'Slaven hebben ze van ons gemaakt. Het is de hel die je ziet'

TOUNGOO - Toungoo dommelt nog. Het is een middelgrote Burmese provinciestad die min of meer vergeten aan de weg van Rangoon naar Mandalay ligt. Uitbundig bloeiende bougainville omlijnt de stoffige straten, fietstaxi's peddelen krakend voorbij en giechelende scholieren spelen zwaan-kleef-aan met de enkele buitenlander die hun woonplaats aandoet. De eigenaar van het theehuis schuift het geld weer terug. “Don't pay, my friend.” Burma op z'n best.

Maar opeens staat hij daar. Een kleine, breekbare man met afhangende schouders en wit tussen het zwart van zijn haar. Hij laat zijn blik glijden over een tafereel in het centrum van Toungoo, waar een historische gracht wordt uitgediept ter voorbereiding op 1996, van het Visit Myanmar Year (Myanmar is de officiële naam van Burma die de militaire junta heeft ingevoerd). Honderden handen die in de modder grijpen, ruggen die zich buigen en weer rechten onder de brandende zon. Een menselijke mierenhoop van mannen, vrouwen, kinderen.

De man begint te praten. Zachtjes maar dwingend, met zoveel kracht als op fluistertoon mogelijk is. “Slaven hebben ze van ons gemaakt. Nog minder dan honden zijn we voor hen. Het is de hel die je daar ziet. Die hebben de militairen voor ons geschapen.” En hij lost weer op in het straatbeeld.

“Dwangarbeid is er nu overal in Burma”, beaamt een priester die regelmatig door het land reist. Hij lacht bitter. “Het is een bewuste strategie om het volk murw te maken, zodat het geen fut heeft voor politiek.” Hij zwijgt even. “Een effectieve strategie”, zegt hij dan.

De economische hervormingen die de overheid propageert, kunnen in zijn ogen geen genade vinden. Volgens hem is voor de meeste mensen het leven de afgelopen jaren zwaarder geworden. “De meeste Burmezen zijn boeren. Nog altijd moeten ze quota leveren aan de overheid. Die zijn meestal zo onredelijk hoog dat er niets meer overblijft om te verkopen op de vrije markt. Lokale industrie wordt voor een deel weggedrukt door de goedkopere Chinese produkten die het land overspoelen. De prijzen, zelfs die van levensmiddelen, blijven stijgen, zodat het steeds moeilijker wordt de eindjes aan elkaar te knopen”. Hij balt zijn vuisten. “Ik zou het wel uit willen schreeuwen tegen de wereld: Laat je toch niet misleiden door al die uiterlijke moderniseringen. Er is honger in Burma, terwijl ons land eens de rijstschuur van Azië was.”

In Mandalay, na de hoofdstad Rangoon de grootste stad in Burma, klinkt in vrijwel elke straat gehamer. Overal verrijzen hoge, smalle hotels met spiegelende ruiten en veelbelovende namen als 'Saphire', 'Dream', 'Tiger' of 'New York'. Chinese tekens sieren de gevels en de karaoke-bars. Het is een publiek geheim dat al die hotels worden gebouwd om opiumgelden wit te wassen. Tachtig procent van de wereldproduktie van opium komt uit Burma, zo'n 2 700 ton per jaar. De prijzen van onroerend goed zijn de afgelopen vijf jaar vertienvoudigd en dus onbetaalbaar voor de meeste Burmezen. Chinatown heet Mandalay dan ook in de volksmond en de oorspronkelijke bewoners van de stad spreken spottend over hun Burmese buitenwijk.

Burma is een land zonder mogelijkheden, zeggen jonge mensen. Wie is afgestudeerd heeft weinig kans zijn kennis in praktijk te brengen. Het kolossale ambtenarenapparaat is als werkgever bepaald niet populair, omdat van het salaris niet te leven valt. Een onderwijzer verdient ongeveer 1 200 kyat (20 gulden) per maand, net genoeg om een paar dagen van te leven. Een ongeschoolde arbeider verdient nagenoeg hetzelfde. Wie het geluk heeft emplooi te vinden bij een buitenlands bedrijf of in de toeristenindustrie is beter af, maar de contacten die daarvoor nodig zijn, zijn slechts voor een enkeling weggelegd. “Weet je ook hoe ik in Amerika of Japan kan komen?”, zijn veelgehoorde vragen.

“Dit regime zal nooit de macht uit handen geven”, verzucht de eigenaar van een restaurant in Rangoon als hij de balans opmaakt van de vijf jaar die er sedert de verkiezingen verstreken zijn. In 1990 won de Nationale Liga voor Democratie, de partij van de onder huisarrest geplaatste oppositieleidster Aung San Suu Kyi, met een ruime meerderheid de verkiezingen. De junta, de Staatsraad voor Herstel van Recht en Orde (SLORC), die de militairen na de volksopstanden van 1988 uit eigen gelederen installeerden, zwaait echter nog altijd de scepter in het land.

Het afgelopen jaar leken er redenen voor een voorzichtig optimisme over het doorbreken van de politieke impasse. Voor het eerst sedert haar huisarrest in 1989 spraken twee leiders van de junta op voorspraak van een invloedrijke Burmese monnik uit het Britse Birmingham met Aung San Suu Kyi. Ook werd het haar toegestaan een aantal van haar partijgenoten te consulteren. Tot nog toe hebben de gesprekken echter geen vervolg gekregen en ondanks het aandringen van de Verenigde Naties, heeft de junta geen toezeggingen gedaan over de vrijlating van Suu Kyi. Ook werd haar echtgenoot die haar in het verleden een aantal keren bezocht, een visum geweigerd.

In zijn huiskamer bewaart de restauranthouder het boek van Aung San Suu Kyi, 'Vrij van angst'. Een moeizaam verkregen schat die een herinnering vormt aan de hoop die hij vijf jaar geleden koesterde. “We wachten, wachten en er gebeurt niets”, zegt hij somber.

“De NLD is niet zichtbaar meer voor de mensen. Naar buiten treden kan de partij niet, het is al moeilijk om als partijgenoten bij elkaar te komen. En in de Nationale Conventie, waar het overleg over een nieuwe grondwet plaatsvindt, is geen ruimte voor een discussie over democratische principes”, vertelt iemand die contacten heeft binnen de partij. “Geloof me, de democratische idealen zijn niet dood, maar we kunnen er niets mee doen.”

Musici vertellen dat de censuur sedert begin dit jaar is toegenomen. Iedereen werd voor een lezing opgetrommeld. “Vraag me niet wat er gezegd is, ik ben in slaap gevallen. Het zal wel weer over vaderlandslievende principes en het behoud van de Burmese waarden en cultuur zijn gegaan”, lacht een van hen. Kort daarna kwam de mededeling dat musici geen lang haar meer mogen dragen en dat in hun teksten het gebruik van woorden als hemel en hel verboden zijn. “Natuurlijk zijn we allemaal furieus”, verwoordt hij de stemming. “Maar wat kunnen we doen?”

Dat simpele zinnetje lijkt in Burma wel het volkslied geworden.

Een aantal jonge Burmezen is optimistischer. Het zijn voormalige leden van de DPNS, de Democratische Partij voor een Nieuwe Samenleving, een jongerenpartij die met zijn half miljoen leden de een na grootste partij in Burma was. De partij is inmiddel verboden, veel van de leden zitten gevangen, anderen zijn naar de jungle gevlucht om zich aan te sluiten bij het verzet. De achterblijvers werken ondergronds. Ze verspreiden pamfletten en verheffen af en toe hun stem, zoals onlangs bij de begrafenis van oud-premier U Nu.

Het is een bevlogen groepje zoals het vertelt over zijn ervaringen met de Burmese politiek. Vier van het vijftal zaten gevangen, vanwege kritiek op het regime. Ze zijn tussen de vijfentwintig en de dertig, maar hun ervaringen met de dictatuur hebben hun hardhandig levenswijsheid bijgebracht. De verwachting van een snelle politieke omwenteling heeft zich verruild voor een realistischer lange termijnplanning van geleidelijke verandering. “Wij, als nieuwe generatie politici, moeten laten zien dat de democratische principes voortleven. Wij beschouwen het als onze taak mensen te informeren over de politieke situatie en ze te wijzen op hun rechten. In kennis en ontwikkeling ligt de sleutel tot verandering. Het is een lange weg, maar uiteindelijk zullen we winnen”, zegt een jongeman, wiens schuilnaam 'overwinning' betekent.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden