Sobere kunstenaar uitte zich in kleuren

Vijfentwintig jaar geleden overleed kunstenaar Bram van Velde (1895-1981). Voor het Dordrechts Museum aanleiding om een overzicht te maken van zijn werk. Daarbij zijn schilderijen die nog niet eerder in Nederland te zien zijn geweest. De sober levende Van Velde brak pas na zijn zestigste door.

Je wordt niet vrolijk van het levensverhaal van de kunstenaar Bram van Velde. Toch kregen het armoedige bestaan, de vroege dood van zijn echtgenote en het uitblijven van erkenning hem er nooit onder. Ook onder de meest miserabele omstandigheden bleef Van Velde geloven in zichzelf en weigerde hij werk te maken dat gemakkelijk verkoopbaar was.

Dat geeft ook weer iets heroïsch en romantisch aan zijn levensgeschiedenis, die op de valreep toch een positieve wending kreeg. Toen hij de zestig al was gepasseerd, beleefde Van Velde eindelijk zijn grote doorbraak. Maar ook toen bleef hij sober leven, zonder verwarming in zijn atelier. Hij had zijn hele leven genoeg aan zijn schilderijen.

Van Velde is in Zoeterwoude geboren, maar je kunt hem nauwelijks een Nederlandse schilder noemen. Zijn eerste ’echte’ werk maakte hij in 1922 in de Duitse kunstenaarskolonie Worpswede en vanaf 1924 heeft hij zijn verdere leven voornamelijk in Frankrijk doorgebracht. Bram van Velde oogde, getuige foto’s op de expositie in het Dordrechts Museum, ook als een echt Frans meneertje inclusief alpinopet. Het grootste deel van zijn oeuvre bevindt zich in Franse musea en buitenlandse particuliere collecties.

’De kracht van kleur’ heet de tentoonstelling in Dordrecht, een verwijzing naar de felle en lichte kleuren die zijn werk domineren. Omdat hij als jongen al mooi kan tekenen, sturen zijn straatarme ouders hem na de lagere school naar het schildersbedrijf Kramers dat voor de hogere kringen in Den Haag werkt en ook decoratiewerk aanneemt.

Bram van Velde begint met het maken van stopverf, maar leert er ook verven, kleuren samenstellen en met penseel en kwast omgaan. Als er aan het begin van de Eerste Wereldoorlog weinig werk is, mag hij landschappen en bloemstillevens aquarelleren op lampenkappen en hoedendozen. Zijn baas, Eduard Kramers, een liefhebber van kunst, muziek, toneel en literatuur, laat hem schilderles nemen als hij ziet dat de jongen talent heeft.

Van Velde krijgt ook een tijdje vioolles, gaat naar toneel en opera en leest de romans van Oscar Wilde, Charles Dickens en Dostojewski. Ook gaat hij naar het Mauritshuis om portretten van Rembrandt na te schilderen en maakt hij schilderijen die lijken ontleend aan het werk van Vincent van Gogh, zijn favoriete schilder.

Om zich verder te bekwamen als kunstschilder, vertrekt Van Velde in 1922 naar Duitsland, met financiële steun van zijn werkgever Kramers, die zich in de jaren erna zal ontpoppen tot een echte mecenas. In de jaren dertig, als de economische crisis toeslaat, moet Kramers noodgedwongen de geldkraan dichtdraaien. Over de bijzondere band met Kramers en ook over die met zijn latere steun en toeverlaat Jacques Putman komen we veel te weten, dankzij de brieven die ze elkaar schreven en waarvan een aantal is opgenomen in de expositie. Kramers is het lang niet altijd eens met de ontwikkeling die zijn pupil doormaakt.

Al heel snel kiest Van Velde, die in Nederland overwegend donkere kleuren gebruikte, in Duitsland voor felle kleuren, onder invloed van het expressionisme. Hij schrijft Kramers dat hij niet meer tevreden is met de donkere verftubes en ambers en okers die deze hem toestuurt.

Zijn stijl wordt vrijer en losser en één van de meest krachtige werken uit deze periode is een schilderij van Worpswede in de sneeuw met op de voorgrond twee donkere figuren, de hoofden in rood en groen en met sterk uitvergrote oogkassen. Zelf vindt hij zijn werk er enorm op vooruitgegaan en heeft hij het gevoel dat hij tot een dramatische expressie is gekomen. Kramers heeft moeite met het ’gewild slordige’, maar volgens Van Velde zit zijn mecenas nog gevangen in het ’technisch conventionele, wat met het wezen der kunst niets te maken heeft’.

Al snel vindt Van Velde dat hij niet verder komt en naar Parijs moet. Samen met de Duitse kunstenares Lilly Klöker, zijn latere echtgenote, vertrekt hij in september 1924 naar de Franse hoofdstad. Kramers reageert kritisch. Hij is ook niet te spreken over een aantal werken die hij kort daarvoor uit Worpswede heeft ontvangen. Hij typeert die als ’in het klad schilderen’. „Ik heb nog geloof in je omdat ik ken je aangeboren schildersgaven (...) maar in deze kunst van jou, je figuren en portretten, vond ik je bitter en ijzig koud, stroef, zonder de geringste poging tot behagen, maar het is afstotend en dat kan geen toekomst zijn.”

Van Velde heeft het niet gemakkelijk in Parijs en verkoopt nauwelijks schilderijen, maar hij ervaart het als een verrijkende periode omdat hij het werk van Matisse leert kennen. Onder diens invloed experimenteert hij met kaders, het stilleven aan de binnenkant van het venster en het uitzicht van het raam. Ook duiken er kubistische elementen op in zijn schilderijen. Zo beeldt hij de stad af als een opeenstapeling van hoekige vlakken.

In zijn brieven aan Kramers lees je terug hoe hij worstelt om los te raken van de zichtbare werkelijkheid en te komen tot een steeds verdere abstractie, waarbij de spontane handeling van het schilderen centraal staat. Deze brieven vormen een welkome aanvulling op de expositie, die daardoor ook aantrekkelijk en toegankelijk wordt voor mensen die moeite hebben met abstracte kunst.

In het najaar van 1932 reist Van Velde met Lilly naar Mallorca, omdat Parijs te duur wordt. Zijn werk is onverkoopbaar en Kramers kan hem als gevolg van de economische crisis niet meer onderhouden. Er breken moeilijke jaren aan met als dieptepunt het overlijden van Lilly als gevolg van een verkeerd uitgevoerde operatie, kort na het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog. In totale ontreddering gaat Van Velde terug naar Parijs met zeven doeken die hij heeft kunnen redden.

Een lichtpuntje is zijn vriendschap met de schrijver Samuel Beckett, die na de Tweede Wereldoorlog met artikelen over het werk van Bram van Velde ook zal bijdragen aan zijn latere roem. Beckett voelt zich verwant met Van Velde in zijn worsteling ’het ondefinieerbare’ uit te drukken.

Na de oorlog worden zijn doeken nagenoeg geheel abstract, waarin soms nog iets van een mensfiguur, vogelkop en masker is te herkennen. Toch slaagt hij erin zijn werk nog steeds verder te ’vereenvoudigen’, niet alleen in vorm, maar ook in kleur. In zijn latere werk gebruikt hij ook veel minder kleuren: zwart, grijs en wit in talloze nuances, ontstaan door het telkens weer toevoegen van nieuwe laagjes sterk verdunde verf. „Het vloeiende trekt me aan. Het leven is vloeiend, niet vast. Men moet erin duiken”, zegt hij in 1980, een jaar voor zijn dood.

Het heeft lang geduurd voordat Van Velde echt erkend werd, ondanks belangrijke tentoonstellingen in Frankrijk, Bern en New York. Vaak werd zijn werk niet begrepen. Men vond hem te eigenzinnig en daar kwam bij dat hij geen vlotte prater was. Hij uitte zich in zijn schilderijen. Hij kreeg pas in brede kring meer belangstelling toen schilders als Willem de Kooning (met wie Van Velde vaak vergeleken wordt) hun bewondering uitten voor de kracht van zijn kleuren.

Tot het laatst toe bleef Van Velde zoeken naar nieuwe beelden. „Ik zoek mijn eigen geheim. U en ik kunnen dat niet kennen, maar door mijn schilderkunst is ’t of ik ’t nader. ’t Is of ik langzaam nader kom, op de punt van mijn tenen, bij dat onbekende dat ik wil verrassen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden