Reportage

Senna, Mika en Silke hebben de dierproeven overleefd en zijn nu op zoek naar een baasje

‘De enige garantie die we van het lab krijgen is dat ze gezond uit de eventuele proeven zijn gekomen. Bij de minste problemen laten ze ze immers inslapen.’ Beeld Sjaak Verboom

Het voornemen is om Nederland vanaf 2025 proefdiervrij te maken. Voor dieren die de proeven overleven, wordt intussen een nieuw onderdak gezocht.

Diep onderuitgezakt in de pluizige fauteuil observeren Monica (61) en Erik de Zwaan (64) uit Weert hoe drie beagles zich uitleven in een muf vertrek van dierenwelzijnscentrum Adventure in het Friese Kootstertille. De hondjes, een paar maanden oud, zijn één brok rusteloosheid. Het trio kwispelt, snuffelt en blikt hyperactief om zich heen. Geen enkele prikkel blijft onbeantwoord.

“Als ik zo naar hen kijk, zie ik niets geks”, zegt Monica de Zwaan. “Ze glanzen, ze zijn levendig en geïnteresseerd. Het zijn leuke hondjes die de wereld nog moeten ontdekken, maar dan met een achterstand.”

Ze doelt op het feit dat het drietal uit een poule ‘uitgediende’ proefdieren komt, hier in Friesland ondergebracht in afwachting op adoptie. Het koppel uit Weert komt kijken of het een van die afgedankte puppies een nieuw thuis kan geven.

De familie De Zwaan kiest uit een aantal voormalige proefdieren een hondje uit voor adoptie. Beeld Sjaak Verboom

Op een stoel kijkt een oudere man toe hoe het duo tot een keuze komt. Met zijn vrijwilligersorganisatie biedt Ed Pols al ruim twintig jaar voornamelijk honden en katten aan ter adoptie. Anderhalve week eerder werd een dertigtal beagles bij hem binnengebracht. Het zijn de geknipte honden voor dierproeven, zegt Pols. “Het is een hond van handzaam formaat, niet te klein, niet te groot. Daardoor zijn ze makkelijk te hanteren.” In het verleden zag hij ook hamsters, konijnen, muizen, ratten en zelfs fretten voorbijkomen. “Maar ratten of muizen, die raak je gewoon niet kwijt.”

Óf ze zijn gebruikt als proefdieren, of ze zijn klaargestoomd voor dierproeven, maar uiteindelijk afgewezen. Met welke laboratoria contact is of waarop ze zijn getest, krijgt Pols niet te horen. Daarin zijn instellingen nogal terughoudend, bang voor negatieve reacties van tegenstanders van dierproeven, zegt hij. “De enige garantie die we van het lab krijgen is dat ze gezond uit de eventuele proeven zijn gekomen. Bij de minste problemen laten ze ze immers inslapen.”

De eerste ontmoeting met potentiële eigenaars vindt bewust plaats in kamers waar met wat meubels een huiselijke sfeer wordt gecreëerd. Aanvankelijk wilde het koppel De Zwaan er naast hun jack russell geen tweede hond bij. Een artikel over proefdieren in de regionale krant liet Monica de Zwaan echter niet los. Het zat haar niet lekker. “Een week later zat ik er nog op te kauwen. Dat beestje overleeft het dan, maar hoe moet het verder? Zo’n diertje heeft behoefte aan warmte en een goed thuis. Ik moest er iets mee.”

Monica de Zwaan met een van de ‘uitgediende’ hondjes. Beeld Sjaak Verboom

Hun aaibare voorkomen – grote hangende oren en de kenmerkende zwarte staart met aan het eind een wit dotje – kent ook een keerzijde. “Laboratoria kiezen hen juist uit omdat het lieve honden zijn”, zegt Erik. “Ze worden getest en gebruikt, omdat ze zo aanhankelijk en zachtmoedig zijn. Omdat je aardig bent, ben je dus slachtoffer. Dat raakte ons. Als we dan toch een hondje namen, waarom dan niet zo een? Het liefst een waarbij je jezelf dient, maar ook het diertje.”

Dodelijk

Dierproeven worden steeds dodelijker. Het gros van de dieren, 98 procent, sterft na de proef. Van de honden overleed in 2017 de helft. Een jaar eerder was dat nog 41 procent. Van de katten overleefde een op de drie dieren de experimenten niet, dat was in 2016 nog geen 12 procent. “De proeven eisen veel van zo’n dier”, zegt Pols. “Wil je zien wat een medicijn met een lever doet, dan dien je het toe. Dat kan al schadelijk zijn. Maar nadien heb je de lever dan nog eens nodig om te zien hoe die er aan toe is. Dat overleven ze vaak niet.”

Academische ziekenhuizen, universiteiten, farmaceutische bedrijven en diervoederfabrikanten maken gebruik van dierproeven. Bij elkaar zijn het al gauw honderd laboratoria. Er bestaan al dierproeven sinds de zeventiende eeuw, vertelt Pols. “Van anatomie, en leren hoe iets in elkaar zit, is het geleidelijk uitgegroeid tot medicijnproeven.”

Pas in de jaren zeventig kwam er protest tegen dierproefpraktijken. “Dat ging om proeven voor schoonheidsmiddelen. Rond die tijd ontstond het bewustzijn dat dieren ook kunnen lijden. Vroeger was de heersende gedachte: een beest is een beest, en heeft geen emoties.”

Door de vochtige loodsen van het dierpension komt Pols een steeds luider en wilder geblaf  tegemoet. Op de kennels zijn de namen ‘Senna’, ‘Mika’ en ‘Silke’ te lezen. De deurtjes zwaaien piepend open. Op de binnenplaats is Pols’ verschijning voor de honden het sein om op hun hardst te gaan blaffen. De beagles afgezonderd van de andere honden, die van de overzijde argwanend toekijken. Liefkozend likken ze de vingers die Pols door het gaas van de hekken houdt. Schertsend: “Al dit gespuis is van ons.” 

Hij woelt door zijn omhoogstaande witgrijze haren. “In de laboratoria groeien deze dieren vrij van ziektekiemen. Hun immuunsysteem staat daardoor op een laag pitje. Hier bouwen ze dat weer op. Pas na een week of twee mogen ze weer bij de andere honden.” 

Beeld Sjaak Verboom

Achterin het hok houdt een puppy zich afzijdig. Van zijn schriele lichaampje komen de ribben door de vacht heen. “Die moeten we in de gaten houden”, zegt Pols. “Hij eet amper, is timide en teruggetrokken. Zulk angstig gedrag komt vaker voor bij proefdieren. In laboratoria zijn dieren altijd wat aan de magere kant. Een dunne hond is een gezonde hond, luidt het credo.” 

De eerste zes tot acht weken blijven de honden bij de moeder, daarna worden de eerste testen uitgevoerd, zegt Pols. “Verder groeien ze op in een nest zonder mensen, de dierverzorger uitgezonderd. Die vroege socialisatie, die ze normaal in een gezin opdoen ontbreekt. Dat doet zo’n hondje echt geen goed. Dat moeten ze inhalen. En dat is een lastige opgave. Die eerste twee maanden in het hondenleven zijn immers cruciaal.”

Proefdiervrij

Pols zat zelf in het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid, die het ministerie adviseert op het gebied van dierproevenbeleid. In 2025 proefdiervrij zijn, zoals het kabinet zich voornam, vindt hij dat realistisch? “Voor grote dieren als honden en katten moet het kunnen”, zegt Pols.

“Die ambitie is er nog steeds, maar mij lijkt dat het beperkt wordt tot grote proefdieren. Het zal waarschijnlijk langer duren voordat ratten, muizen en vissen ook gespaard worden. Alles hangt af van bereidheid. Laboratoria van universiteiten en academische ziekenhuizen zijn vrij flexibel. Maar vooral multinationals zijn log, traag, en afkerig van veranderingen.”

Om de dierproeven te kunnen afbouwen zijn alternatieven nodig. En die zijn in ontwikkeling, zegt Pols. Zo is er de organs-on-a-chip, waarbij een menselijk orgaan kan worden nagebootst. Deze technologie kan proefdieren op termijn overbodig maken.

“In plaats van een heel dier gebruik je dan slechts enkele cellen die via een chip met kleine kanaaltjes allerlei geneesmiddelen en voedingsstoffen krijgen toegediend. Dan kan je zien hoe die cellen reageren. Je simuleert een dierproef. Her en der wordt het al toegepast, maar het duurt nog even voor dat verfijnd genoeg is.”

De voorbije tien jaar ziet Pols duidelijk verbetering in de conditie van de afgedankte dieren. “Zodra laboratoria tot het besef kwamen dat de dieren goed herplaatsbaar waren, hebben ze zelf stappen gemaakt. De voeding, verzorging en het onderhoud van de kooien zijn verbeterd. Ook begonnen ze menselijker om te gaan met de dieren. Ze verrijken de kennels nu met speeltjes, en er wordt ook met de honden gespeeld. Dat zie je in het gedrag van de beagles terug. Ze zijn minder angstig dan voorheen.”

Geduld

Na een half uur is de familie De Zwaan eruit: de keuze viel op Hanzel, een teefje van vier maanden oud. Haar zusjes Saga en Ilvar mogen terug naar de kennels. Pols overhandigt hen nog wat papieren en een paspoort, terwijl het duo de laatste instructies driftig knikkend ontvangt. Met haar grote ronde ogen bestudeert het teefje haar nieuwe baasjes aandachtig.

Beeld Sjaak Verboom

We gingen vooral af op de manier waarop onze jack russell op de kandidaten reageerde, zegt Erik de Zwaan. “En op ons eigen buikgevoel natuurlijk. We kwamen allebei bij Hanzel uit. Nu weten we al niet meer of wij of ons hondje de keuze heeft gemaakt.”

De twee hondenbezitters uit Weert zijn zich bewust waar ze instappen. Of het hen afschrikt? “Moet je horen,” zegt Monica kordaat. Ze wendt haar blik tot haar echtgenoot. “We zijn nu allebei met pensioen. Dit was het perfecte moment. Als je te oud bent, ontbreekt de zin en de energie. Het is niet ‘even een leuke hond in huis halen’. Die slechte start inhalen kost tijd, verzorging en aandacht.”

Haar man doet voorzichtig een roodzwart tuigje om de hals. De handelingen ogen wat onzeker, alsof hij het hondje ieder moment kan breken. “Zo om het kopje heen?”, vragend aan Pols. 

“Niet te strak aanspannen”, zegt die. Dan overhandigt Erik de hond aan zijn vrouw. Ze wikkelt omzichtig een dekentje om het rompje van het hondje en knelt het lichaampje zachtjes onder haar arm. 

Een dierproefpuppy opvangen vraagt geduld en toewijding, zegt Pols. “De hond mag geen druk voelen. Er moet een vertrouwensband komen. Soms kost het een paar maanden, maar vaak duurt het jaren. Sommige beagles raken die angst nooit meer kwijt. Die blijft dan sluimeren.”

Zachtjes en met beleid streelt Pols over het wit bevlekte kopje van een van de overgebleven beagles. “Deze beestjes komen van ver. Dat je hen nog een leuk leven kan geven, daar doe je het voor.”

Een kwart van alle dierproeven is verplicht 

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit registreerde 449 874 dierproeven in 2016. Muizen (40,2 procent), ratten (27,2 procent) en kippen (13 procent) worden daarbij het meest gebruikt. Van 2016 steeg het aantal 656 honden en 89 katten naar 909 honden en 200 katten een jaar later. Een kwart van alle dierproeven is verplicht door de overheid. Dierproeven worden vooral gebruikt voor het testen van nieuwe medicijnen en voedingsmiddelen.

Lees ook:

De dubieuze designerkat

Het is een door de mens gemaakt dier dat in het wild niet kan overleven. Daarom willen dierenorganisaties een einde aan het ‘martelfokken’ van designerkatten.

De Nederlander wil niet betalen voor dierenwelzijn

We kunnen dierenrechten met de mond belijden, in de winkel spreekt toch vooral de portemonnee, schrijft Tom Saat, biologisch boer in Almere.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden