Sjiieten willen alleen verder in Irak

(Trouw)

Sjiieten in Irak willen een eigen Sjiastan, met eigen inkomsten uit olie, landbouw en toerisme. Zo willen de machtige religieuze families onder het juk van Bagdad uit.

De portretten van Moktada al-Sadr zijn niet verdwenen uit Najaf, al is zijn militie dat wel. Vanaf het midden van een verkeersplein kijkt de radicale leider van de Mahdi-militie streng neer op de chaos, naast zijn door Saddam Hoessein vermoorde vader Mohamed Sadek al-Sadr. Zijn kantoor is ook nog in de heilige sjiitische stad, maar verder is het een uitgemaakt zaak. Najaf wordt beheerst door de minder radicale geestelijken, met de machtige Al-Hakim familie voorop.

Vier jaar nadat een maand van strijd tussen de Amerikanen en Al Sadrs Mahdi-militie een deel van het eeuwenoude Najaf in puin legde, bruist de stad van de ambitie. Gouverneur Assad Sultan Abu Gelal steekt die niet onder stoelen of banken: „We willen niet onder de controle van Bagdad staan en voor elk project toestemming vragen.”

Najaf waant zich het centrum van een nieuwe sjiitische staat binnen Irak, die een enkele sjiitische politicus al Sjiastan heeft genoemd – analoog aan Koerdistan. Gouverneur Assad Sultan is een hartstochtelijk voorstander van de vorming van federale staten in Irak, en noemt Zwitserland en Canada als voorbeeld, maar ook Spanje en Duitsland. Volgens de nieuwe grondwet is Irak een federale staat, maar tot nu hebben alleen de drie Koerdische provincies een eigen regionaal bestuur, de KRG (Kurdistan Regional Goverment). De sjiieten kijken dan ook met een zekere jaloezie naar het noorden.

De gouverneur van Najaf, die zelf onder Saddam lange tijd in de gevangenis zat omdat hij de verboden voettocht naar Kerbala (heilige stad voor Sjiieten) maakte, is een gelovig sjiiet. Hij geeft lachend toe dat de Amerikanen zijn verkiezing vier jaar geleden met argwaan hebben gadegeslagen. Die argwaan heeft plaatsgemaakt voor waardering, want sinds Sultan aan het roer staat kent de provincie Najaf een grote vooruitgang. De enorme uitbreiding van de rijstvelden door irrigatie bracht werkgelegenheid, net als de ingrijpende reparaties en vernieuwingen van het gebied rond het heiligdom van Imam Ali en het toegenomen toerisme van (buitenlandse) pelgrims.

Sultan wil nog veel meer hotels bouwen om nog veel meer religieuze toeristen te kunnen binnenhalen. Hij liet een oud militair vliegveld verbouwen tot de Internationale Luchthaven van Najaf – al is dat een wel erg wereldlijke naam voor een enkele startbaan met een hangar in aanbouw.

Assad Sultan spreekt soms met emotie over de ontwikkelingen in wat hij bijna consequent ’mijn stad’ noemt. Grote zorg vragen nog wel de onevenredig hoge aantallen weduwen en wezen, een gevolg van Saddams vervolging van sjiieten na de opstand van 1991. Gevolg daarvan is ook dat een opvallend hoog percentage van de bevolking (43 procent) 15 jaar of jonger is.

Sultan vertelt graag over de weeshuizen, scholen en gezondheidscentra die hij deels met Amerikaans geld (16 miljoen dollar uit het wederopbouwfonds) liet opzetten.

Maar even belangrijk is dat de snoepverkopers op de markt van wapens en granaten weer gewoon snoep verkopen en dat er geen Mahdi-militie meer te zien is. De Najafse politie patrouilleert de straten in blauw camouflage uniform. „We hebben 24 uur per dag aan de veiligheid gewerkt. De Amerikanen waren blij met het resultaat en hebben de controle aan ons overgedragen. Eerst alleen voor de stad Najaf, nu tot aan de grenzen van Basra.”

Door zijn jaren in ballingschap in Finland is Sultan een van de weinige Iraakse bestuurders die de kennis graag uit het buitenland haalt. Hij reist zelf naar Duitsland en Nederland om bedrijven te strikken een recyclingfabriek op te zetten – hij wijst op het bronwaterflesje dat bijna automatisch overal voor de gast op tafel verschijnt. „Dit plastic is ons grote probleem.” Gretig incasseert hij een visitekaartje van een Nederlandse landbouwdeskundige, en even gretig luistert hij naar voorstellen voor trainingen van journalisten door buitenlandse collega’s.

Ook voor de stroomproblemen waardoor overal in Najaf vervuilende generatoren staan te brullen – ’we krijgen gewoon te weinig elektriciteit van de overheid’ – zoekt hij buitenlandse hulp.

Graag presenteert hij Najaf als een eiland van veiligheid, en daarmee wordt de tegenstelling met het nog steeds niet helemaal rustige Bagdad geaccentueerd. Maar die tegenstelling is groter en vooral ook politieker. Want hoewel de sjiieten het door hun meerderheid voor het zeggen hebben in de centrale regering in Bagdad, verzet Sultan zich tegen het beleid van de sjiitische premier Al-Maliki. Hoewel de meeste sjiitische machthebbers in Bagdad uit Najaf komen of een Najafse achtergrond hebben, heerst er een anti-Bagdad stemming in de sjiitische hoofdstad.

Bijna bitter vertelt Sultan hoe zijn voorstel om kinderen op school een maaltijd per dag te geven, geen genade vond in de ogen van de minister van onderwijs in Bagdad. Terwijl hij ervan overtuigd is, dat Irak dit Europese voorbeeld moet volgen om de jeugd in haar ontwikkeling te stimuleren. Dat dit plan een onderdeel kan zijn van de armoedebestrijding die noodzakelijk is om Irak uit de huidige geweldsspiraal te halen.

Hartstochtelijk herhaalt Sultan zijn pleidooi voor een federaal Irak, waar echter met name soennieten niets in zien. „Het zijn Baathi’s die zeggen dat een federatie het land verdeelt. Maar het is juist een oplossing, omdat we meerdere talen en religies hebben. We zullen dat moeten uitleggen. We zijn geen extremisten. We geloven in de dialoog, niet in het geweld.”

Ook in zijn opvatting van een federale staat ligt het conflict met Bagdad besloten: „We hebben hier een eigen ministerie van buitenlandse zaken in Najaf, en eigen vertegenwoordigers in het buitenland.”

De vorming van drie federale staten is niet onomstreden, omdat veel Irakezen vrezen dat hun land dan in feite uiteenvalt en er vluchtelingenstromen kunnen ontstaan van de ene naar de andere staat. Amerikaanse politici zijn er echter uit veiligheidsoverwegingen voor, omdat ze denken dat het de angel uit de interne strijd haalt.

Soennieten zien er niets in, omdat hun eigen deel nogal diffuus is en geen oliebronnen heeft. Dat tekent ook de strijd met de Koerden over de oliesteden Kirkoek, Mosoel en Khanaqin. Ook een eventueel Sjiastan zou olie bezitten, onder meer bij Basra. En dat is niet eens de grootste oliebron, onthult de gouverneur. „Onder de stad liggen de grootste olievoorraden van Irak.”

Het officiële Iraakse beleid is dat de grondstoffen van het hele Iraakse volk zijn. De Koerdische regionale regering probeert daaraan te morrelen door zelf afspraken te maken met buitenlandse oliebedrijven die de oliebronnen ontginnen, en ook in Najaf is dat Bagdadse beleid niet populair.

Op donderdagavond stroomt het Qasr Dur hotel in het beveiligde hart van Najaf vol met zeker honderd Iraakse militairen, die tot dan toe, net als de Amerikaanse, vrijwel afwezig waren in het straatbeeld. Het blijkt een wekelijkse vertoning te zijn. Iedere vrijdag sluiten ze de stad grotendeels af, zodat premier Al Maliki veilig op bezoek kan bij ayatollah Ali al-Sistani, de hoogste sjiitische geestelijke in het land. Iedere week neemt de premier met de ayatollah de portefeuille door met de belangrijkste beslissingen, wordt in Najaf gezegd. Landelijk beleid wordt dus in Najaf gemaakt. Waarom dan die anti-Bagdad stemming?

Omdat ook de sjiieten niet een blok vormen. In Najaf alleen al zijn vijf religieuze families actief, waaronder die van Moktada al-Sadr. Al-Sistani staat aan het hoofd, maar er is een duidelijke onderliggende machtsstrijd aan de gang met de familie van ayatollah Mohamed Said Al-Hakim. De Hakims richtten in ballingschap in Iran de politieke partij Sciri op, die inmiddels is omgedoopt in SIIC en deelneemt aan Al-Maliki’s regering. De premier zelf is lid van de kleinere Dawapartij, die in het geheim in Irak opereerde en ernstig heeft geleden onder Saddams wraakacties tegen leden en hun families. De Al-Hakim familie is rijk en zette dat geld deels in voor de wederopbouw van Najaf, met gouverneur Sultan als een van haar pionnen.

Maar de anti-Bagdad stemming komt ook voort uit het verleden, waarin het bewind in de hoofdstad decennia lang niet ten goede kwam aan de regio’s. Er is angst dat de Baathpartij, die zich in het buitenland hergroepeert en coalities aangaat met islamitische groepen, terug zal keren in de centrale macht. Dat kan je maar beter voor zijn, door je eigen staat in te richten, die voor de belangrijkste zaken niet afhankelijk is van Bagdad. Met eigen inkomsten uit de olie, de landbouw en het religieus toerisme, een eigen buitenlandbeleid en eigen machthebbers. Het was niet voor niets de politieke leider van de Al-Hakims, Abdul Aziz, die voor het eerst de naam Sjiastan gebruikte. Want zo’n Sjiastan kan het antwoord zijn op de trauma’s van de Iraakse sjiieten, en kan de politieke toekomst van de sjiieten in Irak veiligstellen.

(Trouw)Beeld REUTERS
(\N)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden