Slachtoffers Srebrenica / Botten, botten en nog eens botten

Ruim zes jaar na de oorlog in Bosnië worden regelmatig menselijke resten opgegraven. Twaalfduizend lichamen zijn gevonden, nog veel meer zullen er nog gevonden worden. Het aantal vermisten zou wel eens rond de 30000 kunnen liggen, van wie tachtig procent moslim is. De identificatie van de slachtoffers is een gigantisch probleem, blijkt bij een bezoek aan het lijkenhuis van Tuzla.

Stelling na stelling witte plastic lijkenzakken, de modder van de opgravingslocatie er vaak nog aan. Een enkele onthult zijn inhoud: botten, botten en nog eens botten, bijna vergane kleding, half vergane kleding en bijna intacte kleding. Een stralend wit gebouw tegenover een begraafplaats in Tul; het knekelhuis van Bosnië-Herzegovina.

De baas ervan, de jonge moslim Zlatan Sabanovic (26), kent het aantal uit zijn hoofd. Hier liggen 4409 zakken met de overblijfselen van de slachtoffers van Srebrenica. Hoeveel mensen erin zitten weet hij niet precies. Het kunnen er tussen de 7500 en 10000 zijn. In hun pogingen bewijsmateriaal te verdonkeremanen, hebben de Serviërs na de massamoord massagraven gedolven en weer opgegraven, gebulldozerd en met lichamen gesleept. En nu liggen er veel lichaamsdelen door elkaar. Een zak kan goed de restanten van tien verschillende mannen -er zitten in totaal slechts twee vrouwen tussen- bevatten. Slechts de overblijfselen van 1800 lichamen zijn min of meer compleet.

Ruim zes jaar na het einde van de oorlog worden in Bosnië nog met de regelmaat van de klok menselijke resten opgegraven; slachtoffers van het niets ontziende etnische geweld dat drie jaar lang over het land raasde. Specialisten van het Joegoslavië-Tribunaal begonnen kort na de oorlog met het spitwerk, op zoek naar bewijsmateriaal voor de op ruime schaal gepleegde oorlogsmisdaden. De diverse overheden in Bosnië werden met het resultaat opgezadeld: duizenden lijken en delen van lijken. Ze wisten niet wat ze ermee aan moesten, sloegen de overblijfselen op in tunnels en lieten ze voor wat ze waren.

Inmiddels zijn er zo twaalfduizend lichamen boven water. Hoeveel slachtoffers er waren weet niemand zeker. Bij het Internationale Rode Kruis zijn 17500 mensen als vermist opgegeven. Maar tijdens het proces van opgravingen en identificatie tot nu toe is gebleken dat een groot deel van de opgegravenen niet op de lijsten van het Rode Kruis voorkomt, zegt Kathryne Bomberger van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) in Sarajevo. Afgaande op de gegevens waarover de ICMP beschikt, zou het aantal vermisten wel eens rond de dertigduizend kunnen liggen. Meer dan tachtig procent van hen is moslim, twaalf procent is Bosnisch-Servisch en een klein percentage is Bosnisch-Kroatisch.

Het opgraven van een skelet of een deel ervan is echter nog maar het begin van het werk, zegt Zlatan Sabanovic in Tuzla. Sinds families van slachtoffers lucht kregen van de opgravingswerkzaamheden van het Joegoslavië Tribunaal willen zij natuurlijk ook weten wie er in die plastic zakken zaten en of er misschien verwanten van hen tussen waren. Aanvankelijk was dat een tijdrovend en duur karwei. De traditionele, nogal onbetrouwbare methode gaat uit van herkenning van kledingstukken en persoonlijke eigendommen en eventueel van de beschikbaarheid van medische indicaties als gebitsgegevens of vroegere botbreuken. Er gingen wel bot- en bloedmonsters naar het buitenland voor DNA-identificatie, maar dat waren er relatief weinig. Het was duur en het duurde eindeloos, soms wel een jaar, voordat de uitkomst bekend was.

In het ICMP-centrum van Zlatan Sabanovic in Tuzla scheiden vier dikke gele deuren de opslagruimte van de lichamen af van de gang. Mannen in blauwe overalls lopen er heen en weer, zwarte kaplaarzen aan de voeten, doorzichtige chirurgenhandschoenen aan de handen. Achter de deuren is het koud, de overblijfselen moeten vanzelfsprekend gekoeld worden bewaard. Niettemin stinkt het er naar de dood. Tegenover de gele deuren, in de eerste kamer aan de linkerkant van de gang, worden autopsies verricht. Hier probeert de forensisch patholoog stukjes skelet in elkaar te puzzelen.

Een kamer verder wast een wasmachine de opgegraven kleding en hangen kledingsstukken, of restanten ervan, die in de derde kamer samen met allerlei persoonlijk eigendommen worden gefotografeerd. Het fotoboek, dat wordt gebruikt voor de traditionele identificatiemethode, toont een keur aan aanstekers, portemonnees, sigarettenpijpjes, ondergoed, truien, t-shirts en trainingsbroeken.

In de autopsiekamer gebeurt tegenwoordig nog iets anders. Van een dijbeen ontbreekt een stukje; het is er uitgezaagd om een DNA-profiel te kunnen opstellen in een laboratorium in Sarajevo. Meer dan tienduizend familieleden van vermisten hebben bloed gegeven, waaruit in Tuzla een dergelijk profiel wordt gemaakt. De gegevens verdwijnen in een computer en als die overeenkomsten registreert, is de kans groot dat er een familielid is gevonden. Met de huidige methode gebeurde dat voor het eerst op 16 november vorig jaar. Zo kon de identiteit van een vijftienjarige jongen worden vastgesteld. Sindsdien zijn er tientallen lichamen geïdentificeerd.

Dat lijkt op het eerste oog niet veel, maar in voorgaande jaren lag het tempo van identificatie van de Srebrenica-slachtoffers aanmerkelijk lager. Als het nieuwe systeem eenmaal volledig operationeel is, zullen de specialisten maandelijks de identiteit van ongeveer tweehonderd lichamen kunnen vaststellen, verwacht Sabanovic.

Wat er met de overblijfselen van een geïdentificeerde gebeurt, is aan de familie om te beslissen. Die kan de botten individueel begraven. ,,Maar dat is erg moeilijk'', zegt Zlatan Sabanovic. ,,Voor een standaardbegrafenis moeten ze driehonderd tot driehonderdvijftig euro betalen en de meesten hebben dat niet. Ze hebben geen inkomen of misschien een klein pensioentje, maar dat is niet meer dan honderd euro per maand.'' Slechts in 32 gevallen heeft de familie het lichaam meegenomen. De rest ligt nog in de opslag.

Familieleden reageren uiteenlopend op de identificatie van verwanten. Sommigen zijn opgelucht, blij soms, omdat er een einde komt aan een jarenlange, martelende onzekerheid en uitzichtloze hoop dat de geliefde nog in leven is. Hun rouwproces kan beginnen. Anderen zijn juist ontroostbaar omdat het laatste restje hoop de bodem wordt ingeslagen.

,,Er is geen collectieve menselijke manier om op deze dingen te reageren'', zegt Kathryne Bomberger van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen. ,,We werken nu vier jaar met de Vrouwen van Srebrenica en we zien een sterk gevoel van frustratie, van woede. Hun levens liggen aan diggelen voor altijd en eeuwig. Maar ze zijn in die vier jaar wel veel sterker geworden. Ze zijn door een proces van ontkenning gegaan, zelfs ontkennend dat deze mensen dood zijn. Via een proces van acceptatie dat ze dood zijn tot beginnen te denken aan begraven.''

Maar het gevoel bestaat dat als we ze begraven, dan begraven we het onderwerp voor altijd en niemand zal zich ons herinneren. Het is een heel gecompliceerd onderwerp. We geven ze geld zodat ze de dingen kunnen doen die ze nodig vinden, maar ook om ze hun onafhankelijkheid te laten behouden van politieke partijen die hen graag willen manipuleren. We willen ze zo veel mogelijk in staat stellen hun eigen beslissingen te nemen. Het boek op hun eigen manier te sluiten.''

Om de herinnering levend te houden, en om de begrafenis niet al te begrotelijk te maken, wordt er later dit jaar, waarschijnlijk in juli, een herdenkingscentrum geopend in Potocari in de huidige Republika Srpska; een dorp vlakbij Srebrenica waar tijdens de rampzalige inname van de stad door de troepen van generaal Ratko Mladic de Nederlandse militairen van Dutchbat waren gevestigd. Daar zullen ook zo'n achttienhonderd individuele graven worden gedolven voor slachtoffers van wie alle gegevens geregistreerd zijn. De meesten zullen voorlopig een grafsteen met een nummer krijgen, dat kan worden vervangen door een naam als de identiteit van de betrokkene uiteindelijk wordt vastgesteld.

Een herdenkingscentrum voor moslimslachtoffers, midden in Bosnisch-Servisch gebied. Dat klinkt haast als een politieke stellingname. Kathryne Bomberger van de ICMP is de eerste om dat te bevestigen. ,,Absoluut'', zegt ze gedecideerd. ,,Er is zeker een element van wraak, een gevoel van: we gaan terug. De families hadden ook kunnen besluiten de lichamen in moslimgebied te begraven. Maar het is hun beslissing. Het móest hun beslissing zijn.''

Die beslissing brengt een aantal grote problemen met zich mee. Het veiligheidsrisico bijvoorbeeld. Het centrum zal tot in lengte der jaren bewaakt moeten worden om schennis van de graven door wraakzuchtige Serviërs te voorkomen. En ook de bezoekers kunnen er voorlopig niet zonder gewapende begeleiding heen om te rouwen en te herdenken. Bomberger wijst op nog een ander 'absurd scenario'. Er blijven nu lichamen boven de grond, geïdentificeerd en al, in afwachting van de manifestatie die op het programma staat voor 11 juli, de herdenkinsdag van de val van Srebrenica. ,,Het is een heel breekbaar en moeilijk proces, maar uiteindelijk hebben zij het voortouw genomen'', zegt ze. ,,Wij volgen slechts.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden