'Sla je je arm om dat meisje met verdriet?

Jeugdzorgwerkers worstelen dagelijks met het dilemma tussen afstand bewaren en nabij zijn. En waar slaat experimenteren met seksualiteit tussen pupillen om in misbruik? 'Je kunt niet garanderen dat je alles ziet', zegt de oud-groepsleider. Beleidsregels zijn de afgelopen tijd verbeterd, maar de praktijk is soms weerbarstig.

Paul Post (47) werkt sinds 1985 in de jeugdzorg: de laatste tijd als interim-manager, maar daarvoor 25 jaar als groepsleider en leidinggevende van woongroepen in de jeugdzorg. "Dat was de tijd waarin we nog weinig gemengde groepen hadden. Daardoor leek het misschien dat je niet verdacht hoefde te zijn op seksueel contact tussen jongens en meisjes. Maar dat bleek tegen te vallen. Het bleek ons dat ook jongens onderling experimenteren, soms tegen de wil van een van hen."

Een van de gevleugelde termen van de commissie-Samson is 'handelingsverlegenheid': mensen in de jeugdzorg weten niet hoe ze om moeten gaan met (signalen van) seksueel misbruik. Nou, toen Post begon was die handelingsverlegenheid bepaald groter dan tegenwoordig. "We spraken er wel over, maar veel minder dan nu gebeurt. Als er iets was voorgevallen tussen jongens onderling dat niet acceptabel was, maakten we afspraken voor een volgende keer. Maar protocollen en handleidingen hoe je daarmee omgaat, die er nu overal zijn, bestonden toen nog niet."

Post werkte ook een tijdje met zwakbegaafde kinderen. "De communicatie over seksualiteit stond echt nog in de kinderschoenen. Je had nauwelijks voorlichtingsprogramma's met bijvoorbeeld plaatjes. Met zwakbegaafde kinderen communiceerde dat extra lastig."

In die tijd, een kwart eeuw terug, was net ook discussie ontstaan over de afstand die je als jeugdzorgwerker moest bewaren tegenover de jongeren. "Het was nog niet ongewoon om op sommige weekenden, of tijdens de feestdagen, als er maar weinig kinderen waren, ze mee te nemen naar je eigen huis." De ouders van Post werkten ook in de jeugdzorg en vonden het heel normaal om dat te doen. "Wij woonden op het terrein, de afstand met de groepen was echt klein."

Die nauwe omgang vond meestal plaats met de beste bedoelingen, maar er kwam toch een eind aan. Post: "Het gebeurt echt nergens meer. Om vervelende verhalen te vermijden, of om echt zeker te kunnen weten dat er geen twijfelachtige dingen voorvallen."

Post en collega's gingen elkaar ook vaker aanspreken op wat in de groep gebeurde: hoe gingen de kinderen met elkaar om, waar was sprake van een mogelijk conflict, of wie gedroeg zich opeens anders omdat er misschien iets was gebeurd? "Natuurlijk, er kan zich van alles afspelen wat je niet ziet."

In de loop van de jaren kwamen er steeds meer gemengde groepen, en daarbij werd het verboden om in de slaapkamer van de andere sekse te komen. "Zelfs dat is geen garantie dat er niets gebeurt. Je gaat met elkaar naar het zwembad, je gaat op kamp. Je probeert alles zo goed mogelijk in de gaten te houden. Ik denk dat juist bij gemengde groepen de medewerkers alerter zijn op ongewenst gedrag. Dat verwacht je sneller dan wanneer alleen jongens bij elkaar zitten. Toch ben ik ervan overtuigd dat iedere pedagogisch medewerker wel eens signalen mist. Dat kan niet anders, hoe goed je je best ook doet. Er wordt geëxperimenteerd, en soms gebeuren daarbij ongewenst dingen, helaas. Hoe verschrikkelijk ik het ook vind voor de slachtoffers: je kunt niet garanderen dat het niet gebeurt."

Post: "Je maakt de jongeren in heel intieme situaties mee. Stel dat er een ziek is, ga je dan in je eentje de slaapkamer binnen om te temperaturen? Nee, toch liever met twee tegelijk. Om jezelf in te dekken." Hij zou niet aanraden dat jeugdzorgklanten op elk moment twee begeleiders moeten hebben. "Dat zou veel spontane dingen eruit halen. Als je bijvoorbeeld even naar de winkel wil gaan met een jongere, of wil sporten, kun je dat niet altijd met twee begeleiders doen."

Afstand of nabijheid: het dilemma speelt voor veel jeugdzorgwerkers, en daarom is er van het begin af aan al aandacht voor in de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) aan De Haagse Hogeschool. Wanneer doe je wat en met wie, daar lopen de professionele jeugdzorgwerkers constant mee in hun hoofd. Sla je inderdaad die arm om dat huilende pubermeisje heen, of niet? "Een hulpverlener moet zich telkens afvragen of dat in die situatie nodig is. Zo'n meisje kan echt verdriet hebben en troost nodig hebben. Maar ze kan ook in de gaten hebben dat huilen een manier is om extra aandacht te krijgen", zegt Marion van de Sande, docente SPH aan de Haagse Hogeschool en lid van het Kenniscentrum voor Jeugd en Opvoeding.

Haar collega Marthy Langendonk, SPH-docente en geregistreerd seksuologe, vertelt dat hetzelfde ook geldt op het gebied van seksualiteit. "Zo'n meisje is vaak heel kwetsbaar en heeft bijvoorbeeld te weinig aandacht gekregen van haar ouders, of is mishandeld of misbruikt. In een jeugdzorginstelling is als het goed is al meer aandacht voor haar, maar misschien merkt ze dat ze bij sommige hulpverleners net iets meer aandacht krijgt als ze intiemer wordt. Ze peutert aan je grenzen. Daar moet een hulpverlener alert op zijn, want anders passeert hij een grens en monden intimiteiten misschien wel uit in seksuele gedragingen."

Bovendien, zegt Van de Sande, kan door de groepsdynamiek een jongere die als slachtoffer in een instelling binnenkomt zich daar als dader binnen de groep gaan gedragen. "Een jongere ziet dan misschien kans om dan niet meer het slachtoffer te zijn, maar slaat daar dan in door, draait de rollen om en gaat dan zelf grensoverschrijdend gedrag vertonen, tegenover de hulpverlener, maar ook binnen de groep. Bovendien gaat het vaak om pubers die hun seksualiteit ontdekken. Zij kijken en vergelijken, net zoals dat op een middelbare school gebeurt. Ze experimenteren en proberen grenzen te verleggen. Dat is normaal, maar binnen een instelling bestaan andere kaders. En andere regels. Zoals thuis meestal de regels van de ouders gelden."

Jeugdzorgwerker Paul Post merkte aan den lijve hoe belangrijk het was zijn eigen grenzen te bewaken. "Sommige jongeren waren behoorlijk grenzeloos, dat was duidelijk. Maar het kon je ook gebeuren dat ze op het oog heel onschuldige opmerkingen plaatsten. Soms heb je dat niet door, je zit 24 uur per dag op elkaars lip en dan lijken sommige dingen onschuldig. Maar dan kon een collega je erop wijzen dat iets toch flirterig was bedoeld. En dat je er dus een einde aan moest maken. Ik heb anderen op dergelijke situaties gewezen, en collega's hebben het ook bij mij gedaan. Daar was ik blij om, het betekent dat je elkaar vertrouwt. Als een team goed samenwerkt, er een veilige cultuur is waarin je elkaar kunt aanspreken op signalen, gebeurt dat ook sneller."

Dat laatste bevestigt opleider Marthy Langendonk. "Het is belangrijk dat het team van de hulpverlener sterk en veilig is. Hulpverleners moeten bij hun collega's terecht kunnen voor vragen en dilemma's, maar ook bij leidinggevenden, voor advies en ondersteuning. Zoals de commissie-Samson ook zegt, de omgang met seksualiteit moet een onderdeel worden van het werk. Voordat het zo is, moet dat onderwerp wel eerst bespreekbaar worden gemaakt", zegt Langendonk.

"Ook nu, jaren na de seksuele revolutie in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, heerst nog steeds een taboe op seksualiteit. Mensen praten er nog steeds niet zo makkelijk over, ook al heb je nog zo'n vertrouwensband met elkaar. Uit onderzoek blijkt dat kinderen van al hun gesprekspartners het minst met hun ouders over seksualiteit praten, ook als ze een goede relatie met hen hebben", vertelt Van de Sande. "Ook in de jeugdzorg kan dat lastig zijn. Als hulpverlener in bijvoorbeeld een gezinsvervangend tehuis ben je ook een soort opvoeder voor de kinderen in de groep. Juist door die band kan het zijn dat de kinderen niet met de hulpverlener praten over hun seksualiteit, zoals ze dat met ouders ook niet zouden doen."

De Haagse opleiding doet moeite om potentiële sociaal-pedagogische hulpverleners te leren hoe dit allemaal in de praktijk werkt. In het derde jaar lopen de leerlingen stage. Hun ervaringen - ook over nabijheid en afstand - wisselen ze dan uit met de andere studenten. In het laatste jaar, vlak voordat ze echt aan de slag gaan in de instelling, is er uitgebreid aandacht voor de verhouding hulpverlener-cliënt. "

Jeugdzorgwerker Paul Post was zich bijna voortdurend bewust van zijn positie. "Een jongere krijgt bijvoorbeeld een naar telefoontje van de ouders. Het zou dan raar zijn om niet even te troosten. Maar ik was toch heel terughoudend met het slaan van een arm om iemand heen. Met meisjes zeker nog meer dan met jongens. Dat gold voor de vrouwelijke collega's andersom. Ook al is het zonder bijbedoelingen, je moet toch oppassen. Ik maakte altijd een heel duidelijk onderscheid met hoe ik met mijn eigen kinderen omging. Het zijn ook niet je eigen kinderen, was een besef dat er toen steeds meer inkwam. De rol van ouders werd groter in de loop van de tijd, wij zagen onszelf sterker als passanten die de verantwoordelijkheid voor de opvoeding hoogstens tijdelijk overnamen."

Binnen jeugdzorginstellingen is het beleid wat betreft seksualiteit en intimiteit helemaal niet verkeerd, zeggen de opleiders van De Haagse Hogeschool. Er is duidelijk vastgelegd wat er moet gebeuren met vermoedens van misbruik, en in welke gevallen bijvoorbeeld aangifte moet worden gedaan. Maar de medewerkers zijn niet zo goed getraind om dat beleid goed uit te voeren. "Op papier ziet het er prima uit en dat is waar de Inspectie Jeugdzorg vooral op let. Maar het moet dieper gaan dan wat te doen bij een vermoeden van seksueel misbruik en dat soort regels. Het moet gaan over hoe een medewerker ermee omgaat, hoe een hulpverlener daarop reageert. Dus niet alleen controleren, maar ook helpen", meent Langendonk.

Hoewel de regels er zijn en er echt wel over misbruik binnen de instellingen wordt nagedacht, is er bijna nergens een speciale functionaris op het gebied van seksualiteit, zegt de seksuologe. "Instellingen hebben nog te weinig contact met professionals die gespecialiseerd zijn in seksualiteit. Als reden hoor je vaak dat daar geen geld voor is. Maar een instelling investeert daarmee, en haalt daar later winst uit. Bij preventie wordt altijd aan het begin flink geïnvesteerd en zijn de resultaten pas later echt zichtbaar."

Langendonk wijst op de komst van de nieuwe hbo-opleiding tot consultant seksuele gezondheid. In Utrecht bestaat die net, in Amsterdam willen ze gaan beginnen. Die mensen zijn volgens de docente 'zeer geschikt' om de rol van functionaris rond seksualiteit en intimiteit binnen een instelling op zich te nemen.

Jeugdzorgwerker Paul Post beschouwt het misbruik zoals dat deze week naar voren kwam als 'heel ernstig'. "Het aantal verbaast me misschien minder, jongeren komen vaak juist bij jeugdzorg mede nadat ze thuis ook al de grens overgegaan zijn. Maar ondanks beter bespreken, meer kennis en ook technische hulpmiddelen zoals camera's en open gespreksruimtes en kantoren van medewerkers, komt het nog steeds voor. En dat is schokkend, want het mag niet."

Post is nu interim-manager in de jeugdzorg en blijft daarnaast met zijn vrouw enthousiast pleegkinderen opnemen. "Als ik hoor dat een pleeggezin de voorkeur verdient, kan ik dat alleen maar beamen. Niet alleen omdat de kans op misbruik kleiner zou zijn, ook om de jongeren zoveel mogelijk een omgeving te bieden die lijkt op thuis. Ik ben echt trots op de jeugdzorg. Ook al gaat het nog lang niet allemaal goed, er is heel veel verbeterd. En ik vind dat we ons moeten blijven inzetten voor jongeren die van huis uit minder hebben meegekregen."

Jaloers op kinderopvang
De Haagse SPH-docenten Marion van de Sande en Marthy Langendonk zien dat de in de kinderopvang, vooral na de Amsterdamse zedenzaak met Robert M., de discussie vrij snel losbarstte over hoe de leiding van een groep op een crèche te organiseren. Bijvoorbeeld door hbo-opgeleide mensen aan het hoofd van een groep te zetten. Hetzelfde geldt voor de peuterspeelzalen.

Van de Sande: "Maar bij jeugdzorg lijkt die discussie veel minder gevoerd te worden. Hopelijk is het eindrapport van de commissie-Samson een goede aanleiding om over het thema seksualiteit en intimiteit op alle niveaus in de sector daarover om de tafel te gaan."

Nu wél aangifte doen
In de jaren negentig ging jeugdzorgwerker Paul Post leidinggeven in de jeugdzorg. "Ik kreeg toen een meisje op bezoek dat al van de afdeling weg was, maar dat vertelde waar een begeleider over de grens was gegaan." Het ging om ernstige zaken, wat precies vertelt Post niet.

"Ze wilde waarschuwen ten behoeve van de meisjes die nog op de groep zaten, maar we hebben haar echt aangeraden aangifte te doen, want dit ging ver over de grens." De medewerker werd ontslagen, aangifte volgde, maar het kwam niet tot de strafrechter, omdat wel bleek dat hij de grens over was gegaan, maar wat hij vervolgens had gedaan kon niet bewezen worden. "Als dit was gebeurd toen ik net in de jeugdzorg werkte, was aangifte misschien minder vanzelfsprekend geweest."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden