partijen. Toonaangevende internationale opiniebladen als The Economist en gezaghebbende internationale organisaties als het IMF of de Wereldbank (re)produceren liberale opinies. Daardoor kunnen VVD en D66 zich inderdaad de luxe perimitteren zich niet al te zeer over 'ideologische' vragen te bekreunen, al bekruipt sommige (conservatieve) liberalen nu het ongemakkelijke gevoel van een teloorgaan van tot dusver vanzelfsprekend geachte morele waarden.

Voor de PvdA geldt dit in veel mindere mate. Als sociaal-democratische partij moet zij het hebben van haar politieke project zelf, dat bovendien 'van nature' tamelijk ambitieus is. Weliswaar is haar gedachtengoed net als dat van de liberalen terug te voeren op de ideeën van de Verlichting, maar anders dan het liberalisme (het vroegere radicale liberalisme uitgezonderd) heeft de sociaal-democratie nooit genoegen genomen met de verwezenlijking van 'negatieve vrijheden'; de niet-inmenging van de staat bij zaken als de vrijheid van vergadering, betoging, meningsuiting en godsdienst. De sociaal-democratie gaat er van oorsprong vanuit dat naast deze 'negatieve vrijheden' ook een aantal'positieve vrijheden' moet worden verwezenlijkt, wil er echt sprake zijn van een 'vrije mens'. Vooral op soiaal-economisch terrein bracht deze visie een actieve overheid met zich mee, die nu juist wel intervenieert in de samenleving, omdat het 'vrije spel der maatschappelijke krachten' volgens de sociaal-democratie onrechtvaardige verhoudingnen schept of bestendigt. Over 'negatieve vrijheden' is makkelijker overeenstemming te bereiken dan over 'positieve vrijheden'. Vandaar dat het liberalisme veel meer dan de sociaal-democratie kan terugvallen op een ook buiten de politiek bestaande consensus op dit punt. Het politieke project van de sociaal-demoratie is daarom de rechtvaardiging van haar bestaan. Indien te veel 'ideologische veren worden afgeschud', zonder dat daar nieuwe voor in de plaats komen, betekent dat onherroepelijk de ondergang van de sociaal-democratie.

Beginselprogramma's hebben niet voor alle partijen een gelijke betekenis, dat moge uit het voorgaande duidelijk zijn geweorden. Wèl hebben die partijen alle steeds geprobeerd hun beginselen aan te passen aan structureel veranderende osmtandigheden. In die zin zijn beginselprogramma's nooit gesloten ideologische systemen geweest, hoewel er wel variatie was tussen partijen.

Het beginselprogramma van de PvdA uit 1977 was in dit opzicht een gemiste kans. Niet omdat het slechts reflecteerde wat er de afgelopen tijd in de partij aan gedachten naar voren was gebracht, maar omdat de PvdA zich destijds kennelijk zo weinig had afgevraagd hoe de voornaamste opdracht van de sociaal-democratie, het organiseren van de solidariteit tussen de arbeiders- en de middenklasse, vorm kon worden gegeven in een ontzuilde en steeds meer door internationale ontwikkelingen bepaalde samenleving. Pas in de jaren tachtig werden, met name vanuit de Wiardi Beckmanstichting, pogingen ondernomen hierin verandering aan te brengen. De aandacht ging echter in eerste instantie uit naar het te ver doorgeschoten étatisme in de partij. Kritiek daarop correspondeerde met het opkomende neo-liberale klimaat in die jaren. Ook het CDA onderging daarvan duidelijke invloeden. En D66 is duidelijk een liberale partij geworden (ook in economisch opzicht) ondanks de weerzin tegen het hebben van een etiket. Bijgevolg namen de ideologische verschillen tussen de grote paritjen af, zonder evenwel geheel te verdwijnen. Dat is iets anders dan ont-ideologisering. Er is veeleer sprake van ideologische convergentie. Zoals de Fabians aan het eind van de vorige eeuw de ontstane consensus in Groot-Brittannië aanduidden met de frase 'We are all socialists now' zou het afgelopen decennium met enige overdrijvig getypeerd kunnen worden met de leuze 'We zijn nu allemaal liberalen'.

Intussen lijkt het neo-liberale tij te keren. De verschillen tussen de grote partijen, die er toch altijd wel bestonden, maar ondergesneeuwd waren geraakt door een technocratisch-financieel debat, kunnen daardoor weer meer over het voetlicht komen. Vooral op het terrein van de sociale zekerheid tekenen zich weer duidelijke verschillen af. En de recente roep om samenbindende waarden in een steeds meer geatomiseerde samenleving biedt mogelijkheden tot een groter onderscheid tussen partijen.

Een zekere 're-ideologisering' behoort mijns inziens zeker tot de mogeliijkheden, waarbij ideologie niet verstaan dient te worden als een star stelsel van achterhaalde beginselen, maar als een richtinggevende lijst van normatieve (en ethisch geïnspireerde) prioriteiten, waarmee een partij zich van andere onderscheidt. De marges zijn smal, zeker, maar niet afwezig.

Hebben de politieke partijen een 're-ideologisering' nodig voor hunvoortbestaan? Ik denk inderdaad dat langdurig succes voorbehouden is aan partijen die niet afhankelijk zijn van een enkel modieus thema of van het charisma van een bepaalde politieke leider. Maar issues en personen zijn wel steeds belangrijker geworden in de electorale strijd om de in aantal toegenomen zwevende kiezers. Daarom zullen ook 'ideologische' partijen geconfronteerd worden met fluctuaties in hun werfkracht bij de kiezers. Hun organisatievorm en stijl van opereren zullen er door veranderen Door hun ideologisch profiel kunnen zij zich echter, ondanks hun kwetsbaarheid, door electoraal moeilijke tijden heen slaan. Dat vereist onderhoud van dat profiel met name door de sociaal-democraten. De groei van het aantal zwevende kiezers maakt de kans groter dat single issue- of protestpartijen tijdelijk succes hebben. De ruimte in het partijstelsel voor 'ideologische' partijen is er wellicht door verkleind. Maar zowel voor het goed functioneren van een vitale democratie (kiezers moeten iets te kiezen hebben) als voor de stabiliteit van het politieke stelsel is hun aanwezigheid zeer gewenst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden