Shoppen op de relimarkt

Vraag mij niet waar het vandaan komt, maar ik heb een enorme afkeer van godsdienstig gesjoemel. Met godsdienstig gesjoemel bedoel ik natuurlijk niet kardinaal Simonis, Antoine Bodar, de SGP of het GPV, maar de overgrote meerderheid der gelovigen die aan het shoppen is op de relimarkt: dominee Ter Linden, Cornelis Verhoeven en het CDA. Gesjoemel is: niet luisteren naar de paus, maar toch katholiek blijven. Dominee blijven, maar niet geloven in de wederopstanding.

Deze afkeer van gesjoemel begint bij mij zo langzamerhand problematische vormen aan te nemen, want ik vind daarvoor nérgens, maar dan ook nergens begrip in mijn omgeving. Niet bij mijn vrouw, niet bij mijn beste vrienden, bij niemand. “Wat kan jou dat nou schelen dat die protestanten hosties eten”, zeggen mijn vrienden tegen mij. “Je gelooft niet eens.”

Nee, dat is waar, maar toch, als iemand achteloos laat vallen dat hij de beginselen van onze 'humanistisch-christelijke cultuur' onderschrijft, zoals in dat zwakbeargumenteerde artikel van Pieter Jan Biesheuvel in Trouw van 8 december (inmiddels adequaat weerlegd door Breedveld), dan reken ik meteen voor dat 'humanistisch' iets heel anders is dan 'christelijk'.

Hoe komt dat nou? Ik ben niet belast door mijn opvoeding. Ik moest nooit naar zondagsschool. Ik heb in geen enkel opzicht geleden onder een godsdienstige opvoeding, zoals Alfred Hitchcock of Maarten 't Hart. Ik kom uit een keurig godsdienst-onverschillig gezin. Ik kan mijn neurotische afkeer van het gesjoemel dus niet verklaren of het zou iets met een vorig leven te maken moeten hebben.

Enfin, ik heb nu besloten daar iets aan te gaan doen. Wat ik nodig heb om weer in harmonie met mijn omgeving te kunnen functioneren, is een goedberedeneerde verdediging van het gesjoemel.

Nu is het probleem alleen dat je die bijna nooit vindt. Het gesjoemel wordt wel alom gepraktiseerd, zelfs wordt toegegeven dat het gesjoemel is (Cornelis Verhoeven heeft dat wel eens gedaan), maar zelden vindt men het goed verdedigd. In discussies daarover, draait het er ook bijna altijd wel op uit dat men mij gelijk moet geven. “Inderdaad, je hebt gelijk, een protestantse marxist moet ook helemaal niet aan de Katholieke Universiteit Nijmegen lesgeven.” Maar, zo voegt men daar dan steevast aan toe: “En toch kan ik mij daarover niet druk maken.” Kortom, ik zit in de lastige positie dat de sjoemelaars en verdedigers van de sjoemelaars intellectueel telkens het onderspit moeten delven, maar emotioneel zegevierend uit de confrontatie met mijn Prinzipienreiterei tevoorschijn komen.

Onder deze omstandigheden rest slechts één strategie. Ik moet van mijn dwangneurose af. Ik moet zelf het sjoemelen gaan gedogen en misschien zelfs wel een beetje mee gaan doen, bijvoorbeeld door de humanistisch-christelijke traditie ook een beetje te gaan verdedigen of een beetje te gaan geloven en een beetje niet.

Maar om daaraan werkelijk van harte mee te kunnen doen, moet ik als rechtgeaard intellectueel eerst een goede verdediging en rechtvaardiging van het sjoemelen lezen. Dus niet eentje van 'ach, wat zou dat'. Nee, een echt goed doortimmerd verhaal ten gunste van het sjoemelen.

Gelukkig bestaat dat, namelijk het opstel 'The will to believe' (1896) van de Amerikaanse filosoof William James. James leert dat wat je wilt geloven ook voor jou geloofswaarheid is. En daar is niets mis mee. Die James, kortom, die moet ik hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden