Sneuvelen voor Nederland, voor niets

Meer dan 25000 Nederlandse militairen van landmacht, marine en luchtmacht hebben dienst gedaan in Nieuw-Guinea. Het Legermuseum in Delft publiceert deze week een boek over de militaire geschiedenis van de kolonie. Daarin staat ook het weinig bekende verhaal van de Papoea's die dienden in het koloniale leger. Ze kwamen bedrogen uit.

Telkens als er Nederlandse militairen in Hollandia arriveerden, stonden opgeschoten Papoea-jongens langs de kade nieuwsgierig te kijken naar die bleke mannen. 'Baroes; nieuwe!', riepen ze dan lachend. Demian Prawar, nu 59 jaar, was een van die jongens. ,,Ik dacht toen al: wij zijn toch met genoeg om ons land zelf te verdedigen? Met Nederlandse officieren kunnen we de manschappen toch zelf leveren, in plaats van ze uit Nederland te laten komen?''

Demian Prawar trad in 1960 toe tot het Papoea Vrijwilligerskorps (PVK). Dat lukte alleen door te jokken over zijn leeftijd. Hij was pas 16 jaar, maar deed zich met succes voor als 20-jarige. Zo graag wilde Prawar bij het korps, dat hij beschouwde als ,,de voorloper van ons eigen nationale leger''. Hij geloofde dat Nieuw-Guinea onafhankelijk zou worden. ,,De vlag was al gekozen, we hadden al een volkslied, dus die onafhankelijkheid zou ook wel komen.''

Het Papoea Vrijwilligerskorps diende als versterking van de Nederlandse militairen van landmacht en Korps Mariniers. De Nederlanders konden wel wat hulp gebruiken. Eind jaren vijftig maakten infiltranten uit Indonesië Nederlands Nieuw-Guinea onveilig. Indonesië eiste Nieuw-Guinea op, de Nederlandse kolonie moest deel worden van de jonge republiek Indonesië. De Papoea's hielpen bij de verdediging. Zij kenden immers hun eigen land -al was het een kolonie- beter dan de jongens uit Nederland. ,,Die zagen een hagedis nog aan voor een krokodil'', lacht Prawar.

Nederland had al eerder Papoea-militairen ingezet om Nederlands Nieuw-Guinea te beveiligen. Tussen 1945 en 1955 deed het 'Papoea-bataljon' dienst. Op het hoogtepunt telde het bataljon zo'n duizend militairen. Pieter de Kock (84), een Ambonese militair, was onderofficier in dat bataljon. Hij vertelt dat hij door kolonel Spoor, de latere bevelhebber van het Nederlands leger in Indië, werd gevraagd voor de fucntie. ,,Ik werd direct bevorderd tot sergeant-majoor. Spoor mocht mij graag vanwege de guerilla tegen de Jappen.''

De Kock had tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uitgemaakt van de Knil-eenheid die in de jungle van Nieuw-Guinea dertig maanden lang guerilla voerde tegen Japanse troepen. ,,In Nederland is het leger al na vijf dagen gecapituleerd, maar wij hebben de vlag gedurende de hele oorlog in Zuidoost-Azië overeind gehouden.'' De guerillastrijd was een onvoorstelbaar zware periode die ook bij De Kock sporen naliet. ,,Van de 66 man met wie we het binnenland van de Vogelkop in waren getrokken, waren er na de oorlog nog veertien over. Psychisch ben je dan een wrak.''

Na de oorlog trad Pieter de Kock toe tot het Papoea-bataljon, onder leiding van majoor J.P.K. van Eechoud. De Ambonees De Kock kon goed met de Papoea's overweg. Hij had voor de oorlog al in het Vogelkop-gebied gewerkt. ,,Ik kon de Papoea's beter begrijpen dan andere onderofficieren omdat ik hun cultuur en gewoontes kende. Het kader bestond uit een Ambonees, een Javaan en een Sumatraan, maar dat gaf geen problemen met de Papoea's. We leefden in spanning en hadden geen tijd om over dat soort dingen na te denken.''

Bij de kustplaats Sarmi kreeg De Kock na de Japanse capitulatie het bevel over 150 man. Aan de overkant van de Tor-rivier zaten nog steeds Japanse militairen. Het Amerikaanse leger was al verder getrokken. Getalsmatig was het een bizarre situatie: tegenover de Papoea-eenheid van honderdvijftig man, stonden zo'n tienduizend Japanse militairen. ,,Er zijn geen confrontaties geweest, maar als de Jappen hadden geweten dat we met zo weinigen waren, was het anders afgelopen. We waren een zenuwinzinking nabij.'' De Japanners gaven zich pas in oktober 1945 over, twee maanden na de officiële capitulatie.

De Japanners wilden niet met De Kock en zijn eveneens gekleurde Amerikaanse collega-commandant onderhandelen. ,,We were not in war with the black people'', was de ongelovige reactie van Japanse kant bij het zien van De Kock en zijn Amerikaanse collega. De blanke majoor Van Eechoud moest eraan te pas komen om de overgave rond te maken.

Na de oorlog kwam het Papoea-bataljon onder leiding te staan van kader van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil). Dat klikte beduidend minder goed met de Papoea-manschappen. De Kock: ,,De houding van die Knil'ers was te militaristisch, ze hadden een andere mentaliteit. Vanuit de oorlog waren veel Papoea-jongens de guerilla gewend: sluipen, eventjes wachten, schieten en dan weer terugtrekken. Daar moet je niet mee gaan exerceren.''

De Kock leidde de wederopbouw van Sarmi met behulp van Japanse soldaten en materieel. Hij stapte in 1946 over naar het binnenlands bestuur in Sorong, opnieuw op verzoek van Van Eechoud, die inmiddels resident van Nieuw-Guinea was geworden. ,,Het bestuurswerk sprak me toch meer aan dan het militaire bedrijf.''

Het Papoea-bataljon bleef -op het laatst niet groter dan een compagnie- tot 1954 bestaan. Demian Prawar kende het bataljon via zijn oom Mattheüs bij wie hij in Biak weleens logeerde. ,,Na 1954 kregen we van oom geen snoepjes meer'', herinnert Demian zich. Oom Mattheüs had weinig op met de Nederlanders, omdat ze het bataljon hadden ontbonden zonder een behoorlijke regeling voor de Papoea-militairen. ,,Mijn oom zei: 'Je hoeft niet bij het Nederlandse leger te gaan. Daar word je toch belazerd'.''

Demian veranderde van gedachten toen hij in 1960 overal in de kolonie wervingsaffiches zag hangen om 'voor je land en volk in het leger te gaan'. Nieuw-Guinea leek af te stevenen op een zekere autonomie. Koningin Juliana beloofde in de troonrede van 1960 het Papoea-volk zelfbeschikking. De gekozen Nieuw-Guinearaad zou dat waar moeten maken. In deze euforie meldde Prawar zich aan voor het Papoea Vrijwilligerskorps.

Bij het politiebureau in Hollandia stonden duizenden mannen in de rij, van wie er maar 120 werden aangenomen. ,,De oudjes waren vernederd: zij werden gewoon weggestuurd. In hun ogen waren wij maar broekies.'' Pas eind 1960 kreeg Prawar een oproep om naar Manokwari te gaan, waar de Papoea's van Nederlandse mariniers (,,Hard, maar ook lief en correct'') leerden schieten en exerceren.

De opleiding had weinig om het lijf, net als de uitrusting met een junglekarabijn en Uzi-pistoolmitrailleur. ,,In feite waren we gewoon woudlopers.'' Maar de Papoea's kenden wel de omgeving als hun broekzak en werden daarom te hulp geroepen om Indonesische infiltranten op te sporen. Met een patrouilleboot van de marine werd een PVK-eenheid afgezet op het eiland Gag, door Indonesië op Nederland betwist. ,,Wij zagen het als een illegale actie van de Indonesische president Soekarno. Volgens de Papoea-wet staat daar de doodstraf op. Die Indonesische infiltranten waren op Gag gedropt. Ze wachtten net zo lang tot hun voorraden op waren, dan kwamen ze te voorschijn. Wij moesten officieel toestemming vragen om te schieten. Wat is dat voor leger? Dat moet je toch zelf kunnen beslissen. Wij schoten gewoon; het was hij of ik. Eerst schieten, dan praten.''

Prawar heeft geen seconde spijt van zijn optreden. ,,Ik was blij dat ik mijn land kon verdedigen. En de dorpelingen op Gag waren ook blij: eindelijk, daar komen onze jongens die de taal spreken.''

Bij de gevechten zijn naar schatting zes Papoea-militairen om het leven gekomen en raakte een onbekend aantal gewond. Van de Nederlandse regering hebben de PVK-leden nooit enige blijk van waardering voor hun inzet gekregen. ,,Nu begrijp ik duidelijk dat mijn oom Mattheüs gelijk had. Ik had me nooit bij het Nederlandse leger moeten melden.'' Alsnog een onderscheiding krijgen, dat zegt Prawar ,,totaal niks''. ,,Het is te laat; dat kan ik nooit accepteren.''

Het Papoea Vrijwilligerskorps vond in 1962 een roemloos einde. Nederland droeg het bestuur over Nieuw-Guinea aan Indonesië over, onder grote internationale druk. De Papoea-militairen bleven werkloos achter. Sommigen stapten al dan niet gedwongen naar het Indonesische leger over. Anderen, zoals Demian Prawar, vluchtten naar Nederland om daar vaak moeizaam een bestaan op te bouwen.

De frustratie over het lot van hun vaderland en familieleden in het huidige Papua is onverminderd groot. Prawar wappert met Juliana's troonrede uit 1960. ,,Nederland is zijn belofte van zelfbeschikking niet nagekomen. De Nieuw-Guinearaad werd overal buiten gehouden. We zijn belazerd.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden