Singing in the rain

Het volk van Nederland kan zich, zo is gebleken, boos maken. Maar Nederland heeft, zo is ook gebleken, geen fantasie voor het kwaad. Nederland weet niet, of niet meer, of nog niet, dat het stinkende, moordende, medelijden-loze kwaad zó werkelijkheid kan worden, even werkelijk als de nerveuze verveling van de file waar we in staan, de patatlucht op het perron waar we ons kleumend op staan te verbijten, of het geschetter van de merel die we nog net weten waar te nemen terwijl we haastig op weg zijn van agendapunt A naar agendapunt B. Geen minister of burger, geen BVD-diender of LPF-er kon zich vóór 6 mei voorstellen dat er in Nederland om politieke redenen gemoord kon worden. Geen minister (nou eentje misschien wel) of dutchbatter kon in de zomer van 1995 echt geloven dat zeven- tot achtduizend mensen bijna onder onze ogen zouden kunnen worden afgeslacht. Moed vergt fantasie, voor fantasie is moed nodig. De Nederlandse literatoren zijn hun publiek in dit opzicht niet erg vooruit, concludeert Jaap Goedegebuure, het kwaad zoekend in zijn boekenkast. Alleen Arnon Grunberg en nog meer zijn alter ego Marek van der Jagt weten van wanten, en hoe. ,,In 'Gstaad 95-98' beperkt de reactie zich tot het schouderophalen van iemand die met een gewelddadig computerspelletje of een snufmovie zijn korte-termijnbevrediging heeft binnengehaald. Met Van der Jagts onttovering en banalisering van het Kwaad is de Nederlandse literatuur definitief thuisgekomen in de eenentwintigste eeuw.'' De boekenbijlage van Trouw luidt dit jaar nog kwaad uit. Maar niet helemaal: Een keur van recensenten prijzen hun 'beste boek van het afgelopen jaar' aan.

Enige jaren geleden hoorde ik tijdens een uitvaartmis voor een jonge zelfmoordenaar de dienstdoende priester beweren dat het kwaad hier werkzaam was geweest. Hij zei niet: 'de Boze' en repte al helemaal niet van het personifiërende `Satan' of `de Duivel', maar had, heel modern en toch ook heel ouderwets, het oog op iets dat even onzijdig als ongrijpbaar was. Het kwaad.

Hier stond een geestelijke die besefte dat de parochianen verhaaltjes over een pikzwart wezen met bokspoten, een puntstaart en een walm van pek en zwavel om zich heen, alleen nog maar kunnen accepteren van een cartoonist. Tegelijk begreep de eerwaarde drommels goed dat onbevattelijk onheil een naam en een plaats moet krijgen, liefst zo metafysisch mogelijk. Bijna kon je de hoofdletters in zijn stem horen. Het Kwaad een plaats toe te wijzen, hoe schimmig en wijds die ook mag zijn, is altijd veiliger dan ervan uit te gaan dat het kwaad evenmin buiten de mens bestaat als het goede of het goddelijke.

De meesten onder ons plegen zich om dergelijke speculatieve onderscheidingen al lang niet meer te bekommeren. Als we niet meer aan de Duivel geloven, hebben we ook weinig op met het Kwaad als iets wezenlijks. Het idee dat het inherent is aan de menselijke staat, en dan niet eens bij wijze van erfzonde maar juist als 'een tumor van het bewustzijn', om met de wijsgeer te spreken, dat idee vind je zelden onder woorden gebracht.

Een enkele schrijver wil er wel eens gewag van maken, en dan meestal een die van zijn geloof is gevallen zonder dat hij daarmee helemaal van de Duivel en dus ook van God is losgeraakt. Baudelaire, geobsedeerd verzamelaar van de Bloemen van het Kwaad, gaat deze soort als een tegendraadse Johannes de Doper voor. En Frans Kellendonk is hem als een van de weinige Nederlanders gevolgd. Begin jaren tachtig, ruim voordat hij de Kop van Jut werd in een rel over het al dan niet antisemitische gehalte van zijn roman 'Mystiek lichaam', liet Kellendonk zich al tegenover een journalist ontvallen dat hij mensen die het racistische kwaad in zichzelf niet zagen veel enger vond dan de racistische rechts-extremisten van de Centrum Partij. Daarmee zou hij zijn latere critici al de wind uit de zeilen genomen moeten hebben, omdat hij immers duidelijk aangaf dat wie zonder zonde is vooral als eerste met modder moet gooien. Maar het hielp natuurlijk niet. Nederlanders, of ze nu orthodox, vrijzinnig of verlicht zijn, plegen noch van de prins, noch van zichzelf enig kwaad te willen weten.

Niet voor niets kunnen Nederlanders zich beroemen op een literatuur die ook na het bewind van de negentiendeëeuwse dominee-dichters tamelijk braaf is gebleven, al kan het heel wel zijn dat dit in hoge mate een waarneming van achteraf is. Met het kwaad is het net als met seks en humor: de smaak voor een bepaalde variant is sterker dan wat ook aan de tijd gebonden en verflauwt binnen de kortst mogelijke keren. Het valt niet mee om in de van drankzucht en retoriek bezeten Willem Kloos (`Ik ben de Dúivel-god dier grúwbre oorkónde, / 't Vervlóekte Boék van laffen deémoed, klein') ook vandaag nog een gevallen engel te zien.

Zelfs wanneer een Nederlandse schrijver in de leer is geweest bij markies de Sade en ons, in diens trant, de charme van de lust in het lijden wil laten zien, bezwijkt de demonie maar al te vaak onder de last van de stijl of de bedoelingen. Jacob Israel de Haan, die in 1904 grote beroering had gewekt door in zijn roman 'Pijpelijntjes' twee samenlevende homoseksuelen te portretteren, vergrootte in het uit 1907 daterende 'Pathologieën' een enkel detail tot in het extreme uit. Ook in die tweede roman vormen de hoofdpersonen een homoseksueel koppel dat ervan houdt te slaan dan wel geslagen te worden. De uitwerking van dat gegeven krijgt zijn beslag in pagina's lange martelscènes die tenslotte de dood tot gevolg hebben. Maar in weerwil van hun gruwelijkheid blijven ze zonder effect, en dat is wat mij betreft te danken aan twee kenmerkende zinnetjes. Het ene doet dienst als verantwoording door de auteur: ,,Dit is mijne verfijnde, en op eene zeer nerveuze wijze verzorgde, beschrijving van de pathologieën, dat zijn de ondergangen van Johan van Vere de With.'' Het andere wordt in de mond gelegd van de kwelzieke minnaar: ,,Ik vind het heerlijk een kunstenaar te zijn, maar ik vind het nog heerlijker, dat ik zoo verdorven ben en, dat ik het zoo zeker weet.'' Dat gaat de kant uit van de twee tegen elkaar opbiedende slechterikken Rastapopoulos en Carreidas uit het Kuifjesboek 'Vlucht 714': ,,Vooruit, geef toe, dat ik slechter ben dan u!'' ,,Nooit! Hoort u dat? Ik sterf nog liever!'' Dat Jan Wolkers, ooit beschouwd als een vervaarlijke taboeschenner, juist deze groteske dialoog citeert bij wijze van motto voor `Turks fruit', vind ik typerend voor zíjn affiniteit met het Kwaad.

De enige Nederlandse schrijver die in dit verband iets heeft gepresteerd dat lijkt op het openen van een afgrond waarvoor je instinctief terugdienst, is Gerard Reve, maar hoewel hij het patent heet te hebben op homoseksuele martelseks, is het hem maar zelden gelukt er iets van te maken dat het kwaad ook voelbaar in zich draagt. Meestal tempert Reve de naakte wreedheid met een mengsel van ironie en kitsch. En ook die manoeuvre is, net als in De Haans geval, een kwestie van literaire inkleding, kortweg gezegd van stijl. Zei Nietzsche al niet dat we de kunst nodig hebben om niet aan de werkelijkheid kapot te gaan?

Weer anderen kiezen ervoor het kwaad een kluchtig aanzien te geven. Louis Ferron deed dat keer op keer in een lange reeks romans die vrijwel zonder uitzondering de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp hebben en zich richten op het kleine en banale kwaad van alledag, bedreven door de meelopers en minkukels. Het lijkt wel of hier de oude toneelwet wordt gevolgd die leert dat het boertige en lachwekkende genre per definitie een aangelegenheid is van domme en op z'n minst sukkelige personages. Vooral onze schrijvende zuiderburen hebben daar een handje van, Hugo Claus en Tom Lanoye voorop. Zij hebben zich in romans als 'De geruchten' en 'Onvoltooid verleden tijd' (allebei van Claus) en 'Het goddelijke monster', 'Zwarte tranen' en 'Boze tongen' overduidelijk laten inspireren door de Dutroux-affaire, toch een ultieme manifestatie van het eigentijdse kwaad, maar hun transformatie blinkt uit door een James Ensor-achtige grolligheid. Slechtheid puur kan gemakkelijk te cynisch zijn, tragische slechtheid leidt al snel tot melodrama, maar slechtheid waarvan je in de lach schiet maakt niemand wijzer, want die laat, zeker in het geval van Lanoye, volkomen onberoerd.

Dat het recentelijk ook anders kon, bewijst 'Gstaad 95-98', de tweede roman van Marek van der Jagt alias Arnon Grunberg. Om ter verduidelijken wat de strategie van dit evenzeer aan Dutroux herinnerende verhaal is, moet ik een omweg nemen langs een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis: In een scène uit Stanley Kubricks rolprent 'A clockwork orange' zien we hoe een jonge geweldpleger twee oudere mensen tot gekwordens toe martelt onder het zingen van 'I'm singing in the rain'. Dat vrolijke musicaldeuntje uit de onbekommerdste feelgoodmovie aller tijden vormt merkwaardig genoeg geen contrast met de gruwelijkheid van de vertoonde beelden, maar sluit er naadloos bij aan. Mocht de onschuld ooit verloren zijn gegaan, dan daar wel.

Het is precies dit stijlmiddel dat Arnon Grunberg, auteur van 'Blauwe maandagen', 'Figuranten' en 'Fantoompijn', zich met veel succes eigen heeft gemaakt. De versmelting van onverenigbare tegendelen, frivoliteit en tragiek, bitterheid en sentiment, horror en slapstick in een en hetzelfde betoog vormt de bezegeling van Grunbergs visie dat mooie woorden en hooggestemde idealen illusies zijn, dat het met de wereld nooit meer goed komt, maar dat we er desondanks of misschien wel juist daarom een vrolijke boel van moeten maken, is het niet metterdaad dan wel in geschrifte.

Niet alleen de romancier Grunberg huldigt dit standpunt, ook de denker van die naam is cynicus uit noodzaak. In het pamflet 'De mensheid zij geprezen', een eigentijdse variant op Erasmus' 'Lof der zotheid', wordt de oorlog verheerlijkt, het geweten verdacht gemaakt, het kwaad weggeïroniseerd en de schoonheid in verband gebracht met wreedheid en genot. Geen kunst na Sade, Nietzsche, Marinetti en Bataille, maar in het brave Nederland is het nog nooit of in een heel slap aftreksel vertoond, tenzij we moeten denken aan de verbeten monoloog van de SS-er die een bijrol vervult in 'De donkere kamer van Damokles'.

Maar anders dan W.F. Hermans heeft Grunberg geen verzonnen figuren nodig om te zeggen wat hij denkt maar niet hardop voor durft te uit te komen. Want dat de spreker in 'De mensheid zij geprezen' een masker zou zijn en zijn betoog niets anders dan de zeepbellen van een postmodieuze ironicus wil er bij niet in. Wie er zo tegenaan kijkt, neemt ook Sade en Nietzsche niet serieus.

Toch is Grunberg in zijn ontluistering van het mensbeeld nooit zo ver gegaan als zijn alter ego Van der Jagt. Met het werk van Michel Houellebecq reken ik 'Gstaad 95-98' tot de onthutsendste en fascinerendste literatuur van deze tijd. En dat niet omdat wreedheden en perversiteiten er tot in details zijn beschreven, integendeel. Incest, verkrachting en lichamelijke pijniging worden er alleen maar in aangekondigd. Zodra de suggesties feiten worden, zwijgt de verteller. Hij fluit er hooguit een vrolijk deuntje bij en geeft daarmee aan iets onverdraaglijks een draai die aankomt als een tik in je gezicht. Dat gaat in deze trant: ,,Billen stellen wel eens teleur, maar dat mag geen reden zijn het verder te zoeken, of dieper te graven dan de endeldarm verdraagt.'' Of zo: ,,De restanten van mensen bestaan altijd uit kleren en schoenen. In een volgend leven ga ik in de mode. Een stapje dichter bij de onsterfelijkheid.'' Bij het tweede citaat is het wat mij betreft onmogelijk om me los te maken van een foto, gemaakt in het vernietigingskamp Auschwitz, waarop een grote berg schoenen van de omgebrachte slachtoffers te zien is.

De twee geciteerde uitspraken komen voor rekening van Van der Jagts hoofdpersoon François Lepeltier, op het eerste oog een schelm van het type Tijl Uilenspiegel en Münchhausen. In onzaligheid verenigd met zijn gewetenloze en kleptomane moeder komt hij aan de kost met list en bedrog. Hij geeft zich met groot succes uit voor tandarts, skileraar en sommelier, zonder ooit voor die beroepen in opleiding te zijn geweest.

Anders dan de held van een conventionele schelmenroman kiest hij niet voor het kwaad bij wijze van overlevingstaktiek, maar om uitdrukking te geven aan weloverwogen filosofische standpunten. Daarmee groeit Lepeltier ver uit boven het half debiele, half geniale monstertje dat hij in aanleg was. Wanneer hij zijn levensverhaal begint, doet hij het nog voorkomen als zou hij met zijn onnatuurlijk grote handen, zijn chronisch eczeem en zijn jarenlange onzindelijkheid een lachwekkende speling van de natuur zijn. Maar al gauw manifesteert hij zich als de scepticus die alle hoop op recht en gerechtigheid bij voorbaat heeft laten varen. Het feit dat hij evengoed weggeaborteerd had kunnen zijn of ter adoptie aangeboden stemt hem nauwelijks bitter. Zo gaat de wereld nu eenmaal om met de onsmakelijken. Het is zaak van de nood een deugd te maken en de onsmakelijkheid te vieren en te genieten als betrof het de ultieme glorie.

God perst de mensen nu eenmaal door het leven als voedsel door het spijsverteringskanaal. Daarom verdient de anus het te worden verheerlijkt als bron van alle schoonheid en centrum van de moraal. Met veel verve werpt Lepeltier zich op als een roepende in het riool. Hier en daar wordt zijn toon zowaar profetisch: ,,En ik zag dat straks de rivieren gevuld zouden zijn met stront, uit de kranen zou stront komen, de bakkers zouden broden van stront bakken en in de klerenwinkels zouden etalagepoppen staan van gedroogde stront.''

In deze omkering van waarden, die stamt uit de diabolische 'verkeerde wereld' van onze middeleeuwse voorouders, past een taalgebruik dat woorden met sluipend vernuft in een groezelig licht plaatst. 'Erbarmen betonen' betekent hier 'seksueel misbruiken', 'ontsnappen' staat voor 'zelfmoord plegen', 'bewaken' omvat de perverse symbiose van de beul en het slachtoffer die stelselmatig elkaars rollen overnemen, en dat alles vanuit een gezindheid die al in het begin wordt omschreven: ,,Niets is gruwelijker dan de nabijheid van de ander. Niets is ook wenselijker. De dood beschouw ik niet als de opheffing van het zelf, het einde van het ik, of als we bescheiden blijven, de opheffing van het stoffelijke en o zo vervangbare lichaam. Allemaal prietpraat. De dood is de onmogelijkheid de nabijheid van die ander tot stand te brengen. Die gruwelijke misdadigheid waarmee elk genot begint en eindigt.''

Gerard Reve nodigde de lezer nog uit in het omstandig uitserveren van allerlei wreedheden zinvol geweld te zien. ,,Wat ik deed was smerig, gemeen, belachelijk en vernederend'', zo lezen we in 'Moeder en Zoon', ''maar het was geheiligd, want het maakte deel uit van Gods heilplan aangaande mij.'' En in een zwartromantisch staaltje theologie, te vinden in de 'Brieven aan Josine M.', heet het: ,,als God Liefde is, dan is God ook onderwerping, offer & lijden, & bevat God ook wel degelijk zonde. God is even zondig als ik, en behoeft evenzeer door mij verlost te worden, als ik door Hem.''

In het licht van de eeuwigheid bezien bevat het revistische Kwaad in zijn afzonderlijke verschijningsvormen telkens een moment van geopenbaarde waarheid, zoals dat ook het geval is in het werk van de misschien niet religieus, maar wel degelijk metafysisch gepreoccupeerde Willem Brakman. Maar in 'Gstaad 95-98' beperkt de reactie zich tot het schouderophalen van iemand die met een gewelddadig computerspelletje of een snufmovie zijn korte-termijnbevrediging heeft binnengehaald. Met Van der Jagts onttovering en banalisering van het Kwaad is de Nederlandse literatuur definitief thuisgekomen in de eenentwintigste eeuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden