Smakeloos en succesvol

(Trouw)Beeld EPA

For the Love of God heet het meest controversiële kunstwerk van de afgelopen jaren. De schedel die de Britse kunstenaar Damien Hirst in 2007 maakte, is vanaf zaterdag in het Rijksmuseum te zien. Maar is het kunst of kitsch?

Drie gaten en een bek vol tanden grijnzen je tegemoet. Het is geen aangenaam plaatje, ook al worden de gaten omgeven door duizenden glittersteentjes.

De met diamanten bedekte schedel van de Britse kunstenaar Damien Hirst roept heftige emoties op. Hij maakt mensen ongekend boos en verontwaardigd. Het werk lijkt ons uit te lachen, met ons de spot te drijven.

Komt dat doordat Hirst speelt met de dood, in plaats van er bang voor te zijn zoals de meeste mensen?

Spot hij met het geloof? De titel van het werk is For the Love of God, en die uitroep klinkt als een uitdaging.

Neemt hij hier onze afkeer van protserigheid en pronken op de hak door een superduur bling-bling-ding te maken?

Of neemt hij een loopje met de kunstwereld, waarin de prijzen de pan uit rijzen en alleen wat duur is aandacht krijgt?

We worden belazerd, is de mening van critici van dit werk. Volgens hen is de diamanten schedel geen kunst, maar ’een discobal’, ’een opportunistische lachspiegel’, ’de nieuwe kleren van de keizer’.

Tegenover de critici staan de verdedigers van het werk. Oud-museumdirecteur Rudi Fuchs plaatst Hirst in een lange traditie van kunstenaars die de schedel als symbool voor de kortstondigheid van ons bestaan gebruikten – het vanitassymbool. Alleen is dit volgens Fuchs de perfecte ’contra-vanitas’ omdat de schedel onverwoestbaar is.

Mathilde van Dijk, docent geschiedenis van het christendom aan de Rijksuniversiteit Groningen, vergeleek Hirsts werk in Trouw met reliekenverering. Hirst roept volgens haar de vraag op wat de nieuwe goden zijn die wij aanbidden. Zijn dat geld en roem? Volgens deze gedachte plaatst Hirst zich in de traditie van de heiligenverering. Schedels van heiligen werden vaak verpakt in edelstenen, opdat de kracht van de heilige – eigenlijk de kracht van God – bewaard blijve.

Zelden is er zo hartstochtelijk gediscussieerd over een werk dat verreweg de meesten alleen op een foto hebben gezien. De emoties maken het lastig het kunstwerk te beoordelen. Maar wat zijn de feiten?

In For the Love of God zit geen echte schedel, maar een platina afgietsel ervan. Daarop zijn 8601 diamanten bevestigd. De diamanten kostten tezamen zo’n 15 miljoen euro en het kunstwerk werd verkocht voor 62,5 miljoen euro aan een groep investeerders, onder wie Hirst zelf.

For the Love of God past naadloos in het oeuvre van de 43-jarige Brit. Sinds zijn puberteit is hij gefascineerd door de dood. Door als zestienjarige in een mortuarium te tekenen overwon hij zijn angst voor dode lichamen, maar zijn obsessie ervoor werd er alleen maar groter door. Dat is terug te zien in de vele dierenlijken in zijn werk: opgeprikte vlinders, vliegenlijkjes, haaien op sterk water, een stier op sterk water met gouden hoeven en horens (Golden Calf) , enzovoorts. Titels als The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living (De Fysieke Onmogelijkheid van de Dood in de Geest van een Levende) versterken de indruk dat Hirst vooral bezig is de dood te lijf te gaan.

In een interview zei Hirst zelf over zijn schedel: ’Ik was altijd de jonge kunstenaar, talentvol, tegendraads, maar nu heb ik drie kinderen en begin ik te beseffen dat ik misschien wel meer leven achter me heb dan voor me. Daarom besloot ik dat ik het leven wilde vieren en zeggen: ’to hell with death’. En hoe doe je dat beter dan door de dood te bedekken met rijkdom, met leven?’

Juist die rijkdom is een andere fascinatie van Hirst. Sinds hij begin jaren negentig door de kunstmagnaat en mecenas Charles Saatchi werd gelanceerd als een van de ’Young British Artists’ is Hirst een van de duurste kunstenaars ter wereld. Onlangs besloot hij zijn werken te veilen, zodat de galeries, die normaal een percentage krijgen, gepasseerd werden. Hij is inmiddels multimiljonair en heeft 180 assistenten in dienst, die zijn werk grotendeels produceren.

Nog een fascinatie van Hirst is religie. Onontkoombaar natuurlijk voor iemand die zegt elke dag aan zijn toekomstige dood te denken. In De Hallen Haarlem was in 2005 zijn werk The Stations of the Cross te zien, veertien afbeeldingen die als kruiswegstaties te beschouwen zijn. Gelikte reclamefoto’s volgens de één (christelijke fracties in de gemeenteraad stelden er vragen over), indrukwekkende verbeeldingen van liefde en lijden volgens de ander.

Dat Hirsts fascinaties samenkomen in For the Love of God, daarover zijn voor- en tegenstanders het eens. Zij verschillen van mening over de integriteit van de kunstenaar. Is Hirst daadwerkelijk onder de indruk van de dood, doet hij mee aan de wereld van de rijke kunstmaffia of tekent hij er verzet tegen aan, is hij religieus geïnspireerd of drijft hij er de spot mee?

Hij heeft er in elk geval goed over nagedacht. Zowel Hirsts filosofie als de uitwerking ervan in deze schedel past naadloos in een eeuwenoude traditie. Babs Bakels, conservator van het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover en gespecialiseerd in kunst met menselijke resten, moest bij het zien van dit werk meteen denken aan relieken en de vele voorchristelijke schedels die dienden voor de verering van voorouders. Bakels: „In veel culturen was het gebruikelijk om schedels te versieren. Schedels werden bijvoorbeeld in de barok omwonden met gouddraad en edelstenen. De menselijke botten bezaten een magische kracht en dienden als tussenpersoon tussen goden en mensen. De bewerkte schedels werden object van adoratie.”

Dergelijke schedels zijn gevonden over de hele wereld: bij Azteken, in China, Indonesië en Kanaün – en ze zijn van alle tijden. Vanaf de Renaissance werd de schedel ook veel verwerkt in schilderijen en beeldhouwwerken. „Voor het gebruik van schedels en botten bestaan twee psychologische behoeften,” zegt Bakels. „Enerzijds is daar de wens om de dood niet als het einde van het leven te zien. In de verering van relieken, de overblijfselen van voorouders of heiligen, zit een ontkenning van de dood. De heiligen leven immers voort. Je kunt door gebed contact met hen hebben.

„De tweede reden is het omgekeerde: de dood moet juist geïnternaliseerd worden, een onderdeel van het leven zijn. Want wie de dood omarmt, intensiveert het leven, zoals de Duitse dichter Rilke het formuleerde. Door zijn sterfelijkheid wordt de mens gedwongen keuzes te maken en daarmee bepaalt hij zijn individualiteit. Als je onsterfelijk was, zou je geen afgeronde identiteit hebben. Dan kon je immers oneindig veel identiteiten aannemen.

„Hirst doet in feite allebei: hij verbergt de dood onder platina en edelstenen. Hij poetst het op, zodat hetgeen je wilt ontkennen, die lelijke schedel, de dood, glanst en straalt. Het wordt een vererenswaardig object met een grote aantrekkingskracht. Hirst maakt zichzelf onsterfelijk, want hij zorgt ervoor dat wij het werk allemaal willen zien. Dat is de magische kracht van dit werk. In For the love of God is Hirst zelf de heilige. Er zit immers geen echte schedel in. Het is een personificatie van hemzelf.

„Anderzijds begrijp je uit zijn uitspraken dat dit werk de dood heel dichtbij haalt, juist om het leven te kunnen vieren. In vanitas-stillevens werden edelstenen afgebeeld om te wijzen op de betekenisloosheid van rijkdom en macht. Je moest juist een spiritueel leven nastreven. Maar dit werk zegt ook het omgekeerde: het verheerlijkt rijkdom.”

Bakels vindt het een fascinerend werk, waar ze steeds over na blijft denken. Maar ze vindt het tegelijk ’smakeloos’. „Hij kiest er niet voor het leven te vieren, maar zijn eigen status als succesvol kunstenaar. Dat vind ik dubieus. Het gaat in dit beeld hoofdzakelijk om de kostbare diamanten, niet om het geestelijke. De edelstenen benadrukken niet het geloof in een betere wereld gevoed door het geestelijke, maar bevestigen de hegemonie van het materiële. De waarde van zijn werk wordt bepaald door de markt, niet door de verbeeldingskracht.”

Ook voor de katholieke kunstenaar Marc Mulders is het duidelijk dat Hirst spot in plaats van gelooft. In de installatie Mapping Out Paradise, die hij samen met Claudy Jongstra maakte en die nu in het Tilburgse museum De Pont te zien is, heeft hij een foto opgenomen van Damien Hirst die de diamanten schedel ziet als hij net van de juwelier komt. Voor het oog van vele camera’s tongzoent Hirst zijn werk. Op de achtergrond lacht de juwelier om de grap. Mulders vindt Hirst zo fout dat de foto een plekje kreeg tussen andere perverse beelden, zoals reclames waarbij het meest intieme stukje van een vrouwenlichaam wordt gebruikt voor mannenparfum.

Mulders: „De schedel is een gimmick, net zo onecht als plastic bloemen die maar een vage echo zijn van echte bloemen. De krant komt er alleen op af vanwege de sensatie en het hoge geldbedrag.”

Mulders becommentarieert het wereldgebeuren in zijn werk.

Zo is het vliegtuig dat zich 11 september 2001 in het World Trade Center in New York boorde, opgenomen in zijn kerkraam voor de Sint-Jan in Den Bosch.

In zekere zin lijken Mulders en Hirst daarom op elkaar. Beiden maken werk dat commentaar levert op de huidige tijd. Maar Mulders moet van deze vergelijking niets hebben. „Kunstcritici zeggen: ’Zijn werk is bijzonder omdat hij ons laat zien hoe de wereld om ons heen in elkaar zit.’ Ik vind For the Love of God geen commentaar op de kunstwereld. Het is niet nieuw, want hij doet hetzelfde als kunstenaars als Andy Warhol of Jeff Koons al jaren doen. Het is niet interessant, omdat hij niets nieuws zegt over de verderfelijkheid van de kunstwereld. En het is niet eens kunst, omdat hij niet echt met z’n handen en geest gewerkt heeft aan de schedel. Daardoor mist het diepgang en kun je er als toeschouwer geen dialoog mee aangaan.”

Dat Hirst speelt met religie vindt Mulders helemaal pervers. Als religieus kunstenaar voelt hij zich regelmatig belachelijk gemaakt. „En doe je aan perversiteit, dan kom je meteen in de krant.”

Karel Schampers, directeur van het Frans Hals Museum en De Hallen Haarlem en kenner van het werk van Hirst, schudt zijn hoofd over de kritiek van Mulders. „Damien staat aan dezelfde kant als Marc. Beiden maken mooi, verleidelijk werk. Beiden geven een perfecte spiegel van de huidige samenleving. Alleen is Marc belerend, Damien niet.

„Onlangs werd voor een triptiek van Bacon 34,6 miljoen euro neergelegd, een schilderij van Lucian Freud leverde 21,7 miljoen op. Daar past dit dure beeld perfect bij. Je kunt het zien als een commentaar op ons ziekelijke koopgedrag. Ik zag laatst een meisje in de trein met een mobieltje dat precies zo vol edelstenen zat.”

Dat Mulders ervan uitgaat dat Hirst slechte bedoelingen heeft als hij een religieus onderwerp ter hand neemt, vindt Schampers ongepast. „Als katholiek moet hij uitgaan van de goede intenties van anderen tot het tegendeel bewezen is. Hirst is ook de kunstenaar die met popartiest Bono een veiling organiseerde waarvan de opbrengst naar Aids-programma’s van de Verenigde Naties ging. Hirst is geen patjepeëer in een dikke auto. Het is een ontzettend aardige man.”

Is Hirst dan oprecht religieus? Schampers: „Dat weet ik niet. Ik denk het eigenlijk niet. Hij heeft vooral een goed gevoel voor de mens en de samenleving. Hij heeft zich wel heel goed verdiept in religie en in de kunstgeschiedenis die daarmee samenhangt. In de zeventiende-eeuwse vanitas-schilderijen wijzen schedels, bloemen en vlinders de kijker op de kortstondigheid van het leven. Die werken kun je vergelijken met de grote schilderijen die Hirst maakte met duizenden vlindervleugels.

„Ook met zijn schedel is hij niet zo origineel. Er zijn duizenden schedels in de kunst terug te vinden. Onlangs hadden we in De Hallen van zijn generatiegenoot Sarah Lucas een schedel met een bek vol gouden tanden. Die liet zien wat er na de dood overblijft van een rijke Zuid-Amerikaanse crimineel. Het verschil met Hirst is dat hij dat oude thema omdraait en er onvergankelijkheid voor in de plaats brengt. Het roept niet op tot nederigheid, maar viert de overwinning op de dood. Hij geeft een draai aan een eeuwenoude traditie.”

Schampers geeft toe best jaloers te zijn op het Rijksmuseum, dat dit werk mag tentoonstellen. Hij gelooft heilig dat de schedel over honderd jaar nog bewonderd wordt. Vanwege de durf van de kunstenaar, vanwege de bijzondere draai die hij aan een oud kunsthistorisch thema geeft en vanwege de schoonheid. Schampers heeft het werk namelijk als een van de weinigen in Nederland al in Londen gezien. „Op papier is het maar een plaatje. In werkelijkheid is de schedel met die duizenden diamanten van een onbeschrijflijke schoonheid. Het staat in het duister met een spot erop. Het licht wordt weerspiegeld door de duizenden diamantjes. Het effect daarvan vergeet je van je levensdagen niet meer.”

Bakels is sceptisch over dat effect. „Ik vind de zeggingskracht van de straling niet zo groot. Het is een eenzijdige beleving van schoonheid: iets dat glimt wordt al snel mooi gevonden. Ik mis ook in de discussie de ethische vraag naar de herkomst van de schedel. Hirst heeft wel gezegd dat hij die via officiële wegen heeft verkregen, maar dan nog is het de vraag of stoffelijke resten te verenigen zijn met de l’art pour l’art-gedachte. Maar goed of fout, het werk heeft me in de greep. Als dat zijn bedoeling was – en ik denk dat dat zo is – heeft hij het geflikt. Dan is For the Love of God toch een briljant werk.”

Links: Damien Hirst met engel-met-doodshoofd. (Trouw)
(Trouw)Beeld AP
(\N)
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden