Slapstick, een universele taal

Tijdloze Humor Met 'Ma Loute' draait er vanaf vandaag weer een echte slapstick in de bioscopen. Dat wordt vaak gezien als slap vermaak, terwijl het genre overal is.

Waarom hij voor slapstick heeft gekozen? De Franse regisseur Bruno Dumont kreeg die vraag herhaaldelijke na de première van zijn nieuwe film 'Ma loute' tijdens het filmfestival in Cannes. Een andere gast, Jim Jarmusch, aanwezig met een film over een dichter en de poëzie van alledag, werd niet gevraagd waarom hij voor poëzie had gekozen. Jarmusch kreeg applaus. Dumont moest zich verantwoorden.

Altijd weer die reflex. Voordat de slapstick van Chaplin, Buster Keaton en Laurel & Hardy in de canon van visuele kunst werd opgenomen, gold die als plat vermaak. Taarten in je gezicht gesmeten krijgen, van steigers vallen en wonderwel goed terechtkomen, hoezo was dat grappig?

Terwijl slapstick een universele taal is. Iedereen begrijpt het. Toch wordt het belang ervan chronisch onderschat. Slapstick is meer dan de kunst van taarten en steigers. Het is de kunst van expressie uit een tijd waarin film alleen nog beeld zonder geluid was. Het liet zien hoeveel je met beelden kon vertellen. De slapstick uit die beginjaren heeft de filmkunst blijvend van richting veranderd door makers te dwingen na te denken over de zeggingskracht van beelden en het ritme en de timing van de grappen.

Wanneer volgende week de Pixar-animatie 'Finding Dory' in de bioscoop verschijnt - de opvolger van 'Finding Nemo' - zal voor kijkers de slapstick in de gezichtsuitdrukkingen en bewegingen van de cartoonpersonages instinctief duidelijk zijn. Veel animatie werkt met visuele grappen, dus het is niet gek dat het slapstickgehalte hoog is. De Road Runner-cartoon, Tex Avery-cartoons als Bugs Bunny en Droopy, en de klei-animaties van de Britse Aardman Studio's, zoals Wallace and Grommit en Shaun het schaap, hadden zonder slapstick niet bestaan. Zelfs animatie die zwaar op dialogen leunt, zoals The Simpsons, heeft er veel aan te danken.

Verfrissend eerlijk

Maar het draait niet alleen om de grappen. Animatie is arbeidsintensief om te maken, dus een beeld moet zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk middelen. Dat is de essentie van slapstick. Naast alle verhullende dialogen en gelaagd acteren is slapstick verfrissend eerlijk.

Het is een type humor dat nooit verdwijnt, ook al is het tegenwoordig zeldzaam. Via de latere komedies van Chaplin, de komedies van Jacques Tati in de jaren vijftig, Louis de Funès, de films van Monty Python, 'Airplane!' en sommige oude films van Woody Allen, zoals 'Sleeper' uit 1973, heeft slapstick de komst van geluid overleefd.

Maar het opvallende is dat je het sindsdien ook op onverwachte plekken vindt. Dan heeft het niet alleen een komisch maar ook een dramatisch effect. Als sheriff Brody in 'Jaws' achteloos vlees en bloed in het water gooit om de haai te lokken en het monster komt plotseling naast de boot boven water, dan zijn Brody's terugdeinzende beweging en de uitdrukking op z'n gezicht slapstick. Als de man in de zonnige openingsscène van 'Blue Velvet' van David Lynch zijn keurig aangeharkte tuintje besproeit, dan door een hartaanval op het gras valt terwijl de sproeier water over het lichaam blijft sproeien, dan is dat slapstick. De stoelendansscène met het afgesneden oor in Quentin Tarantino's 'Reservoir Dogs': slapstick.

Verhoeven en Tarantino

Vóór Paul Verhoeven en Tarantino hadden mainstreamfilms vaak één signatuur: ze waren komisch of tragisch, actiefilm of drama. Alleen genrefilms zoals horrorfilms of westerns wilden nog weleens van toon wisselen. Dankzij Verhoeven en Tarantino accepteren kijkers het als een filmmaker een slapstickscène in een serieuze film stopt, zoals de scène in 'Robocop' waarin een haperend nieuw model robot tijdens de presentatie een deel van het politiemanagement executeert. In 'Robocop' versterkt die zelfs de onderliggende kritische boodschap over de privatisering van de politie.

Een van de weinige makers die de mogelijkheden van slapstick volledig uitbuiten, is de jonge Britse regisseur Edgar Wright, maker van actiekomedie 'Hot Fuzz' en zombiekomedie 'Shaun of the Dead'. Bij Wright zie je hoeveel komische effecten je uit schijnbaar alledaagse taferelen kunt halen.

Bruno Dumont, de regisseur van 'Ma Loute', was tijdens het filmfestival Cannes niet te beroerd om zijn keuze voor slapstick te motiveren met verwijzingen naar een meer gerespecteerde kunstvorm. Hij vertelde hoe zijn films in de traditie staan van de grote Vlaamse schilders. Die van Pieter Bruegel de Oude en Hiëronymus Bosch, om precies te zijn. Vlaanderen, althans de Zuidelijke Nederlanden, reikte in die tijd van het noorden van Frankrijk - waar Dumont bijna al zijn films opneemt - tot aan 's Hertogenbosch, dus dat klopte.

De filmmaker doelde vooral op de expressionistische, groteske stijl van de schilders. De groteske manier waarop hij twee kannibalistische en incestueuze families portretteert in 'Ma loute' is volgens hem niet meer dan een komische overdrijving, precies zoals Bosch 'Het Narrenschip' had geschilderd. Een stijlmiddel, vertelde hij, waarvan hij de filmische mogelijkheden nu pas echt begint in te zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden