Sla dat brilletje van zijn hoofd

Nodeloos kwetsen lijkt een mediarage van de laatste jaren. Maar Nederlandse schrijvers gaven het voorbeeld. Wie kritiek had op hun schrijfsels, kon rekenen op de giftigste scheldkanonnades.

Kinnesinne hoort bij het literaire leven zoals klieren bij de puberteit. 't Is welbeschouwd een typische vorm van baltsgedrag. Mannen plegen zich daarin doorgaans hard te weren. En omdat schrijvers niets menselijks vreemd is, baltsen ook zij er onder elkaar lustig op los. Zo kan het gebeuren dat oude vrienden zo maar mededingers of zelfs vijanden kunnen worden, met alle gevolgen van dien.

Meestal blijft het gebakkelei beperkt tot het letterkundige genre van de polemiek, maar af en toe komt er ook lichamelijk geweld aan te pas. Via de Gerard Reve-biografie van Nop Maas weten we dat een tamelijk beschonken Reve Simon Vinkenoog voor een volle zaal letterlievenden een welgemikte schop heeft verkocht, er staat zelfs een fotootje bij. Naderhand gevraagd naar het waarom van deze actie noemde Reve Vinkenoog een'ongebakken deegsliert' en een 'piepende aalscholver'.

Het voorval doet denken aan de legendarische knokpartij tussen de dichter Martinus Nijhoff en de essayist E. du Perron op de stoep van het Amsterdamse café Americain, anno 1931. De stevig pimpelende Nijhoff had daar vernomen dat Du Perron bezwaren tegen hem had, dus vond hij dat het geschil maar eens met blote handen moest worden uitgevochten. Toen de kemphanen door toegesnelde taxichauffeurs uit elkaar waren gehaald en ze zich onder het genot van wat extra glazen hadden verzoend, deed Du Perron in een brief aan A. Roland Holst verslag van het incident. "Pom [Nijhoff] schijnt te krabben als hij vecht, althans ik merkte dat ik bloedde aan mijn bovenlip, waarvan hij een stukje vel had afgekrabd, maar het stond heel mooi, want er was althans een bloedzakdoek bij, die in de kronieken van 'de Kring' [Amsterdamse kunstenaarssociëteit] wel zal uitdijen tot minstens 2 bloedneuzen."

Zowel Du Perron als Reve hadden een zekere reputatie inzake geweld: zij wilden er al op los timmeren wanneer iemands gezicht hun niet aanstond, laat staan als ze zich beledigd of bedreigd voelden. Maar hoe zit het bij andere schrijvers? Komen hun vetes gewoon voort uit botsende karakters of eerder uit onverenigbare standpunten? Wordt het persoonlijke hier trouwens niet vanzelf politiek? Of in elk geval literaire politiek?

Als iemand literaire politiek met onzakelijke sentimenten wist te kruiden, is het W.F. Hermans. In zijn roemruchte bundel 'Mandarijnen op zwavelzuur' staan daarvan legio voorbeelden. Neem deze tirade aan het adres van J.B. Charles: "Er worden geen geheimen verraden, wanneer ik eraan herinner dat J.B. Charles kaalhoofdig is. [...] Kaalhoofdigen vormen, evenals stotteraars en roodharigen, een psychologische categorie apart. Felon, Burglar en Crook (Med. Proc. Vol. XXXXVI, p. 391) wijten de kaalhoofdigheid aan overmatige opzwelling van de schedel: de hoofdhuid wordt steeds strakker gespannen onder aandrang van winderige ideeën, de bloedsomloop neemt af, de haarwortels ontvangen geen groeisappen meer." Conclusie: kale knarren moeten weg. Guus Luijters zou Hermans' afkeer van kaalhoofdigen jaren later herhalen toen hij Trouw-criticus T. van Deel de mantel uit wilde vegen.

Met zijn 'Mandarijnen' heeft Hermans school gemaakt, eerst bij het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, later bij jeugdkampioen beledigen Arnon Grunberg, en vandaag de dag ook op de website GeenStijl, die vaart onder de vlag 'tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend'.

Maar het zou een misvatting zijn om te denken dat de Hermans de eerste was die er bij het beslechten van literaire vetes met gestrekt been inging. Nederland kent daarin een eerbiedwaardige traditie.

Toen eind negentiende eeuw het toptijdschrift De Nieuwe Gids uiteenspatte, leefde Willem Kloos zijn rancune uit in een berucht geworden serie scheldsonnetten. Het slachtoffer was Frederik van Eeden: diens sociale bekommernis was niet naar de smaak van de ivorentorendichter Kloos. En zijn goedbedoelde pogingen om alcoholist Kloos uit de fles te trekken, maakten het alleen maar erger. Kloos sloeg terug met de woorden: "Gij, die nooit anders kondet dan een spons zijn / O Frederik van Eeden, Uw verleden / Van burgerlijk verwaten-zijn, is iets / Waar elk aristokraat met zware oogleden / Op neerzag met flets oogen zeggend niets / Gij die gezet zijt uit de Nieuwe Gids / Zijt voor den echten adel slechts een Witz." Bewijs iemand een dienst en hij zal je het nadragen als een belediging, een vergrijp, of erger.

Willem Kloos had er sowieso een handje van om literaire vrienden en medestanders van zich af te stoten. Nadat hij zich had laten meeslepen in meer dan vriendschappelijke gevoelens voor de zes jaar jongere Albert Verwey, liet hij hem als een baksteen vallen toen die zich verloofde met Kitty van Vloten. Als literaire persoonlijkheid zou Verwey ver boven Kloos uitstijgen, maar hij bleef nooit verschoond van Kloos' wraaklustige schimpscheuten.

Een eigentijds voorbeeld van een boezemvriendschap die omslaat in een vete, is te vinden in 'Het bedrog' van Boudewijn Büch. In deze sleutelroman maakte de schrijver de negatieve balans op van zijn jarenlange relatie met neerlandicus Peter van Zonneveld.

Het is frappant om te zien hoe schrijvers zich tegenover bepaalde collega's uiterst honds kunnen gedragen, terwijl ze anderen, bij voorkeur degenen die het helemaal niet verdienen, tegen beter weten in blijven pamperen. E. du Perron, hier al eerder opgevoerd als tegenstander van Martinus Nijhoff, was verantwoordelijk voor de karaktermoord op de ooit prominente essayist Dirk Coster ('ethisch kwijl!'), maar liet zich zelf jarenlang gewillig gebruiken als voetveeg van J.J. Slauerhoff. Het is aan Du Perron te danken dat er van 'Slodderhof' ooit een letter in druk is verschenen: Slauerhoffs handschrift was onleesbaar, zijn manuscripten waren her en der verstrooid en hij zelf leek niet al te geïnteresseerd om ze uitgegeven te krijgen. Dus nam Du Perron keer op keer de redactie en correctie ter hand, terwijl hij intussen moest toezien hoe de treiterbeluste Slau de boeken uit zijn bibliotheek gebruikte om er vliegen mee dood te meppen. Het eindigde ermee dat Slauerhoff de gloeiende kolen op zijn hoofd zo slecht wist te dragen, dat hij koos voor een agressieve vlucht naar voren. Hij begon zijn bewaarengel te beledigen en te belasteren, zodat die ten slotte niets anders kon doen dan berusten in de breuk. Het weerhield Du Perron er overigens niet van om zich na Slauerhoffs dood met hart en ziel in te zetten voor de samenstelling van diens verzameld werk.

Net als het gros van de politici zijn schrijvers vaak niet bij machte om hun grote ego in de lucht te houden. Dat maakt ze afhankelijk van niet aflatende aandacht en bevestiging. De vermeende vrienden en supporters die daarin tekortschieten, worden beschuldigd van een gebrek aan loyaliteit of uitgemaakt voor verrader. Daarna volgt de excommunicatie, die gepaard gaat met banvloeken en verwensingen. Willem Kloos was daar sterk in, maar niet als enige. Ook W.F. Hermans en J.J. Voskuil hebben menige vriend van het eerste uur hardhandig de deur gewezen, niet zelden om een volstrekt futiele reden. In Voskuils werk, vooral in zijn romans 'Bij nader inzien' en 'Binnen de huid', is dat proces van 'ontvriending' zelfs een dominant thema.

In de literaire wereld is er natuurlijk één functionaris die tot taak heeft om schrijvers en hun productie systematisch aandacht te geven: de criticus. Als die aan de verwachtingen voldoet en zich bovendien geregeld ophoudt in het gezelschap van de bewonderde auteur, loopt hij de kans diens slippendrager of wie weet zelfs opperkamerheer te worden. Willem Kloos werd omringd door een complete hofhouding. Maar wie zich tegen hem keerde, iets waartoe boekbespreker Bernard Canter zich verstoutte, kon worden uitgescholden voor 'absoluut afschuwlijk applen-joodje'.

Veel auteurs beschikken over een lijfcriticus, die het vanaf het begin van hun loopbaan voor hen opneemt, hun werk promoot, uitlegt en canoniseert, en hen desgewenst ook in bescherming neemt tegen aanvallen van andere critici. Maurits Uyldert zette zich in voor Albert Verwey, Du Perron voor Slauerhoff, T. van Deel voor Willem Brakman en Gerrit Krol, Rein Bloem voor Hans Faverey, Wam de Moor voor Anton Koolhaas, en Harry Prick voor Lodewijk van Deyssel toen die al hoogbejaard was. Prick hield er een kist aan documenten aan over die hem van pas kwamen bij het ontwikkelen van een eigen carrière.

Zulke symbiotische (of moeten we zeggen: parasitaire?) verhoudingen blijven intact zolang de criticus doet wat er van hem wordt verwacht, dat wil zeggen loven en prijzen, en als het moet ook troosten en bemoedigen. Maar wanneer het getij om wat voor reden dan ook keert, ontladen zich de fiolen van des schrijvers toorn. Het overkwam mij toen ik me na een aantal gunstige besprekingen wat gereserveerder begon uit te laten over het werk van Jeroen Brouwers.

Talloze literaire vetes vinden hun oorsprong in een of meer afbrekende recensies. Maar weinig schrijvers zijn in staat te doen alsof ze daar niet door geraakt zijn. Zelfs de op Olympische hoogten verkerende Harry Mulisch sprak eens de wens uit dat veel critici in het water geworpen zouden worden. Het zal natuurlijk aan de lichtjaren omvattende afstand tussen hem en het recenserend gepeupel hebben gelegen dat hij ze allemaal over één kam schoor.

Andere auteurs staan wat dat betreft wat meer met beide benen op de grond en noemen man en paard. Maarten 't Hart werd niet moe te vertellen dat hij elke avond bad: "O Heer, geef ons wat beters dan Carel Peeters." Ook liet hij een journalist weten dat hij graag criticus Reinjan Mulder in een klein steegje klem zou willen rijden om hem vervolgens zijn fondsbrilletje van het hoofd te slaan. In zijn thriller 'De kroongetuige' portretteerde hij in politie-inspecteur Jozef Lambert de toenmalige boekenchef van NRC Handelsblad, K.L. Poll. Achter diens serviele assistent Krijn Meuldijk ging Polls adjudant Reinjan Mulder schuil.

Tot nu toe ging het uitsluitend over mannelijke schrijvers die van de publieke ruimte een boksring maken. Zijn vrouwen dan zoveel vredelievender en vergevingsgezinder? Er zijn inderdaad feministen die geloven dat oorlogen tot het verleden zullen behoren zodra overal ter wereld vrouwen de dienst uitmaken. Agressie is in hun visie een kwestie van testosteron, en mannen lopen daar nu eenmaal van over. Dus zijn de vrouwen in het algemeen en de schrijvende vrouwen in het bijzonder 'de zachte krachten' die zullen winnen in het eind, zoals de pacifiste Henriëtte Roland Holst ooit dichtte.

Toch kun je in de literatuurgeschiedenis vrouwen vinden die Kenau Simonsdochter Hasselaar evenaren in vechtlust en venijn. Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein, alias Tamar, was er zo een. Ze diende niet alleen tot mikpunt van boze mannen als W.F. Hermans en Hugo Brandt Corstius, die haar een felle en langdurige vijandschap toedroegen, maar stond ook haar mannetje bij het hardhandig vloeren van collega-schrijvers.

Een van haar slachtoffers was Charlotte Mutsaers, die door Rubinstein werd beschuldigd van plagiaat. Ze zou haar roman 'De markiezin' (1989) gestolen hebben van vriendin Fritzi Harmsen van Beek. Die schreef zelf weliswaar al jarenlang niet meer, maar had Charlotte in goed vertrouwen wel allerlei schrijfideeën onthuld. Achteraf liet Mutsaers weten dat deze hetze, die Rubinstein gewoontegetrouw maandenlang volhield, haar op de rand van de zelfmoord had gebracht. Heeft een mannelijke auteur het ooit zo bont gemaakt?

Jaap Goedegebuure is hoogleraar Nederlandse literatuur in Leiden en vaste recensent van Trouw

Schelden en tieren
L. van Deyssel: De scheldkritieken (1979)

E. du Perron: Uren met Dirk Coster (1933)

W.F. Hermans: Mandarijnen op zwavelzuur (1983)

Jeroen Brouwers: Hamerstukken, alle polemieken en korzeligheden. (2010)

Boudewijn Büch: Het bedrog (1992)

Theo van Gogh: Mijn favoriete graftak (en ander onheil) (1989)

Arnon Grunberg: Omdat ik u begeer (2007)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden