Sloop die verdieping er niet af

Mulisch leunt graag op mythen en teksten uit een ver verleden. (Trouw)Beeld Maarten Hartman

Verslindt Nederland straks massaal Harry Mulisch’ roman ’Twee vrouwen’, zoals de gisteren gelanceerde actie ’Nederland leest’ beoogt? Best mogelijk, maar als je niet verder kijkt dan de oppervlakte, houdt deze liefdesroman – een keerpunt in Mulisch’ oeuvre – toch iets drakerigs, vindt Jaap Goedegebuure. Mulisch lezen is speuren naar symboliek, naar een interpretatie.

Hoe krijg je Nederland massaal aan het lezen? Twee jaar geleden werd begonnen met een nieuwe actie waarbij een roman gratis of nagenoeg gratis werd uitgedeeld, in een oplage van tegen het miljoen. In 2006 viel de keus op Frank Martinus Arions klassieker ‘Dubbelspel’ (1973), in 2007 kwam ‘De gelukkige klas’ (1926) van onderwijzer-schrijver Theo Thijssen aan bod. Wie wil weten waarom juist déze boeken werden uitverkoren, komt al gauw uit bij trefwoorden als ‘spanning’ (een belangrijk ingrediënt van het thrillerachtige ‘Dubbelspel’) en ‘identificatie’ (leraren konden zich laven aan de idealistische leraar in ‘De gelukkige klas’ )

Spanning en de nodige ruimte om je in te leven worden je op een presenteerblaadje aangeboden door Harry Mulisch, auteur van het oorspronkelijk als ‘liefdesroman’ gepresenteerde succesboek ‘Twee vrouwen’ (1975) waarmee Nederland dit jaar tot lezen moet worden verleid. De CPNB en de schrijver zelf komen er rond voor uit: ‘Twee vrouwen’ is allereerst een ‘good read’. Geen slechte keuze dus, als het om een leesbevordering gaat. Mulisch’ boezemvriend en lijfexegeet Jan Hein Donner meende zelfs dat de liefhebbers van damesromans op hun wenken werden bediend. Dat er onder de oppervlakte van het aangenaam weglezende verhaal allerlei extra lagen schuilen, is mooi meegenomen voor al diegenen die, individueel of in het verband van een leesclub, dieper willen graven teneinde het leesplezier op te waarderen tot hoogstaand genot.

‘Twee vrouwen’ is een keerpunt in het oeuvre van Mulisch. Eerder had hij het romangenre namelijk pontificaal afgezworen, om zich gedurende een lange periode te storten op autobiografisch proza, politieke en cultuurhistorische essays, geëngageerde pamfletten, manifesten en het libretto van een opera ter nagedachtenis aan Che Guevara. Dat was nu niet meer nodig. Tegenover interviewer Ischa Meijer liet Mulisch zich ontvallen: „De oorlog is nu over. Gewonnen. We kunnen elkaar weer verhaaltjes gaan vertellen.” Daarbij doelde hij op de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Vietnam, er gemakshalve aan voorbijgaand dat de linkse Chileense president Salvador Allende kort tevoren met medeweten van de Amerikaanse geheime dienst uit de weg was geruimd.

Gemakkelijk weglezende verhaaltjes had Mulisch nog niet eerder geschreven. De voorganger van ‘Twee vrouwen’, ‘De verteller’ (1970), werd zo cryptisch bevonden dat Mulisch er zelf een uitleg bij schreef. Zijn verhalend werk uit de jaren vijftig, van ‘archibald strohalm’ tot en met ‘Het stenen bruidsbed’, gold op zijn minst als experimenteel en kreeg bij de gemiddelde lezer de handen niet op elkaar. Maar met ‘Twee vrouwen’ werd alles anders. Sindsdien ging Mulisch voort met het recept van een gemakkelijk te bevatten voorgrond en complexe niveaus voor wie wat verder kon en wilde kijken, met ‘De aanslag’ (1982) en ‘De ontdekking van de hemel’ (1992) als de meest succesvolle toepassingen.

Hoe verhouden zich in ‘Twee vrouwen’ voor- en achtergrond? De intrige oogt simpel. Laura Tinhuizen, een gescheiden vrouw van vijfendertig, knoopt een relatie aan met de vijftien jaar jongere Sylvia Nithart (onthoud die naam!). Al na een paar maanden wordt Laura gedumpt: Sylvia legt het aan met een man, nota bene de ex van Laura: Alfred Boeken. Maar even onverwacht als ze is verdwenen, verschijnt Sylvia weer, zwanger en wel. Ze had het uitstapje zorgvuldig gepland, om de ongewenst kinderloze Laura het begeerde moederschap te bezorgen. Alfred, die beseft dat hij enkel is gebruikt om wat zaad bij hem af te tappen, wreekt zich door Sylvia dood te schieten. Dan krijgt Laura het bericht dat haar moeder, die verbleef in een Zuid-Frans verzorgingstehuis en buitengewoon afwijzend had gereageerd op haar dochters lesbische ommezwaai, is overleden. Per auto gaat ze op weg om de begrafenis bij te wonen, maar strandt oververmoeid in Avignon. Daar schrijft ze op wat haar is overkomen en eindigt haar relaas met een zinspeling op zelfmoord.

Gewoontegetrouw leunt Mulisch hier sterk op allerhande mythen en teksten uit een ver verleden. Een leger van commentatoren heeft de verwijzingen in ‘Twee vrouwen’ getraceerd en geïnterpreteerd, met als voorlopig eindresultaat Marita Mathijsens speciaal voor lezend Nederland vervaardigde studie ‘Twee vrouwen en meer’. Ze noemt Orfeus, Oedipus en Jezus als Laura’s rolmodellen, maakt melding van toespelingen op de bijbel, Petrarca en Shakespeare. Maar ze gaat niet in op een betekenisvol Dante-citaat, dat Laura mompelt als ze voor het eerst met Sylvia naar bed gaat.

In vertaling luidt dat citaat: „Op het midden van onze levensweg bevond ik mij in een donker bos.” En als je weet dat ‘bos’ in het Italiaans ’selva’ is, nauw verwant aan de naam Sylvia, dan moet Sylvia wel haast staan voor dat duistere woud, voor het raadselachtige. Als Laura zich voor het eerst van haar leven aan een vrouwelijke geliefde uitlevert is ze in een staat van opperste verwarring. En het wordt er niet helderder op wanneer die geliefde haar telkens weer voor raadsels stelt.

Aan de oppervlakte lijken de mysteries voort te komen uit de even impulsieve als eigengereide handelingen van de doorgaans vrij zwijgzame Sylvia. Maar er zijn passages in de roman die vragen om een symbolische interpretatie van haar gedrag en karakter. Mulisch is daar natuurlijk ook op uit. Markant genoeg is het juist de criticus Alfred, Laura’s ex-man, die als geen ander begrijpt waar Sylvia voor staat. Als geheimzinnige en harteloze bosgeest belichaamt ze volgens hem het Totaal Andere, datgene wat er om vraagt te worden begrepen, ingelijfd, zij het met het risico dat het bij onthulling zijn bekoring kwijtraakt.

Tot het Totaal Andere voelde Mulisch zich overigens nog steeds aangetrokken. Nu eens is het de occulte tegenwereld, zoals die verschijnt in ‘archibald strohalm’ en ‘Het zwarte licht’, en dan weer de ongenaakbare kunst, met als beste voorbeeld Da Vinci’s geheimzinnig glimlachende en androgyn ogende Mona Lisa. Dan weer ziet Mulisch dit Totaal Andere belichaamd in de artistiek bevlogen tiran Nero. En in zijn roman ‘Siegfried’ is het Andere de would be-schilder en architect Adolf Hitler, de eigentijdse vorst der duisternis, ‘het verschrikkelijke en tegelijk betoverende geheim’.

Dat Sylvia Nithart in haar hoedanigheid als ongenaakbare sfinx de kunst vertegenwoordigt is bij mijn weten niet eerder gezien. Maar het verheldert zeker de rol van de andere personages: Laura vervult de rol van schepper, zij roept immers in haar achterafrelaas de figuur van Sylvia voor ons op, en Alfred, de criticus, is degene die het kunstwerk betekenis geeft. Dat Alfred Sylvia bezwangert moet dan als een radicale vorm van zingeving worden gezien: pas door zijn interpretatie komt het kunstwerk, letterlijk, tot nieuw leven.

Wanneer je in deze duiding meegaat, treft het wel als bijzonder wrang dat uitgerekend Alfred het kunstwerk, inclusief zijn eigen inbreng, met drie pistoolschoten vernietigt. Mulisch suggereert dat deze beroepslezer de kunst en literatuur wel erg moet haten. Toch is het niet zo gek om Mulisch een dergelijke visie op het recensentendom toe te schrijven. In ‘Twee vrouwen’ is sprake van een toneelstuk dat door Alfred vakkundig wordt afgekraakt. De auteur van het spel, die veel met Mulisch gemeen heeft, reageert daarop met een versje: „A.B. schrokt mijn kookkunst / en drukt de dag daarop / zijn recentste keutel: ’Moet je ruiken,’ / spreekt hij lakend, / ’en dat noemt zich kok’.” Veel critici dringen weliswaar door tot de tekst, maar gooien vervolgens met het door hen vervuilde vruchtwater ook het kindje weg.

Hoe luidde trouwens het oordeel van de critici die ‘Twee vrouwen’ bij verschijning bespraken? Op zijn zachtst gezegd was de ontvangst gemengd. Kees Fens, Aad Nuis en Carel Peeters vonden het boek prachtig, maar volgens feministe Hanneke van Buuren blonk Mulisch uit in vrouwvijandigheid. Anderen, onder wie ikzelf, vonden de plot hier en daar nogal drakerig, en opzichtig geconstrueerd bovendien.

Laat die drakerigheid er nu sterk uitspringen in de sterk vereenvoudigde hertaling die de CPNB speciaal voor laaggeletterde lezers heeft laten maken! Daarbij zijn niet alleen ’moeilijke namen’ als Orpheus geschrapt, maar is zelfs ingegrepen in de structuur: flashbacks komen er niet meer in voor. Mulisch zelf lijkt vrede te hebben met deze tot op het bot versoberde versie. Maar van zijn zo fraai aangebrachte verdiepingen is niets meer over, en daarmee verandert een classicistische villa in een grauwe bunker. Waarmee onverwacht het bewijs geleverd is dat de voorgrond van ‘Twee vrouwen’ (en wie weet alle andere romans van Mulisch) niet zonder de achtergrond kan.

Een stapeltje 'Twee vrouwen' ligt klaar om uitgedeeld te worden aan de eerste (her)lezers: de ministers. Zij mogen ook in discussie over Mulisch' roman uit 1975. (FOTO'S MAARTEN HARTMAN)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden