Sluit de ogen, hoor knarsende tandwielen en ruik paardenmest. Luister naar de verhalen over moord, doodslag en ongerief.

Het is 1309 als de Duitse keizer Koenraad ll tijdens een bezoek aan zijn geliefde stad Utrecht plotseling sterft. Zijn lichaam wordt teruggebracht naar Duitsland. Maar een reliekschrijn met zijn hart en ingewanden blijft in Utrecht. Tot grote schrik van bisschop Bernulfus, vertrouweling van de keizer, bepaalde de keizer in zijn testament dat op zijn sterfplek een kerkenkruis gebouwd moet worden.

Rondom de Dom, waar het hart van de keizer ligt, laat de bisschop vier kerken oprichten: de St. Pieter, de St. Jan, de kerk van de St. Paulusabdij en een halve eeuw later bouwt Bernulfus' opvolger de St. Marie. Een avontuurlijke stadswandeling gaat langs deze kerken.

“Sluit de ogen, hoor paardenhoeven, trompetgeschal en ruik paardenmest. De komende anderhalf uur gaan wij terug in de tijd. Auto's, bussen en mobiele telefoons bestaan niet“, zegt verteller Godefridus van Henegouwen. Hij gaat gekleed in lange kousen, een kuitbroek, gilet en een hoge hoed. Bij zich draagt hij een koffer.

De eerste stop is de plek waar Romeinen 50 jaar na Chr. een fort bouwden dat zij Trajectum noemden. Uit zijn koffer haalt Godefridus een bord met het refrein van een lied over bouwmeester Thomas en zijn liefje Maria. Wandelaars moeten meezingen. Thomas laat zijn lief achter als hij naar Utrecht vertrekt om mee te doen aan de bouw van de Dom. Maria mist hem zo dat ze hem gaat opzoeken. Aangekomen in Utrecht hoort ze dat Thomas dood is. Uit verdriet hangt ze zich op aan een touw.

Wat niemand echter wist, is dat Thomas in een klooster zat. Een detail uit dit tragische verhaal is terug te vinden in het hofje van de Dom, waar de tweede stop is. Om een van de bogen hangt een stenen touw. Het staat symbool voor de zelfmoord van Maria.

Bij de St. Pieterskerk wordt het verhaal verteld van de Duitse keizer. Vijf wandelaars moeten in de vorm van het kerkenkruis staan. De rest van de groep loopt er op bevel giechelend omheen. Godefridus laat een reliekschrijn zien met daarin de galsteen en twee tanden van de keizer. Vol belangstelling kijken de wandelaars in het kistje. Ze schieten in de lach als ze twee lange tanden van plastic zien.

“Het verhaal over hekserij, zwarte magie, de pest en ziekten“, roept de verhalenverteller bij de St. Paulus Abdij en het oude gerechtshof. “Het was 1534 en Maria Wouters werd door haar buurman verdacht van hekserij. Ze zou zijn beesten hebben doodgevoerd. Maria zou pas terechtstaan als de buurman met bewijs kwam.“

In grootse gebaren vertelt Godefridus hoe de buurman Maria op een avond met volle maan achtervolgde en terechtkwam in een hol onder de grond. Daar zitten heksen om een tafel. Hij wordt uitgenodigd mee te eten, maar het smaakt hem niet. Als hij het woord 'zout' in de mond neemt, worden de heksen woedend. “Zout herinnert hen aan de pijnbank en beulen die zout en peper in hun wonden strooiden.“ De buurman ontsnapt en Maria moet terechtstaan. Ze verhangt zich in haar cel en wordt op het Neude verbrand.

Bij het Abraham Dolehof giet Godefridus alcohol over de boom. “Is voor Blauwe Bram“, zegt hij. “Een kwelgeest en dronkaard die in deze boom woonde en voorbijgangers besprong die iets op hun geweten hadden. Kijk dus maar uit.“ Bij de Geertekerk komen er wijn en plastic bekers uit de koffer. Er moet getoost worden op St. Geerte, de beschermvrouw van reizigers. De 'St Geerteminne' dronken reizigers elkaar toe alvorens op reis te gaan.

De zevende en laatste stop is bij de resten van de Romaanse Mariakerk. Ooit een gigantisch grote kerk, maar compleet vernietigd bij de storm van 1674. Alleen de beroemde kruidentuin is hersteld. Bij de Mariapomp zingt Godefridus een ballade. Over het water dat uit deze pomp was zo zuiver dat Amsterdammers ervoor naar Utrecht kwamen. Wandelaars moeten opnieuw het refrein zingen, maar wel een aangepaste versie. “Eigenlijk moeten we zingen 'Cantate Domine', maar omdat weinig mensen nog Latijn beheersen, zingen jullie 'Kan Thee Muts Dominee'.“

Het lied gaat over een bisschop die de Mariakerk wilde bouwen. Maar de grond was zo drassig, vanwege de Mariabron, vertelt Godefridus “dat het schip van de kerk zou kunnen wegvaren“. De bisschop loofde daarop een prijs uit voor degene die een oplossing had. De Friese bouwmeester Plebo had een idee: een fundering leggen van ossenhuiden. Plebo maakte echter een vergissing. Hij had zijn zoon Jantje verteld van zijn idee en Jantje had het doorverteld aan de bakker en de slager en zo kwam het uiteindelijke terecht bij de bisschop. Plebo zijn idee was vergaan. “Hij greep een stuk wit brood en sloeg zijn zoontje dood“, besluit Godefridus het lied.

Voordat hij op de fiets springt en naar huis rijdt, deelt de verhalenverteller flesjes uit met zogenaamd water uit de pomp. Op het label staat een gedicht uit 1873 van Nicolaas Beets: “Uit zilvren waterkwellen! Geen drap, waar ziekte en dood uit gist. Maar zuivre bron, die 't bloed verfrist.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden