Sinterklaas is niet jarig. En Jezus ook niet

Wanneer is Sint Nicolaas geboren, en Jezus? Sam Janse gaat op zoek naar de zin van verjaardagen in de Oudheid. En wat betekenen sinterklaasavond en Kerst nu nog?

Sinterklaas is niet jarig op 6 december en al helemaal niet op 5 december. Het schone lied 'Sinterklaas is jarig, 'k zet mijn schoen al klaar', zegt dat wel, maar het klopt niet. Nu is er op de historiciteit van Sint Nicolaas wel wat af te dingen en het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat we van deze heilige de geboortedag zouden weten. Maar dat is het punt niet. Van heiligen wordt niet de verjaardag gevierd, maar de sterfdag.

Zo staat Sint Nicolaas op 6 december op de heiligenkalender van de rooms-katholieke kerk. Bij heiligen telt de sterfdag, want dat is de geboortedag in de hemel. Ignatius, een martelaar aan het begin van de tweede eeuw, schrijft kort voor zijn terechtstelling aan zijn medegelovigen: "Mijn geboorte is aanstaande." Dat is een zaak van vreugde. Ignatius wordt op transport naar Rome gesteld voor onderzoek en hij roept zijn geloofsgenoten daar op om geen pogingen te doen om hem vrij te krijgen, want dat zou hem zijn ultieme beloning kosten. We hebben zijn brief aan de gemeente in Rome nog: "Ik schrijf alle gemeenten en druk alle op het hart dat ik graag voor God sterf. Als u het mij maar niet verhindert." Op de heiligenkalender staan dus de sterfdata. Met de uitzonderingen van Johannes de Doper en Maria, van wie ook de (fictieve) geboortedata een plaats hebben gekregen.

De gewoonte om de sterfdag te vieren veronderstelt een totaal ander levensgevoel dan het onze. Het lijkt een treurige levenshouding waarbij niet de geboorte, maar het sterven gevierd wordt, maar er zit natuurlijk ook een zonnige kant aan. Godfried Bomans zei het in de vorige eeuw al: Als je vroeger oud was, was je er bijna en nu ben je er bijna geweest. De hedonist piekt rond zijn dertigste en levert vanaf dat hoogtepunt in. Het grote aftellen is dan begonnen. Dat levensbesef is het voor-moderne christendom ten enenmale vreemd. Het leven is een pelgrimstocht, met massale kindersterfte, verwoestende oorlogen en rondsluipende pest, maar aan het eind wacht het Vaderhuis, het nieuwe Jeruzalem, de hemel, de gloria, God zelf.

Wat weten we, historisch gezien, van de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, die in de vierde eeuw geleefd moet hebben in wat nu het zuidwesten van Turkije is? Weinig. De Vitae, vrome vertellingen over het leven van de heilige Nicolaas, verschijnen vanaf de negende eeuw. Als historische bron is een bericht van vijfhonderd jaar na dato natuurlijk dubieus. Dat geldt te meer voor heiligenlevens, waarin het er niet om gaat een historisch betrouwbaar verslag te geven, maar om de gelovigen te stichten. Dat zien we ook in deze Vitae: verhalen klonteren samen, de ene Nicolaas wordt geïdentificeerd met de andere en de wonderen zijn niet van de lucht.

Maar historisch gesproken hebben we toch nog iets meer houvast. De naam Nikolaos komt in de voor- en vroegchristelijke tijden weinig voor. Maar vanaf het begin van de vijfde eeuw mag de naam zich juist in de omgeving van Myra op een grote populariteit verheugen. Dat wijst erop dat daar vóór die tijd een heilige met die naam geleefd moet hebben. Zoals in onze eeuw ouders hun kind naar filmsterren of sporthelden noemen, zo werden destijds heiligen vernoemd.

We kunnen nog een detail van deze heilige Nicolaas met grote waarschijnlijkheid vaststellen: zijn sterfdatum. We weten dat een zekere abt, Nicolaas van Sion (de eerste naam zal niet toevallig zijn), in 564 een reis heeft gemaakt naar een kerk even buiten Myra waar de sterfdag van bisschop Nicolaas door bisschoppen en abten van de regio jaarlijks wordt gevierd.

Nicolaas van Sion komt ziek thuis van de reis en sterft op 10 december van dat jaar. De sterfdag van zijn beroemde naamgenoot op 6 december zal dus wel historisch zijn.

Kende men in de Oudheid verjaardagen? Zeker wel. Uit het Nieuwe Testament weten we dat de vorst Herodes Antipas zijn verjaardag vierde. Natuurlijk met veel drank en vrouwen. De Romeinse keizers plachten er grote volksfeesten van te maken. Ook het weldenkende deel van de natie liet zich niet onbetuigd. De geboortedag van de wijsgeer Epicurus werd jaarlijks binnen de Epicureïsche gemeenschap gevierd. Het zal een soort herdenking geweest zijn, waarschijnlijk met veel uitspraken en stellingen van de vereerde meester.

De kerkvader Origenes verwierp het vieren van verjaardagen. Hij wees naar de farao en Herodes die volgens de Bijbel hun verjaardag vierden en deze exemplarische bewijsvoering was voor hem afdoende. Het zijn argumenten die we nog tegenkomen bij de Jehova's Getuigen om geen verjaardagen te vieren. Waarom zijn christenen dan toch Jezus' geboortedag gaan vieren. En waarom op 25 december?

Er zijn twee theorieën om het ontstaan van het Kerstfeest op 25 december te verklaren - allebei te mooi om niet waar te zijn. De eerste wijst op het bestaan van een zonnecultus in Rome in de maand december. De zon wordt overal op aarde gewaardeerd en op vele plaalsten vereerd, zoals in Rome. De inheemse cultus werd versterkt door allerlei zonnereligies uit het Oosten, bijvoorbeeld de Mithrasverering. In 274 stelt de Romeinse keizer Aurelianus de cultus van de Sol invictus, de onoverwinnelijke Zon, in. En wel op 25 december. De datum is niet toevallig, want die zit in de buurt van de zonnewende: de langste nacht is geweest, de zon neemt weer in kracht toe.

Daar zullen christenen niet aan mee hebben gedaan. Die dachten er het hunne van. Had Jezus niet gezegd: "Ik ben het licht van de wereld"? Had de oudtestamentische profeet Maleachi niet geschreven over de 'zon der gerechtigheid' die zou opgaan? En sloeg dat niet op de komst van Jezus Christus, de ware Zon?

Als keizer Constantijn in het jaar 313 christenen voluit als loyale staatsburgers accepteert en het christendom nog wel niet als staatskerk erkent, maar wel rechten en voorrechten geeft, gaat er ook in de feestkalender van de kerk iets veranderen. Constantijn is een raadselachtige figuur. Hoeveel berekening en hoeveel persoonlijke overtuiging zit er achter zijn beslissing? Hij laat na zijn bekering (al dan niet tussen aanhalingstekens) op de grote overwinningsboog te zijner ere ook symbolen van de traditionele zonnegod zetten. De verering van de zon gaat na de Wende van Constantijn gewoon door. Meende de keizer dat juist op deze manier oud en nieuw geloof met elkaar te verbinden waren? Het was belangrijk voor de eenheid van het rijk om de tegenstelling niet op de spits te drijven.

Voor deze visie pleit ook dat Constantijn in 321 de zondag als vrije dag invoert. De christenen konden samenkomen in de kerk, de heidenen konden hun eigen god(en) blijven vereren. Deze argumenten pleiten ervoor dat de invoering van het kerstfeest bewust op 25 december heeft plaatsgevonden. Wat voor Constantijn mogelijk een manier was om twee geloven te combineren, zal voor de bisschop van Rome een poging zijn geweest om het oude feest te vervangen door het nieuwe. Wil je opstand krijgen, dan moet je een volk zijn feesten afnemen en wat je niet kunt verslaan, moet je overnemen, zullen de christelijke leiders gedacht hebben.

Zo bezien is het Kerstfeest op 25 december een poging van de christelijke kerk om een heidens feest te kerst-enen en met behoud van oude vormen,een nieuwe inhoud te geven: Jezus Christus is de onoverwinnelijke Zon, de Zon der gerechtigheid, het Licht van de wereld.

Een verjaardagsfeest is Kerst nooit geweest. De geboortedatum van Jezus was onbekend. De datum van 25 december werd van buitenaf aangereikt. Van de nood werd een deugd gemaakt.

Er is nog een andere verklaring voor die datum. De kritiek op de hierboven gegeven theorie is dat het Kerstfeest al veel eerder, al vóór Constantijn en vóór de instelling van het feest van de Onoverwinnelijke Zon op 25 december gevierd wordt en dat de kerstviering op die datum eigen, kerkelijke wortels heeft.

Een oud geschrift, mogelijk uit de vierde eeuw, 'De solstitiis' ('Over de Zonnewende'), verbindt de vier keerpunten van het jaar met momenten uit de heilsgeschiedenis. Deze vier momenten vallen op de langste en de kortste dag en op de equinoxen, de data waarop dag en nacht even lang duren. Dat zijn de vier momenten die het begin van een nieuw seizoen markeren.

De nu volgende redeneerkunst zal in die tijd wellicht indrukwekkend geweest zijn, al overtuigt ze ons niet meer. Duidelijk is dat de conclusie de argumentatie bepaalt in plaats van omgekeerd. De anonieme schrijver stelt dat Johannes de Doper verwekt werd bij het begin van de herfst, tijdens het loofhuttenfeest. Het was in de tijd dat diens vader, de priester Zacharias, dienst moest doen in de tempel. Sterk is dit uitgangspunt niet. Sterker is de conclusie dat Johannes negen maanden later, op de langste dag, werd geboren. Uit het Evangelie van Lucas haalt de schrijver dat Johannes zes maanden ouder is dan Jezus. Bijgevolg moet Jezus op 25 maart, aan het begin van de lente, verwekt zijn en op 25 december geboren. Zo zijn we waar we wezen willen.

In dit soort redeneringen speelt ook de veronderstelling mee dat de sterfdag en de geboortedag of de dag van de verwekking dezelfde zijn. Immers, net als de gelovigen van die tijd, houdt God van afgeronde tijdseenheden. Uit de Bijbel is te halen dat Jezus op de veertiende van de Joodse maand Nisan sterft, een datum die gelijkgesteld werd aan 25 maart. Dan zal hij ook op 25 maart verwekt zijn. Negen maanden later hebben we dan 25 december.

De logica van een andere schrijver uit die tijd leidt tot 28 maart als Jezus' geboortedatum. Want, zo veronderstelt hij, zijn sterfdag valt samen met de eerste dag van de schepping: 25 maart. Als de zon op de vierde dag is geschapen moet Jezus als de ware zon dus op 28 maart geboren zijn. Op een woensdag.

Voor ons gevoel zijn het kronkelredeneringen, maar christelijke theologen waren niet de enigen die ze te berde brachten. Joodse wijzen, pagane filosofen en gnostische denkers kunnen ons evenzeer verbazen met een voor ons vreemde redeneertrant die destijds een zekere geloofwaardigheid moet hebben gehad.

Het leidt te ver om de voors en tegens van de twee theorieën te bespreken: heeft de kerk van buitenaf impulsen gekregen om op 25 december het Kerstfeest te vieren als alternatief voor een heidens feest, of waren er intern-liturgische argumenten waardoor de christenen tot de viering van 25 december als geboortefeest van de Heer kwamen? Duidelijk is wel dat er een sterk verband is tussen de kerkelijke feestkalender en de natuurlijke keerpunten van de jaarkalender. Ook al zou het Kerstfeest op 25 december van vroeger datum zijn dan het Romeins-heidense feest van Sol invictus, op een gegeven moment worden het wel concurrerende grootheden met het christendom als overwinnaar. Wel met de steeds terugkerende vraag of de kerk er niet een hoge prijs voor heeft moeten betalen en er niet erg veel heidendom is meegekomen met dit feest.

Het is een vraag die tot nu toe speelt. De theoloog Bram van de Beek pleitte er een paar jaar geleden nog voor om het Kerstfeest maar af te schaffen. Volgens hem was het niet meer te redden.

Toch zag de kerk kans om met de viering van Christus' geboorte nog een punt binnen te halen. Nu niet naar buiten, naar de zonaanbidders, maar naar binnen, naar de Arianen, vanuit katholiek gezichtspunt de ketters bij uitstek.

De leerlingen van Arius vonden de doop van Jezus het hoogtepunt van zijn leven en dus ook van wezenlijk belang voor de christenen. Op dat moment aanvaardde, adopteerde God de mens Jezus als zijn goddelijke Zoon. De orthodoxe christenen verzetten zich tegen deze gedachtengang, met de uitspraken van het concilie van Nicea in 325 als steun in de rug. God was mens geworden in Jezus Christus. Hij was 'God uit God', vanaf zijn geboorte, ja al van eeuwigheid. Het moment van Jezus' geboorte was voor de orthodoxe christenen dus belangrijker dan dat van zijn doop. Ongetwijfeld heeft dit motief meegespeeld om het Kerstfeest in de kerk in korte tijd tot een belangrijk feest te laten uitgroeien. Jezus' verjaardag werd niet gevierd, maar met Kerst werd een geloofsbelijdenis uitgesproken.

Kan de kerk met Kerst haar punt nog maken? Overheid en samenleving maken het haar niet makkelijk. Kerst wordt als christelijk feest uit het openbare leven verbannen. Blijven onze oosterburen op hun Weihnachtsbriefmarken onophoudelijk kribbetjes, herders en koningen afbeelden, op onze kerstpostzegels staan 'algemene' kerstsymbolen: kaarsjes, rendieren en kerstbomen. Wel de kerstman, niet het kerstkind. Nu ik dit typ, zie ik dat mijn spellingcorrector kerstman met een hoofdletter wil schrijven en kerstkind met kleine letter, precies andersom dan het 'Trouw Schrijfboek' zegt. We zijn ook alweer een paar jaar verder. Ook de kerstboom ligt trouwens onder vuur. De Haagse Hogeschool besloot in 2009 geen kerstboom te plaatsen, omdat hij niet-christelijke studenten zou kunnen kwetsen.

Toch is dat niet het eigenlijke probleem van de kerken. In de tijd van Constantijn bestond er naast het christelijke Kerstfeest ook het feest van het onoverwinnelijke licht. De kerk zag toen kans om dat licht te duiden. Dat ze dat nu nauwelijks doet, wijst op een innerlijke crisis: wat voor punt maken we met Kerst? De verleiding bestaat om het Kerstfeest algemeen te houden en aan te sluiten bij een algemeen besef: verlangen, vrede, gerechtigheid. Daar kan iedereen zich in vinden. 'Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen' is een makkelijke boodschap. Tegelijk beseft men buiten en binnen de kerk dat ze op deze manier wel fuseren kan met het Humanistisch Verbond. Ze zal ook tegendraads moeten zijn in haar boodschap om haar bestaansrecht niet te verliezen.

In vele opzichten hadden christenen het in de eerste eeuwen makkelijker dan wij. Een transcendente werkelijkheid werd niet betwijfeld. De hemel was nog niet verdwenen, om het met Von der Dunk te zeggen. Er was een gemeenschappelijk denkkader waarin de wereld van de goden of van de ene God een vanzelfsprekend uitgangspunt was. Toch zetten christenen zich ook toen, indien nodig, schrap tegenover het pagane, heidense denken.

De polemiek van de derde-eeuwse kerkvader Origenes tegen de heidense filosoof Celsus is er een mooi voorbeeld van. Beide denkers zijn leerlingen van Plato. Daarom juist valt Celsus het christendom zo aan. Wat is dat voor een God die naar de aarde komt? Wat heeft hij, komend vanuit zijn hemelse gelukzaligheid in een zwetend, stinkend mensenlijf te zoeken? Kan hij met zijn goddelijke kracht zijn doelen niet vanuit de hoge hemel verwerkelijken?

Voor Origenes is dat onmogelijk. Dat deze God mens wordt, is voor hem het wezenlijke van het evangelie. Wil de kerk met recht Kerstfeest vieren, dan zal ze antwoord moeten geven op Celsus' vraag: wat is dat voor een god die naar deze aarde komt? Dat moet met de humaniteit te maken hebben, met de getroffen Filippijnen. Onderscheidend kan de kerk alleen zijn als ze laat zien waarin de humaniteit verankerd is: in een God die zijn grootheid af wil leggen. En overtuigend kan ze alleen zijn als ze ook haar eigen grootheid aflegt. Kenosis, 'ontlediging' noemen de theologen dat. Als protestant heb ik hiervoor mijn inspirator gevonden: paus Franciscus. Sinterklaas spelen helpt niet, Kerst moeten we vieren.

Sam Janse (1949) is protestants theoloog, gespecialiseerd in het Nieuwe Testament. Hij publiceert daarnaast geregeld over geweld, Oudheid en islam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden