Snelle sport, traag bestuurd

De ambities waren torenhoog, de politieke tegenwerking en de onderlinge verdeeldheid ook. Pas de afgelopen twee decennia kreeg het Nationaal Olympisch Comité,

Het is een eeuwig terugkerende klacht in de annalen van het NOC: Nederland mist (top)sportcultuur. Pas nadat bij de Olympische Spelen in Sydney (2000) oranje ver boven zichzelf was uitgestegen, volgde een kentering.

Toch is een oude, klassieke tegenstander niet verdwenen. Vanavond zit jubilaris NOC-NSF met vele genodigden aan de dis op de plaats van de oprichtingsvergadering, hotel Krasnapolsky in Amsterdam. Daarbij wordt met spanning uitgekeken naar de verkiezingen van morgen: wat die de sport opleveren is zoals altijd een raadsel.

Slechts de opstelling van twee christelijke partijen is helder. De ChristenUnie is tegen het organiseren van de Olympische Spelen in Nederland. Samen met de SGP wordt gepleit voor steun aan breedtesport, niet aan topsport. Nu zijn dat voetnoten in hun verkiezingsprogramma's, ooit werden anti-sportstandpunten in de christelijke hoek luid uitgedragen.

Bij de oprichting van het NOC door baron Van Tuijl van Serooskerken was het ideaalbeeld een boven alle partijen staande koepel 'ter regeling van het Nederlandse sportwezen met eerbiediging van de autonomie op ieders terrein, een behartiger van gemeenschappelijke sportbelangen op nationaal gebied en daarnaast een verzorger van de vertegenwoordiging naar buiten, in het bijzonder de deelneming aan Olympische Spelen'.

Sportpionier Pim Mulier, die geen rol had gespeeld in de oprichting, voegde in 1915 aan het NOC de ondertitel 'Federatie voor Lichaamsbeweging' toe. Door onderlinge strubbelingen van sportbestuurders werd deze poging om de totale sport centraal te structureren uiteindelijk weer tenietgedaan. In 1959 vond de splitsing NOC en Nederlandse Sport Federatie (NSF) plaats.

Daar had tegenwerking vanuit de politiek veel mee te maken. Christelijke partijen bezaten tot de Tweede Wereldoorlog een meerderheid die niets had met sport en lichamelijke opvoeding. Dat waren zondige bezigheden, waarop niemand in tijden van crisis zat te wachten. Op het gebied van sportfaciliteiten was het in Nederland treurig gesteld.

Die opstelling kwam schrijnend tot uiting nadat het NOC de Olympische Spelen van 1928 naar Amsterdam had gehaald. Het budget van 3.5 miljoen gulden was grotendeels gedekt, maar een verzoek om een bijdrage van een miljoen van de rijksoverheid werd afgewezen. Ook voor het houden van een nationale loterij werd geen toestemming gekregen. Een inzameling onder particulieren, de eerste sponsoractie in de sport, bracht uitkomst.

De christelijke partijen verzetten zich hevig tegen de Spelen, ook nadat de belofte was afgedwongen niet op zondagen te sporten. Dominee Kersten van de SGP: "De Olympische Spelen zijn in beginsel heidens en het is niet gewenst deze te doen herleven. Ik beklaag de geestelijke arme mens die naar deze vermaken grijpt."

Ook professor Visscher van de ARP kon er wat van: "IJdel is alle manifestatie van brute kracht. Het is in strijd met het apostolisch woord, dat zegt dat de lichamelijke oefening tot weinig nut is. Maar hoe is het dan mogelijk dat een zich christelijk noemende regering aan deze Spelen steun wil verlenen met tien tonnen gouds?"

De socialisten in de Tweede Kamer noemden die argumenten 'een nageboorte uit de Middeleeuwen'. Die Spelen kwamen er ook zonder steun, als een vroeg hoogtepunt in de vervolgens roerige historie van het NOC.

Wat de sportbestuurders niet voor elkaar kregen, werd uitgerekend tijdens de Duitse bezetting gerealiseerd. Het NOC hield zich in die periode afzijdig, het liet de populaire voetbalbestuurder Karel Lotsy het vuile werk opknappen. Zijn functie kreeg binnen het NOC geen vermelding. Terwijl het NOC-bestuur tijdens de oorlogsjaren uiteenviel, 'groeide en bloeide' de sport. De ledenaantallen namen een enorme vlucht, stadions stroomden vol.

Volgens sporthistoricus Ruud Paauw op de site sportgeschiedenis.nl werd in tegenstelling tot vooroorlogse regeringen door de bezetter sport en lichamelijke opvoeding bevorderd. "Het boksverbod in de grote steden werd opgeheven, de paardensport kon de totalisator invoeren. De lichamelijke opvoeding op de lagere scholen, waar het NOC zolang vergeefs voor had gestreden, werd in 1941 verplicht gesteld. Het schoolzwemmen nam een grote vlucht." Tot in 1944 het sportleven op bevel van de bezetter tot stilstand kwam.

Schoolzwemmen en gymnastiekonderwijs, het zijn nog altijd thema's waarvoor het NOC geen breed en structureel beleid heeft kunnen afdwingen. Zelfs niet in de afgelopen twee decennia waarin na lange strijd eerst sportbeoefening en daarna topsport geaccepteerde maatschappelijke fenomenen werden.

Na de Tweede Wereldoorlog was van het NOC niet veel meer over dan een selectie- en reisbureau dat bepaalde wie naar de Olympische Spelen mocht. De organisatie van de sport kwam in handen van de NSF.

Dertig jaar later ontstond tussen de twee organisaties een felle machtsstrijd, aanvankelijk met alleen de topsport als inzet. Het NOC was eind jaren tachtig een college van zeven bestuurders die zich wentelden in zelfgenoegzaamheid. De kandidatuur voor de Olympische Spelen van 1992 liep onder leiding van voorzitter Henk Vonhoff uit op een fiasco; voor de Spelen van Seoul (1988) was aanvankelijk een half miljoen gulden tekort om een representatieve ploeg af te vaardigen.

Het was ook de periode waarin het langste hoofdstuk van een halve eeuw NOC, dat van Anton Geesink, een absoluut dieptepunt beleefde. Vonhoff en zijn secretaris-penningmeester Ruud Frese hengelden naar het lidmaatschap van het IOC. Uitgerekend oud-judoreus Anton Geesink, met zijn natuurlijke afkeur van sportofficials, werd daarvoor door IOC-voorzitter Samaranch uitverkoren.

Geesink stond bekend als notoir querulant en straatvechter. Nu was hij automatisch NOC-lid, hetgeen een garantie bleek voor niet aflatende onmin met zijn medebestuurders. Met als dieptepunt een scheldpartij met Vonhoff tijdens een NOC-vergadering in 1988, waarbij beiden zich diskwalificeerden als bestuurders. Later noemde Geesink fusieclub NOC-NSF een 'illegale organisatie' en vermoedde hij samenzweringen en complotten tegen hem.

Om de aversie van Geesink tegen het NOC te verklaren, moet gezocht worden in zijn sportcarrière. Toen het IOC-lid tijdens een rondleiding door het olympisch museum in het Olympisch Stadion enkele jaren geleden werd gevraagd te poseren naast een foto van oud NOC-voorzitter Pahud de Mortanges, stroomde hem de kokende lava uit de oren.

De reden daarvan lag vijftig jaar terug. Geesink werd in 1960 de toegang tot de Olympische Spelen van Rome als worstelaar ontzegd. Hij was tot prof verklaard, omdat hij als judoleraar geld had aangenomen. Dat gebeurde in een kille mededeling door De Montanges, waarvoor Gee-sink vanuit zijn trainingskamp in Nice naar Nederland was ontboden. Het was de voedingsbodem voor een nooit meer wijkende aversie tegen officials.

Vonhoff sneuvelde, mede door die clash met Geesink, op zijn ambities. Hij wilde zich eerst de topsport toeeigenen, zonder daarvoor ooit voorwaardenscheppend bezig te zijn geweest. Toen dat niet lukte, wilde hij NOC en NSF samenvoegen. 'Amalgameren', zoals dat in zijn ver van de sport afstaande terminologie heette.

Die samenwerking kwam er in 1993 binnen NOC-NSF, onder leiding van Wouter Huibregtsen. De toenmalige topman bij McKinsey zette de sport midden in de maatschappij en maakte daarbij topsport als voorbeeldfunctie tot geaccepteerd begrip. Een jaar eerder hadden de twee organisaties samen het rapport 'Sport als bron van inspiratie voor onze samenleving' gepresenteerd. Nu wordt die boodschap door de rijksoverheid ingezet in de strijd tegen obesitas, bewegingsarmoede en hoog oplopende ziektekosten.

Wrang genoeg legde Huibregtsen niet alleen de basis voor de huidige sportcultuur, maar werd hij net als Vonhoff verblind door internationale ambities door Geesink in een verwurging gelegd. Niet de door Geesink gehate Huibregtsen werd in 1998 IOC-lid, maar kroonprins Willem-Alexander.

In een geruchtmakend interview met de Volkskrant noemde de gefrustreerde Huibregtsen Willem-Alexander een judas en saboteur en verweet hem lafheid. In een rechtszaak bleef slechts het eerste verwijt overeind, maar toen was de carrière van Huibregtsen in de sport tot vreugde van Geesink voorbij.

Huibregtsen stond pal voor de topsporters, hij wilde hen alle faciliteiten bieden. De olympiërs hadden de paden van het amateurisme verlaten; de Nederlandse regenten waren daar achtergebleven. Voor wensen en noden van topsporters was geen aandacht, ze waren maatschappelijke outcasts.

Huibregtsen was de eerste die namens het NOC in het bedrijfsleven en bij de overheid voor fondsenwerving op pad ging. Hij liet zich niet afschrikken door de totale afwezigheid van een topsportklimaat. "Sportverenigingen zijn na bedrijven verreweg de belangrijkste sociale eenheid", was zijn mening. "In het algemeen in positieve zin. Toch krijgt sport bij de politiek de handen niet op elkaar."

Hij vergeleek zijn werk met het aanzwengelen van een motor waarin jarenlang ontzettend veel kracht en energie moet worden gestopt. Schoorvoetend ging het bedrijfsleven overstag, vervolgens gingen met het succes in Sydney de handen van de politiek op elkaar. Met uiteindelijk de omarming van Olympisch Plan 2028 en de toptien-ambitie als resultaat.

Huibregtsen was toen al van het podium verdwenen. De handen die klapten maakten veel lawaai, maar doen naar de zin van de georganiseerde sport nog altijd te weinig. Toch kan vanavond aan de dis in Krasnapolsky worden vastgesteld dat de afgelopen twee decennia in de Nederlandse sport een aardverschuiving heeft plaatsgehad. Weliswaar met een traagheid waarvan de sport gruwt, maar in de sport gaat het nu eenmaal nooit snel genoeg. Dat kon het NOC de afgelopen 100 jaar vaak genoeg ook zichzelf verwijten.

dat vandaag honderd jaar bestaat, de gewenste vorm.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden