Review

SISTER HELEN PREJEANGEESTELIJK ADVISEUR VOOR HET SCHUIM VAN DE NATIE

Sister Helen Prejean groeide op met de geruststellende wetenschap dat gekleurde mensen altijd voor blanke mensen werkten, in barakken leefden en in de bus altijd achterin zaten. Haar ogen werden geopend toen ze als non in een krottenwijk werkte en met een zwarte ter dood veroordeelde correspondeerde. Ze geldt nu als een van de meest invloedrijke antidoodstraf-activisten in de Verenigde Staten. “Je kunt je afvragen: Waarom maak je je zo druk om een paar misdadigers? Maar het is geen marginaal onderwerp. Het gaat om de ziel van de Amerikaanse samenleving.” Dead man walking. An eyewitness account of the death penalty in the United States, door Sister Helen Prejean. Uitgegeven door Vintage Books, Random House Inc., New York, ISBN 0-679-75131-9. In de VS: $ 12.00, In Nederland, via Van Ditmar Boeken, Amsterdam f 37,60. Dit is de zesde aflevering in een serie artikelen die mede tot stand kwam met steun van de stichting Fonds bijzondere journalistieke projecten.

Een passage uit het boek Dead man walking van Sister Helen Prejean. Prejean is een non, verbonden aan de congregatie van de Sisters of St. Joseph of Medaille. Ze werkt ruim twaalf jaar als geestelijk raadsvrouw voor ter dood veroordeelden in de Amerikaanse staat Louisiana. Twee jaar geleden verscheen Dead man walking, waarin ze aangrijpend verslag uitbrengt van de executies die ze bijwoonde en overtuigend stelling neemt tegen de doodstrafpraktijk in de Verenigde Staten. De titel van het boek verwijst naar de uitroep van bewaarders in de staatsgevangenis van Californië als een ter dood veroordeelde buiten zijn cel is: Dead man walking.

Het begon in januari 1982. Iemand vroeg Helen Prejean correspondentievriend te worden van een gevangene in de dodencel. Het was Pat Sonnier, veroordeeld na de kille moord op een meisje en een jongen. Samen met zijn jongere broer had Sonnier in november 1977 het jonge stel meegenomen. Ze hadden het meisje verkracht, dwongen de slachtoffers vervolgens met het gezicht naar beneden te gaan liggen en schoten hen in het hoofd.

Helen Prejean gruwde van het misdrijf. “Wil ik zo'n man echt wel leren kennen?”, vroeg zij zich af. Ze zei 'ja', omdat ze vond dat de uitnodiging aansloot bij haar werk als non in de verkrotte zwarte woonwijk St. Thomas in New Orleans. Ze woont en werkt inmiddels niet meer in St. Thomas, maar achteraf stelt ze vast dat die sloppenwijk in zekere zin ook een soort dodengang was. Het soms buitensporige geweld, de uitzichtloosheid, de droeve omstandigheden waaronder de mensen woonden. “St. Thomas heeft net zo'n onuitwisbaar beeld op mijn ziel achtergelaten als de dodengang in de gevangenis”, zegt ze.

Helen Prejean groeide op in Baton Rouge, de hoofdstad van Louisiana, in de jaren veertig en vijftig. Het was de tijd dat zwart en blank in het zuiden van de Verenigde Staten nog in strikt gescheiden werelden leefden. “'s Avonds voor het slapen gaan, bad ik altijd voor 'de arme mensen die geen plaats hadden om te slapen'. Maar arme mensen woonden ergens in het land van Sneeuwwitje en Hans en Grietje. Gekleurde mensen beschouwde ik niet als arme mensen. Het waren gewoon, nou ja, gekleurde mensen die deden wat gekleurde mensen altijd deden: werken voor blanke mensen. En ze leefden waar gekleurde mensen altijd leefden, ergens in barakken op het land of in de stad, in nigger town. In de bus moesten zij achterin zitten en je had als blank kind vreselijk veel durf als je vijf seconden achterin bij de zwarten ging zitten. Vijf seconden!”

Na een onbezorgde jeugd koos ze voor het leven als geestelijke. Ze sloot zich aan bij de zusters van St. Joseph van Medaille en ze maakte van nabij de emancipatie mee van de katholieke geestelijkheid. Eind jaren zeventig kozen de zusters van St. Joseph voor daadwerkelijke inzet voor de armsten in de Amerikaanse samenleving. Prejean had daar moeite mee. Zij klampte zich liever vast aan het simpele, overzichtelijke geloof van haar kindertijd, waarin vooral de persoonlijke relatie met God, innerlijke rust, vriendelijkheid voor anderen en de hemel na dit leven telde. “Ik wilde niet worstelen met politiek en economie. Wij waren nonnen, geen sociaal werkers.”

De ommekeer kwam toen Prejean in datzelfde jaar een bijeenkomst van haar congregatie in Indiana bijwoonde, waar een van haar geloofsgenoten vertelde dat hoewel in de VS maar zes procent van de wereldbevolking woont, het land bijna de helft van de gehele wereldproduktie consumeert. “Bij zoveel onrechtvaardigheid komt politieke neutraliteit neer op het aanvaarden van dat onrecht en dat is tegelijk kiezen voor de kant van de rijken”, zei een van de zusters.

Een jaar later werkt Helen Prejean met nog vijf andere zusters temidden van de armsten van New Orleans, de bewoners van de krottenwijk St. Thomas. In die periode correspondeert ze veel met Pat Sonnier in de dodencel. Het begint haar op te vallen dat Sonnier in zijn brieven telkens dankbaarheid en waardering uitspreekt voor de aandacht die hij van Prejean krijgt, maar nooit om gunsten vraagt. Het boek: “Hij vraagt geen geld. Hij informeert niet naar mijn telefoonnummer (gevangenen in Louisiana mogen 'collect' telefoongesprekken voeren). Hij zegt alleen maar hoe blij hij is dat hij iemand heeft om mee te communiceren, omdat hij zo alleen was. Die eenzaamheid, die verlatenheid trekt me in hem aan. Ik verafschuw het slechte van wat hij heeft gedaan. Maar ik voel iets, iets puur en fundamenteel menselijks, en dat is waarschijnlijk wat me het meest aantrekt. In mijn volgende brief vraag ik hem of er iemand is die hem bezoekt, hij antwoordt: nee, er is niemand. En ik vraag hem wat ik moet doen om bij hem op bezoek te kunnen.”

Sonnier antwoordt per ommegaande, enthousiast. Hij schrijft dat hij lang heeft nagedacht hoe hij Prejean op de bezoekerslijst zal plaatsen: als 'vriend' of als 'geestelijk adviseur'. Hij besluit tot het laatste. Het boek: “Ik heb geen idee wat het verschil is tussen die twee categorieën. Later kom ik er achter dat de geestelijk adviseur op de dag van de executie bij de veroordeelde mag blijven, ook als na 18.00 uur familie en vrienden moeten vertrekken. De geestelijk adviseur mag getuige zijn van de executie.”

In juli 1982 komt ze voor het eerst in de dodengang van een gevangenis om Pat Sonnier te bezoeken. Ze was een paar keer eerder in een gevangenis geweest, in wat ze noemt haar 'naïeve periode'. Dat was eind jaren zestig, het waren de dagen van de 'Zingende nonnen' ('Dominique-nique, dat werk'). Maar nu ging ze in een heel andere hoedanigheid, dit was geen vrijblijvend bezoekje, geen muzikaal optreden voor een groepje gevangenen. Ze ging zich inzetten voor ter dood veroordeelden.

Vooraf moest ze zich melden bij de geestelijk raadsman van de gevangenis. Over die ontmoeting schrijft Prejean: “De geestelijke zei dat ik niet uit het oog moest verliezen dat 'deze lieden' het schuim van de natie waren en dat ik erg, erg voorzichtig moest zijn omdat het misdadigers waren die op elke denkbare manier zouden proberen mijn betrokkenheid bij hen uit te buiten. 'Je kunt ze niet vertrouwen', zei hij nadrukkelijk. 'Jouw taak is die jongens te helpen hun ziel te redden door hen de sacramenten van de kerk te geven, voordat ze sterven'.”

Het bleek haar snel dat ze behalve van haar zusters van de congregatie in eigen kring op weinig steun hoefde te rekenen. Toen duidelijk werd dat Helen Prejean Louisiana's 'schuim' geestelijk zou gaan begeleiden en daarmee een concurrente werd voor de vaste ploeg gevangenispredikanten, kwam er openlijke tegenwerking. De twee gevangenispriesters konden niet verkroppen dat Prejean hun werk ging doen. Vrouwen zijn veel te emotioneel, zeiden de priesters en ze deden een serieuze poging Prejean er uit te werken. Prejean had weinig overtuigingskracht nodig om die aanval af te slaan. Ze stapte naar de gevangenisdirecteur en wees hem erop dat gevangenen het grondwettelijke recht hebben hun eigen geestelijk adviseur te kiezen. Haar werd geen strobreed meer in de weg gelegd.

“Ja, die twee waren bijna karikaturen van priesters, hoor. Ze waren erg oud en helemaal inbeslaggenomen door de seksuele moraal, ik bedoel, ze deelden pamfletten uit op de dodengang over kuisheid, ha, ha, aan die mannen in de dodencel, het was echt de oude school. Pat Sonnier vertelde me hoe hij biechtte bij die oude priester en hij had behoorlijk wat te vertellen, hè? Moord, schuld, wroeging, behoorlijk zware kost. Hij was klaar met die biecht en alles wat die priester wist te vragen, terugvallend op zijn eigen mooie lijstje van zonden, was: heb je nog onreine gedachten gehad? Ha, ha. Maar goed, ze zijn vervangen. De huidige geestelijk verzorger is een prima man die gevoel heeft voor de mensen op de dodengang.”

In het begin maakte de kritiek van mensen die niet begrepen waarom een non zich inliet met het uitschot van de samenleving haar onzeker. “Ik begon aan mezelf te twijfelen. Die felle oppositie. . . Ik was veel kwetsbaarder toen. Ik vroeg me af of ik wel op de goede weg was, omdat ik zoveel controversiële reacties opriep. Het moest haast wel fout zijn wat ik deed. Maar nu raakt het me niet meer dat ik in sommige kringen controversieel ben. Ik weet veel over de doodstraf, de onzekerheid is weg. Toen Pat Sonnier was geëxecuteerd, regende het kwade brieven over mij in de kranten in New Orleans. Het deed me niets. Ik had inmiddels de realiteit in het 'death house' van Louisiana gezien. En dan maak je je alleen nog maar druk om essentiële dingen in het leven.”

In haar boek stelt Helen Prejean vast dat zij een fout maakte door als geestelijk adviseur van ter dood veroordeelden niet onmiddellijk óók contact te zoeken met de familie van de slachtoffers. Bij een hoorzitting, waar vergeefs werd geprobeerd uitstel te krijgen van Sonniers executie, sprak Lloyd LeBlanc, vader van een van de slachtoffers van Sonnier, Prejean aan. Het boek: “Als ik het gebouw binnenloop, kom ik Lloyd LeBlanc en zijn vrouw Eula tegen. Ze zijn van middelbare leeftijd. Hij is een stevige grote man, een beetje corpulent, kalend. Mijn hart klopt me in de keel. Ik zoek naar woorden. 'Ik vind het heel erg voor uw zoon', zeg ik. LeBlanc zegt: 'Zuster, ik ben katholiek. Hoe kunt u Sonniers kant van de zaak vertegenwoordigen, zonder dat u ooit naar ons toe bent gekomen, om onze kant van de zaak te horen? Waarom besteedt u alle zorg aan Sonnier, zonder dat u zich afvraagt of wij u misschien ook nodig zouden kunnen hebben?' ”

Prejean denkt met pijn terug aan die ontmoeting. “Die man is eigenlijk de held van mijn boek. Hij had natuurlijk gelijk. Ik zei: Dat is fout van mij. Ik had niet durven denken dat u mij zou willen ontmoeten, omdat ik tegen de doodstraf ben. Hij zei: U hebt het niet eens geprobeerd, u kunt toch niet weten of ik wel of niet met u wil praten? Het was een complete verrassing voor me. Ik had hem echt laten zitten. Het was een ernstige fout. Ik was bang geweest. Het was lafheid en verwarring.” Sinds deze ontmoeting is Prejean bewust contact gaan zoeken met de nabestaanden van de slachtoffers. Dat wordt overigens niet in alle gevallen op prijs gesteld. Ze krijgt van familieleden van slachtoffers nog vaak het verwijt te horen dat een vertegenwoordiger van de kerk zich niet behoort in te laten met dit soort misdadigers.

Toen ze na de executie van Pat Sonnier geestelijk verzorger werd van een andere ter dood veroordeelde, Robert Lee Willie, zocht ze Elizabeth en Vernon Harvey op. De Harveys waren de ouders van Faith Hathaway, dochter uit het eerste huwelijk van Elizabeth Vernon. De 18-jarige Faith werd door Willie en een andere man verkracht en daarna doodgestoken in een afgelegen grot. Ze hadden het meisje meegenomen in hun pickup-truck na een bezoek aan een discotheek.

Prejean kende de Harveys maar al te goed. Vernon Harvey was de laatste maanden regelmatig in het nieuws geweest tijdens het proces tegen Robert Lee Willie en diens compaan. Harvey had bij die gelegenheden in kranten en op televisie herhaaldelijk gezegd dat hij niet kon wachten tot Willie zou worden 'geroosterd' en hij 'de rook van Willies lichaam' zou zien komen. Prejean voerde lange gesprekken en discussies met Elizabeth en Vernon Harvey. Eens zijn ze het nooit geworden. Daarvoor liepen en lopen de standpunten van beide partijen te ver uiteen. Na de executie van Willie zijn de Harveys nauw betrokken gebleven bij de pro-doodstraf-beweging in Louisiana. Het echtpaar is tijdens executies in Louisiana vrijwel altijd te vinden bij de poort van de gevangenis, met spandoeken waarop ze aandacht vragen voor de positie van de slachtoffers van geweldsmisdrijven.

Nu, bijna tien jaar later, bezoekt Helen Prejean de Harveys nog steeds met regelmaat in hun woning aan de noordkant van Lake Pontchartrain bij New Orleans. Toen Vernon Harvey een keer voor een hartoperatie in het ziekenhuis lag, belde Elizabeth haar op: 'Sister Helen, wil je bij Vernon op bezoek gaan, want hij is al zijn vechtlust kwijt en ik weet dat jij de enige bent die hem weer kan oppeppen', zei de vrouw. “Het was de vreemdste missie die ik ooit heb ondernomen”, zegt Prejean, tien jaar na dato nog schaterlachend. Ze ging naar het ziekenhuis, praatte met Vernon Harvey, uiteraard vooral over de doodstraf en over de zaak-Robert Lee Willie. En uiteindelijk riep Vernon tegen Prejean: 'Ze moesten die Willie verzuipen in zijn eigen bloed' en hij kreeg zowaar weer kleur op zijn wangen. Waarop Elizabeth haar aankeek en zei: 'Bedankt'.

Het is een mooie dag in april. We zijn op weg naar Angola, het gehucht vlakbij de grens met de staat Mississippi waar Louisiana zijn gevangenen opbergt en waar Helen Prejean Dobie Williams, sinds tien jaar gevangene op 'Death Row', zal bezoeken. De bewakers bij de poort kennen Prejean. De veiligheidsinspectie - tassencontrole, kofferbak open, heeft u een wapen bij u? - wordt snel en routineus uitgevoerd.

De dodengang van deze enorme gevangenis (4 200 gevangenen), bevindt zich vlakbij het poortgebouw. Achter een dubbele rij hoge hekken in een keurig onderhouden tuin staat de afdeling waarin de veertig ter dood veroordeelden zijn ondergebracht. Plat dak, geen airconditioning in de dodengangen, 's zomers is het haast niet te harden in de cellen als de temperatuur buiten naar de 40 graden kruipt.

We ontmoeten Dobie Williams in een hol, kaal kantoortje, dat normaal door bewakers wordt gebruikt. Een bureau is opzij geschoven. Drie stoelen staan klaar voor het bezoek. Af en toe verschijnt het hoofd van een bewaker voor het raam dat uitkijkt op de gang naar de docencellen.

Dobie Williams zit al te wachten. Prejean is verbaasd. Waarom niet in de bezoekerszaal? Maar de verbazing slaat snel om in vrolijkheid. We kunnen Dobie Williams een hand geven, Helen Prejean slaat een arm om hem heen, het is de eerste keer dat ze hem kan aanraken. Tot grote verrassing van Williams en Prejean heeft de gevangenisdirectie besloten een 'contactbezoek' toe te staan, een uitzonderlijke situatie. Tot dusver sprak Prejean Dobie Williams altijd in de bezoekerszaal, een ruimte met een wand in het midden. Bezoek en gevangenen blijven daar strikt gescheiden. Het gesprek gaat via een rooster in de wand, moeizaam doorgaans, zeker als andere gevangenen gelijktijdig bezoek hebben. Zelfs onder die omstandigheden waren Williams handen altijd geboeid, de handboeien zaten vast aan een brede leren riem om zijn middel. Ook zijn enkels waren altijd geboeid, met daartussen een lange ketting.

Maar vandaag is alles anders. Hij heeft geen handboeien om, alleen de enkelketting is niet verwijderd. Hij is zo verbijsterd van alle onverwachte privileges, dat hij vergeet het warme broodje op te eten dat we voor hem meenamen. Anderhalf uur later zit hij er nog mee in zijn hand.

Deze misdadiger zou tien jaar geleden een vrouw in haar badkamer op beestachtige manier hebben doodgestoken. Voor ons zit, ietwat ineengedoken, een zwarte man. Hij is schuchter, verlegen. Hij praat zacht en bedachtzaam.

Dobie Williams heeft reuma. Zijn handen zijn vervormd door de voortwoekerende ziekte. Hij gaat geestelijk gebukt onder de uiterlijke veranderingen die hij door de ziekte ondergaat. Ooit had hij een sterk, gespierd lichaam, zijn knappe uiterlijk was zijn trots, nu ziet hij er uit als een oudere man. Hij is pas 34. Hij wordt om zijn ziekte gepest door de medegevangenen in de dodengang. Ze noemen hem the stiff, de stijve. Williams is geen snelle jongen die altijd wel met een antwoord klaar staat.

Williams werd door een jury die geheel uit blanken bestond schuldig bevonden aan moord. Hij heeft zelf, zegt hij, altijd zijn onschuld volgehouden. De badkamer waar het misdrijf gebeurde, was besmeurd met bloed, toch had de politie na de aanhouding van Dobie Williams geen spatje bloed op diens kleding aangetroffen. Volgens de officier van justitie had Williams zijn kleren uitgedaan voordat hij door het badkamerraam het huis binnensloop. Hij was na zijn daad naakt weer uit het huis geklommen en zou zich buiten pas weer hebben aangekleed. De jury accepteerde deze curieuze redenering. Het moordwapen is nooit gevonden. De officier schermde met een bekentenis van Dobie Williams die op een videoband was opgenomen, maar die band was verdwenen. Dobie Willams was eerder met justitie in aanraking geweest voor lichtere vergrijpen, maar nooit voor geweldsdelicten.

Vervolg op pagina ZZ 6

'JE BENT ER GOED IN, ZE HEBBEN JE NODIG, ZE HEBBEN NIEMAND ANDERS' Vervolg van pagina ZZ 5

“Dit is echt een voorbeeld van hoe die dingen hier kunnen lopen”, had Prejean gezegd, onderweg naar de gevangenis. “Een zwarte man wordt beschuldigd van een moord op een blanke in een stadje in Louisiana. De jury bestaat uitsluitend uit blanken. Volgens een uitspraak van het federale hooggerechtshof mogen jury's niet geheel uit blanken bestaan. Maar de officier van justitie zei dat er was geprobeerd zwarten in de jury te krijgen, maar dat die tegen de doodstraf waren.” (De officier mag in kapitale zaken - zaken waarin de doodstraf kan worden opgelegd - juryleden weigeren die principieel tegen de doodstraf zijn. De meeste zwarten in de Verenigde Staten zijn tegen de doodstraf omdat zij die zien als een vorm van blanke rechtspraak - en zij worden in die stelling gesteund door de cijfers. Van de bevolking in de Amerikaanse dodencellen is de helft zwart, terwijl deze minderheid amper twintig procent van de bevolking uitmaakt. Uit onderzoek in Georgia bleek enkele jaren geleden dat een zwarte die een blanke vermoordt, in die staat een vijf keer grotere kans heeft op de doodstraf dan een blanke die een zwarte vermoordt.)

Helen Prejean bezoekt Dobie Williams sinds enkele jaren. Ze stuurt hem brieven, neemt iedere keer twintig dollar voor hem mee, zodat hij in de gevangeniswinkel wat eerste levensbehoeften kan kopen. “De bezoeken verlopen altijd volgens hetzelfde patroon: hij is eerst heel rustig, heel stil. Dan begint hij te praten en is het net alsof er een bloem opengaat, hij begint meer en meer te praten, te lachen, dan gaat 'ie verhalen vertellen. Dat kan hij heel goed.”

Ze hoopt dat Dobie Williams ooit een nieuw proces krijgt, omdat er in zijn zaak zoveel aanwijzingen zijn dat racistische elementen een rol hebben gespeeld bij de veroordeling. Ze denkt dat Williams een goede kans maakt. Hij heeft nu ook goede advocaten. Ze bidt dat Dobie Williams niet de vierde zal zijn bij wie ze getuige is van de terechtstelling.

Na de executie van Pat Sonnier in 1984 bezwoer Helen Prejean de andere zusters van haar congregatie dat ze nooit meer naar de dodengang zou gaan. Ze hield het zes maanden vol. Toen kreeg ze een telefoontje van een doodstrafadvocaat uit Atlanta, die haar vroeg een andere ter dood veroordeelde te gaan bezoeken. “Ik zei tegen hem: Ik ga nooit meer terug naar de dodengang. Maar toen, het was ergens in oktober, zijn we samen gaan lunchen en hij vertelde me dat hij nog twee cliënten had in de dodencel in Louisiana en hij vroeg me: Wil je ons helpen? Je bent er goed in, ze hebben je nodig, ze hebben niemand anders. Ik heb toegestemd.”

Sinds Prejean haar ervaringen publiceerde, wordt ze gevraagd voor lezingen in binnen- en buitenland. Ze is een van de meest invloedrijke antidoodstraf-activisten geworden in de Verenigde Staten. Er is, zegt ze, in Amerika nog altijd ruimte voor een dialoog over de doodstraf. “De publieke opinie over de doodstraf is een slecht geïnformeerde publieke opinie. Als je daar wat aan doet, kun je veel bereiken. Goed, er zijn plaatsen waar de dialoog niet meer mogelijk is. In het justitiesysteem bijvoorbeeld. Maar op de plekken waar ik kom, op scholen, universiteiten, kerken, burgerrechtenorganisaties, daar kun je op grond van rationele argumenten nog met elkaar praten.”

“Je kunt je afvragen: Waarom maak je je zo druk om een paar misdadigers die gruwelijke daden hebben begaan? Waarom ga je je niet bezighouden met werkelijk ernstige problemen, zoals honger, kindermishandeling? Maar het is geen marginaal onderwerp. Het gaat om de ziel van de Amerikaanse samenleving. Het staat voor de drie diepe wonden van deze maatschappij: racisme, onze neiging om met gewelddadige oplossingen te pogen sociale problemen weg te werken en tenslotte: money matters, geld bepaalt alles.”

Prejean vraagt bij lezingen aan haar publiek altijd of ze hun hand willen opsteken als ze voor de doodstraf zijn. “De meeste handen gaan dan omhoog. Tegen de tijd dat ik met ze klaar ben, zijn ze van mening veranderd. De grote meerderheid van de mensen denkt amper na over dit onderwerp, ze zijn ambivalent over de doodstraf. Als je ze kunt laten zien hoe die doodstraf in de praktijk uitpakt, als je ze kunt vertellen dat dit land amper in staat is z'n eigen begroting in de hand te houden, maar intussen wel beslissingen neemt over leven en dood van zijn burgers, dan gaan ze al gauw anders tegen de doodstraf aankijken.”

Haar boek wordt nu verfilmd. Ze vindt het prachtig. Susan Sarandon (van Thelma & Louise) speelt haar rol. “Ik ben vreselijk nieuwsgierig hoe zo'n sexy vrouw de rol van mij als non gaat vertolken.”

In Dead man walking schreef ze na de executie van Pat Sonnier (op 4 april 1984) dat de terechtstelling een onuitwisbaar stempel zou achterlaten op haar ziel. Sindsdien was ze getuige bij nog twee executies van gevangenen in Louisiana. Dat onuitwisbare stempel is er nog, vertelt ze nu, ruim tien jaar na de executie van Pat Sonnier. Maar het is niet de executie als zodanig, het is het gehele proces van een justitiesysteem dat welbewust, weldoordacht, volgens een luguber protocol, een mens wegduwt, verwijdert, uitvlakt uit de samenleving. “Het maakt je bewust van de essentiële dingen in het leven en het heeft mij ervan overtuigd dat ik mijn tijd niet ga verdoen aan zaken die in het leven onbelangrijk zijn. Religieuze mensen hebben de neiging een hoop tijd te besteden aan kerkelijke bijeenkomsten, maar als die niet gewijd zijn aan rechtvaardigheid en sociale hervormingen, hoeven ze voor mij niet. Daar ga ik niet meer naar toe.”

Ze vertelt over de emoties bij het afscheid tussen de ter dood veroordeelde en zijn familie, over de kilte in de ogen van bewaarders (“Soms zijn ze merkbaar teleurgesteld als er op het laatste moment uitstel komt. Ze zijn helemaal opgefokt voor zo'n executie, het zit in het bloed, het is een deel van het systeem.”). In 1987 werd Willie Celestine, veroordeeld voor moord en verkrachting, in Angola geëxecuteerd. Prejean was ook geestelijk adviseur van deze veroordeelde. “Ik vergeet nooit hoe Willies moeder om kwart voor zes afscheid moest nemen van haar zoon. Het is een vaste regel, om zes uur moet de familie weg zijn. Een moeder moet dan afscheid nemen van haar zoon. Je kunt je voorstellen hoe aangrijpend dat is. Dat zijn die momenten dat je jezelf in bedwang moet houden. Zij gaf haar zoon een vluchtige kus op zijn wang en liep snel naar buiten. Ik stond op een plek waar ik zicht had op de uitgang èn op de cel in het 'death house', ik kon hem zien en ik kon haar zien. Ik zie die vrouw buiten in elkaar zakken over de motorkap van een geparkeerde auto, huilend, snikkend. En hij vroeg me: Sister Helen, how's my mama doing?, zuster Helen, hoe gaat het met mijn moeder? Ik zei: She's fine, Willie, het is goed met je moeder. Ik wist dat ze wilde dat ik dat zou zeggen. Iedereen probeert onder deze omstandigheden overeind te blijven, voor die ander. Later vertelde Willies moeder me dat als ze bij dat afscheid haar armen om haar jongen had geslagen, geen bewaker die ooit meer had losgekregen.”

“Het is zo ongelooflijk, zo vreemd, het is alsof je naar een film hebt gekeken, je kent iedere stap van het proces, ze knippen zijn hoofd kaal, ze scheren wenkbrauwen af, ze snijden de linker broekspijp weg om straks de elektroden op de huid te kunnen vastmaken, ze snoeren hem vast, ze trekken zich terug, z'n laatste verklaring, je weet wat er gaat komen en je kijkt er naar, het gebeurt voor je ogen en het is onwerkelijk. . . het is een ontmenselijkend proces. En dan, als het voorbij is, teken je de getuigeverklaring, je wordt weggebracht naar de parkeerplaats, je stapt in je eigen auto en dan pas kun je aan je eigen emoties toegeven. We zijn op de terugweg na de executie van Pat Sonnier gestopt, omdat ik moest overgeven. Je komt thuis, neemt een slaappil en een glas warme melk en slaapt. Het huilen komt pas de volgende dag.”

In het boek beschrijft Helen Prejean nauwgezet de laatste uren van het leven van Pat Sonnier. Ze is bij hem in het death house van Louisiana. Er is nog hoop op uitstel van de executie. Maar elke keer als de telefoon gaat - weer niets - vervliegt een stukje hoop. Eerst wijst de rechtbank het verzoek af, dan het federale hooggerechtshof en tenslotte kan alleen gratie van de gouverneur Sonnier nog redden van de elektrische stoel. Sonniers advocaat, Millard Farmer, was nog bij de gouverneur, wachtend op diens beslissing over leven of dood. Het boek: “De telefoon aan de wand bij de cel gaat. De bewaker op de celgang neemt 'm op en geeft de hoorn aan Pat. Ik kan Pats stem horen. 'Dank u, meneer Millard, dank u voor wat u en al die anderen voor mij hebben gedaan. Ik heb u te laat als advocaat gekregen. Als ik u eerder had gehad. . .' Stilte. 'Nee, meneer Millard, nee, u heeft niet gefaald, u heeft niet gefaald, het is het hele justitiesysteem in dit land. Het stinkt. Het stinkt smerig, meneer Millard, nee, nee, nee, meneer Millard, u heeft niet gefaald. . .' En nu voor het eerst weet ik zeker dat hij gaat sterven. Ik kijk op mijn horloge. Het is 20.40 uur.”

Nadat Pat Sonnier is kaalgeschoren: “Alles is klaar nu. Het enige dat Pat nog moet doen, is sterven. Hij vraagt de bewaker een pen en schrijft in zijn bijbel, op de eerste pagina waar een speciale plek is voor de familiegeschiedenis - geboorte, huwelijk, overlijden -, de datum van zijn overlijden. 'Kijk', zegt hij, 'ik heb het met mijn eigen handschrift ingevuld'.”

Lopend van de cel naar de executieruimte vraagt Sonnier aan de gevangenisdirecteur of Prejean haar hand op zijn arm mag leggen. Het mag niet. “Ik sta achter hem. Bewakers, een berg van blauwe uniformen, omringen ons. Ik leg mijn hand op zijn schouder. Hij is lang. Ik kan er amper bij. Het is de eerste keer dat ik hem aanraak. We lopen. Pat loopt en de kettingen van zijn enkelboeien slepen over de vloer. Zijn benen houden het, hij loopt. We stoppen. Daar is de eiken stoel, donker en glimmend onder de helle TL-verlichting. De getuigen zitten achter een ruit van plexiglas. Een grote klok op de wand achter de stoel. Er is een ventilator. Hij staat al aan, om straks de geur van brandend vlees weg te blazen. Twee bewakers pakken mijn beide armen stevig vast en brengen me in de richting van de getuigenkamer. Ik leun voorover naar Pat en kus hem op de rug. 'Pat, bid voor mij'. Hij draait zich om en zegt, zijn stem hees en droog als van een kleine jongen. 'Dat doe ik, sister Helen, dat doe ik'. (. . .) Pat is in de stoel nu en de bewakers werken snel, ze halen de stalen boeien van zijn polsen en enkels en brengen leren riemen aan. Een bewaker heeft zijn linkerschoen uitgetrokken. Ze snoeren zijn lichaam, zijn benen, zijn armen vast. Hij zoekt mijn ogen. 'Ik hou van je', zegt hij. Ik strek mijn hand naar hem uit. 'Ik hou ook van jou'. Hij probeert te lachen (hij had tegen me gezegd dat hij wilde proberen te lachen) maar het lukt hem niet. Een metalen masker wordt op zijn hoofd gezet en bovenop de kap wordt een elektrode vastgeschroefd die weer vastzit aan een draad uit een kist achter de stoel. Een elektrode wordt aan zijn been vastgemaakt. Een riem om zijn kin zorgt er voor dat zijn hoofd strak tegen de achterkant van de stoel wordt gedrukt. Hij trekt een grimas. Hij kan nu niet meer praten. Een grijsgroen kleed wordt over zijn gezicht gehangen. Millard zegt: 'Vader vergeef hen, want zij weten niet wat zij doen'. Alleen de gevangenisdirecteur blijft in de executiekamer nu, hij en de man vastgesnoerd in de stoel. De rode telefoon blijft stil. Ik sluit mijn ogen en zie niet dat de directeur knikt met zijn hoofd, het signaal voor de beul om zijn werk te doen. Ik hoor die klikken als de handle drie keer met tussenpauzen wordt overgehaald. Negentienhonderd volt, dan mag het lichaam afkoelen, vervolgens vijfhonderd volt, weer even pauze, dan negentienhonderd volt. 'God, wees hem nabij, geef hem genade', bid ik zachtjes. Ik kijk op. Zijn linkerhand heeft de stoelleuning omklemd, maar de vingers van zijn rechterhand staan gekruld omhoog.”

Als Helen Prejean en Millard Farmer na de executie naar het poortgebouw van de gevangenis worden gebracht, zegt de advocaat: “Kijk eens hoe dit hele gebeuren zo beschamend in het geniep plaatsvindt. Een paar selecte getuigen worden diep in deze gevangenis gebracht, in het holst van de nacht, om te zien hoe een man wordt vermoord. Als heel Louisiana kon zien wat deze staat vannacht heeft gedaan, zou iedereen over z'n nek zijn gegaan.”

In Dead man walking beschrijft Helen Prejean de dialoog tussen een bevriend advocaat uit New Orleans en zijn zevenjarige zoon Patrick. Omdat het jochie niet kan slapen, zit zijn vader op de rand van Patricks bed wat te bladeren in stukken over de zaak-Sonnier. Patrick vraagt zijn vader wat hij leest, waarop de jongen wil weten waarom mensen Pat Sonnier willen doden op de elektrische stoel. 'Omdat ze zeggen dat hij mensen heeft doodgemaakt', antwoordt de vader. 'Maar papa', zegt Patrick, 'wie gaat die mensen dan doden voor het doden van Pat Sonnier?'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden