Slechte dingen schrijven over moslims

Nieuws over de moslimgemeenschap in Nederland is als kauwgom: aanvankelijk smakelijk maar toch moeilijk te verteren. Met de regelmaat van de klok leveren kranten 'onthullingen' over interne vetes, aspiraties van fundamentalisten, en religie gerelateerde criminaliteit, maar altijd zit er een luchtje aan, blijf je zitten met de vraag: wat is er werkelijk aan de hand?

Voor de buitenstaander is de moslimgemeenschap een ondoordringbaar oerwoud. Wie op zoek is naar zegslieden van de verschillende richtingen krijgt vaak nul op het rekest. “Allo,” reageert een stem aan de andere kant van de lijn. “Iek niets weten. Wie ben jai?” Als er al Nederlands gesproken wordt. “Jij morgen terugbellen.” Of: “Jij gaat zeker slechte dingen over de moslims schrijven, hè?”

Officiële woordvoerders zijn meestal onbereikbaar. De een werkt in een slagerij waar geen telefoon is, de ander is op zakenreis in het buitenland. Soms ook tref je ontwapenende vriendelijkheid, eindigt een moeizaam gesprekje bij een imam in een gastvrije uitnodiging voor de maaltijd. Dan ontdek je nog weer eens een cultuurverschil: dat de vorm van het contact soms belangrijker wordt gevonden dan de inhoud ervan.

In het woud van organisaties kun je licht verdwalen. IRN, ISN, NMR, TICF, RvM, NIR, NIF, SIHO, IUR, ga maar door. Je moet een soort Kremlinoloog zijn om nog te weten wie wie is en wie wat gelooft. Dit zorgt voor allerlei misverstanden. Je zult bij NRC Handelsblad werken en out of the blue een stukje moeten typen naar aanleiding van beschuldigingen in de Volkskrant dat ene Damra van ene NIR geld uit Saoedi-Arabië krijgt voor de oprichting van een islamitische universiteit in Rotterdam. De redacteur schreef dinsdag over “een initiatief van de Nederlands islamitische raad (NIR) die bekend staat als conservatief en niet gericht is op integratie in de Nederlandse samenleving.” Arme meneer Damra, de man achter de NIR, en pleitbezorger voor woongroepen voor Turkse bejaarden die niet meer, zoals de traditie voorschrijft, bij hun vernederlandste kinderen kunnen intrekken, en voor geestelijk verzorgers voor moslims in ziekenhuizen en het Nederlandse leger, kortom voor integratie.

Damra werd in de betreffende Volkskrant beschuldigd door zijn vijand E. Ates, die in de NIR een hindernis ziet voor de verwezenlijking van zijn eigen plan voor een (Turks gezinde) islamitische universiteit. De kans dat de liberale Damra werkelijk geld uit Saoedi-Arabië krijgt is erg klein: dit fundamentalistische land walgt van liberale moslims. Maar Damra was verdacht gemaakt, zijn reputatie gedeukt. En daar ging het Ates om.

Zo is de pers een handig instrument voor konkelende moslimleiders. En maakt de pers handig gebruik van de interne, op persoonlijke rivaliteit terug te voeren tegenstellingen, om 'primeur' op 'primeur' te kunnen stapelen. Want media vinden moslims nieuws. Ze struikelen over elkaar heen met steeds 'spectaculairdere' onthullingen.

Het is in de wereld van moslimclubs gemakkelijk iemand te vinden die niet te beroerd is een emmer modder over concurrerende geloofsgenoten heen te kieperen. Een belangrijke positie in een moslimorganisatie is, bij gebrek aan carrière-kansen binnen de Nederlandse samenleving, voor velen immers de manier om status te verwerven. Wie de juiste telefoonnummers draait, is haast verzekerd van een smeuïg citaat met ferme beschuldigingen: die of die krijgt geld uit Saoedi-Arabië, heeft iets gestolen, handelt in drugs. Je kunt het zo gek niet bedenken.

Meestal is er niets van waar.

Zoals het bericht in de Volkskrant begin vorig jaar: “Ongeveer de helft van de besturen van grotere moskeeën in Nederland is betrokken bij de grootscheepse handel in hasj, of bij het witwassen van drugsgeld. Dit zeggen gezaghebbende bronnen in de Marokkaanse gemeenschap.” Waarom bleef het bij Kamervragen van Janmaat en waarom volgde er geen nieuws over arrestaties, acties van de Fiod en verslagen van processen? Moslim-nieuws is vaak niet meer dan een bos brandend stro. Het korte termijn-geheugen voedt er haar vooroordelen mee.

Een van oorsprong vaag en onbetrouwbaar gerucht is mits luchtig opgeklopt en van het etiket 'fundamentalisme' voorzien, al gauw een plaatsje op de voorpagina waard. “Kabinet werkt met fundamentalisten aan imam-opleiding,” kopte de Volkskrant donderdag jongstleden. Gedoeld werd op een nog vertrouwelijk interdepartementaal rapport waarin zou staan dat de Universiteit van Amsterdam een imam-opleiding moet beginnen in samenwerking met de streng orthodoxe Turkse organisatie Milli Görüs en de Marokkaanse Ummon.

Het enige dat bij de argeloze lezer blijft hangen is de moraal: schande dat onze softe overheid met dat tuig samenwerkt.

De journalist van deze krant heeft na zo'n bericht bij de concurrent weer een ochtend werk. Een overzicht van de reacties van de in het bericht genoemde partijen:

Een van de opstellers van het rapport, T. van der Heijden, van het ministerie van Justitie: “Het is larie farie. Echt onzin.” Van der Heijden stelt dat zelfs de namen Milli Görüs of Ummon (noch enig synoniem) niet in het rapport voorkomen. Er is maar één keer een inventariserend gesprek geweest met een aantal koepelorganisaties.

Woordvoerder K. Donk van binnenlandse zaken vult aan: “In het rapport stellen we de vraag hoe we de positie van de imam kunnen verbeteren zodat hij een grotere rol kan spelen bij het integratieproces in de Nederlandse samenleving. U moet denken aan cursussen Nederlands en oriëntatie op de samenleving. Met imam-opleidingen houdt het rapport zich niet bezig. Met religieuze zaken willen we ons namelijk niet bemoeien.”

J. Waldram, secretaris van de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam: “Volledig uit de lucht gegrepen. Zo'n initiatief zou nooit buiten mij omgaan en ik weet van niets.”

Woordvoerder H. Karacaer van de Milli Görüs: “Wij pleiten al zo lang voor een eigen opleiding, maar hiervan weten wij niets.”

Woordvoerder El Boujoufi van de Ummon: “Niets van waar. De koepel waarvan wij lid zijn, heeft wel eens met ambtenaren gepraat. Alleen inventariserend over zaken als taalcursussen en jeugdcriminaliteit.”

Het bericht blijkt niet meer dan de zoveelste scoop. Als het onzin-gehalte te hoog blijkt, besluit de met zo'n krantenbericht nieuwsgierig gemaakte journalist meestal van een eigen artikeltje af te zien. Of hij schrijft het toch maar eens een keertje op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden