Review

Singam de leeuw krijgt zijn maag niet vol

'Gaat het een beetje?' vraagt mijn zoon als ik, de ogen gesloten, kennelijk nogal luidruchtig met mijn neus in een nieuw boek zit te snuiven. Uit de geur van het boek doemen langzaam beelden op: oude, ambachtelijke werkplaatsen, drukkerijen, ateliers waar mensen nog tijd hebben.

Het wordt opgeroepen door het Indiase prentenboek 'De hongerige leeuw' van Gita Wolf, met zeefdrukken van Indrapramit Roy, gemaakt door een uitgeverijtje van kinderboeken in Madras. Het is zo'n boek dat je voorzichtig in handen neemt, als een zeldzame vondst uit een antiquariaat. Het grove, lichtgrijze papier zit vol stukjes riet, de twee katernen zijn met de hand aan elkaar genaaid, en lettertype en illustraties doen aan lang geleden denken. Toch zie je meteen dat het een nieuw boek is: de verf van de illustraties lijkt dik op het papier te liggen, het voelt alsof het nog nat is maar het geeft niet meer af.

Alleen de geur is verwarrend: vers en oud tegelijk.

'De hongerige leeuw' is een Indiaas volksverhaal, maar behoort tot de wereldwijd verbreide cultuurschat aan volksverhalen over deugnieten en pestkoppen. De kleine, watervlugge, koelbloedige slimmerik wint het daarin bijna altijd van het grote beest, dat wel machtig en gevaarlijk is, maar ook dom, log, ijdel en hebberig. Met deze verhalen hebben mensen altijd onderhuidse kritiek op machthebbers kunnen uiten.

In de meeste clusters van dit soort verhalen is de kleine, sympathieke slimmerik de hoofdpersoon: Anansi in de Afro-Caribische spinverhalen, 'Brer Rabbit' (Broer Konijn) in de verwante, ook van Afrika naar de 'Nieuwe Wereld' gemigreerde haasverhalen, en Kantjil in de Indonesische verhalen over het bijdehante dwerghertje (zie verderop).

Maar hier is de grote sterke tegenspeler hoofdpersoon. En zoals gebruikelijk in deze verhalen heeft hij honger, maar wil hij zijn buik op een zo gemakkelijk mogelijke manier vullen. Drie dieren komt Singam de leeuw tegen: Koeroevi de mus, Adoe het lam en het hertje Maan. En alle drie zijn ze hem te slim af, zodat de leeuw tegen de avond nóg niets in zijn maag heeft.

Het verhaal voelt vertrouwd aan en wordt levendig verteld. Maar waar het boek zich door onderscheidt, is de wijze van illustreren en de vormgeving (waarvoor het boek in Canada een prijs kreeg). De illustraties zijn gemaakt in de Warli-stijl, volksschilderkunst uit West-India: decoratief, expressief en harmonieus, met vluchtende en jagende mensen die op figuurtjes uit rotsschilderingen lijken. In deze stijl worden gewoonlijk met witte verf mythische taferelen geschilderd op de bruine lemen huizen. De schutbladen van het boek geven een indruk hiervan. Indrapramit Roy is in het boek iets vrijer te werk gegaan en schilderde, in felle kleuren, ook een trein en autobus. De tekst is integraal in de compositie opgenomen, tot lettertype, lay-out en kleur toe. Slechts één illustratie is te massief.

Grote opdracht

De illustraties zijn door middel van zijdezeefdruktechniek handmatig op het papier aangebracht: alle twintigduizend exemplaren één voor één! Trouwens, alles aan het boek is met de hand gemaakt: van het gerecyclede papier tot en met het bindwerk. De Indiase drukker heeft twee jaar werk gehad aan deze grote opdracht van de Novib, en daarvoor dertien werkloze dorpsgenoten opgeleid. Die mensen zijn na het project niet ontslagen, maar in vaste dienst genomen in een intussen opgezet fabriekje waarin gerecycled papier gemaakt wordt.

Meestal worden volksverhalen en boeken uit Derde-Wereldlanden geexploiteerd door westerse uitgeverijen: men koopt de rechten van een boek en fabriceert hier. De 'Novib-methode' mag dan aan kritiek onderhevig zijn, dit voorbeeld spreekt voor zich dat het wel degelijk ook anders kan. Een belangrijk agendapunt voor de tweejaarlijkse IBBY-conferentie (International Board of Books for Young People), die dit jaar in India zal worden gehouden.

De hongerige leeuw had ook Kantjil tegen kunnen komen: die zou hem dan ook voor de gek gehouden hebben. Over dat Sumatraanse dwerghertje verschenen vorig jaar drie aardige kinderboekjes van Peter Vervloed: 'De reuzenknoop', 'Wie redt olifantje?' en 'De gouden vissen'. Vervloed is erg vrij met de oorspronkelijke verhalen omgegaan: van Kantjils grote, gevaarlijke tegenspeler Tijger maakt hij een wat sullige koning Tijger, die wel hard gromt en brult, maar niet doorbijt, zelfs niet als Kantjil streken met hem uithaalt. Vervloed promoveert verder de grote domme bergreuzen die onweer maken als ze ruzie hebben, tot tegenspelers, en voert bovendien de vogel Garuda op als degene die alles met zijn scherpe ogen in de gaten houdt en af en toe een hint geeft.

In plaats van losse verhalen schrijft hij per boekje verschillende Kantjil-achtige verhaalmotieven aan elkaar tot één geheel. De drie boekjes zijn voor jongere kinderen geschreven dan 'Kantjil, dwerghert bij het Tobameer' dat Alet Schouten in 1977 publiceerde en dat helaas nooit herdrukt is. Jammer genoeg impliceert dat ook dat ze minder Sumatraanse couleur locale bevatten, minder rijmpjes en taalgegoochel, waardoor ze erg ver van de oorspronkelijke verhalen komen af te staan. Daar staat tegenover dat ze op deze manier toegankelijker zijn voor Nederlandse kinderen. Wat Peter Vervloed wel behoudt en uitspeelt, zijn de humor en de geestige, snelle dialogen tussen Kantjil en de andere dieren, vol woordspelingen en knipoogjes: 'Ik lieg nooit voor wie me geloven wil'. En dat maakt zijn boekjes plezierig om te lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden