Seksslavinnen van de godin moeten elke man dienen

In India geldt een verbod op het wijden van meisjes aan godin Yelamma. In de praktijk werden de kinderen tot een leven als prostituee veroordeeld. Toch komen er nog steeds ’devadasi’s’ bij. Trouw ging op reportage in een regio vol armoede en angst voor de wraak van de godin.

Laurence d’Hondt

Met een man trouwen kunnen ze niet, want ze zijn al gehuwd. Met een hindoegodin. Daar danken ze hun naam aan: devadasi’s, ’slavinnen van God’.

Relaties met één man gaan ze niet aan; ze zijn de belichaming van het principe van de vrije en onbeperkte liefde. In vervlogen tijden wijdden de devadasi’s hun leven aan dans en muziek, tegenwoordig lijkt hun bestaan meer op dat van een gewone, seculiere prostituee.

Irawati (38) steekt haar handen in de lucht, een gebaar om duidelijk te maken dat ze zich niet meer precies kan herinneren hoe ze in de ’heilige prostitutie’ is beland. Het moeten pijnlijke herinneringen zijn, van toen ze vijf, zes jaar oud was en geen idee had wat de religieuze rituelen betekenden die van haar een ’slavin van godin Yelamma’ maakten. Ze werd aan de godin gewijd, zo klein als ze was, om een vleesgeworden brug te zijn die elke man die met haar slaapt, een religieuze belevenis bezorgt.

Een meisje was Irawati toen, in een klein stadje in Karnataka in het zuidwesten van India. Ze hoorde bij de dalits, de analfabete onaanraakbaren, de laagste kaste van het hindoestelsel. Terwijl ze praat, trekt ze verlegen haar groene sari wat omhoog om haar haar te bedekken.

„Pas toen mijn moeder me vertelde dat er een man me zou komen opzoeken, begon ik te begrijpen wat het betekende om devadasi te zijn.” Op die dag verlieten haar vader, een landloze boer, haar moeder en haar twee broers de lemen hut. Een wat rijkere man kreeg zo de kans om het kind – ze had nog nauwelijks borsten, herinnert Irawati zich – te ’eren’. Als tegenprestatie voor de ontmaagding betaalde de man duizend roepies – een klein kapitaal voor de arme familie van Irawati.

Het werd de opmaat van een leven dat in het teken van seks (’onbeperkte liefde’) staat. Voor omgerekend een dollar per keer leverde ze jarenlang haar diensten in een modderige hut in de wijk van de onaanraakbaren.

Als vroege dertiger werd ze daarna de maîtresse van een getrouwde man. Irawati kreeg een zoon en een dochter van hem.

Nu ze 38 is, is ze net de drempel overgestapt van de laatste fase van de carrière van een devadasi: die als bedelaarster. „Dit is geen eenvoudig leven”, zegt ze terwijl ze een choudiki, een houten instrument oppakt. „Ik heb geen man die me beschermt.” Ze begeleidt zichzelf bij het zingen van traditionele devadisi-liedjes.

Haar dochter schaamt zich voor het leven dat haar moeder nu leidt. Maar op deze leeftijd kan Irawati weinig anders meer dan bedelen en zich seksueel beschikbaar stellen aan mannen.

Irawati is een seksuele slavin van Yelamma. En het kan nog erger. In een dorpje verderop is het druk op straat met mannen, koeien en bromfietsen, net als overal in India.

Shanta is twintig, ze komt uit dezelfde provincie als Irawati. Al jaren zwerft ze door het land met niet meer dan een tas met parfum bij zich, om de liefde voor de godin te volgen; overal geeft ze haar lichaam voor een grijpstuiver.

Ze is devadasi, maar ook basavi – letterlijk ’zwervende koe’, te arm om zich onderdak te kunnen permitteren. Het leven valt haar zo zwaar, dat ze uiteindelijk toevlucht zocht in het bordeel van haar broer in Miraj in het zuidelijke Maharashtra.

Het halfdonkere bordeel bestaat uit kamertjes zonder ramen of toilet. Hier vond Shanta een beetje ’redding’, zegt ze, weg van het leven als basavi.

Maar goed gaat het haar niet: een bloedtest wees uit dat ze hiv-positief is. Ze is geen uitzondering; in de streek waar ze vandaan komt, heeft een op de zes inwoners hiv.

„We leggen de meisjes uit hoe je een condoom moet gebruiken”, vertelt Usha, een oudere prostituee die zich opwerpt als hulpverleenster in het bordeel. Ze doet het voor met een condoom en een stok. „Maar voor sommige meisjes is het al te laat.”

Shanta kijkt star voor zich uit. Ze draagt zilveren banden om haar enkels en heeft zwarte tatoeages op haar wangen. Op haar schoot zit haar kind, om haar heen lachen jonge meiden als gevraagd wordt wat ze zich herinnert van vroeger. Shanta zwijgt eerst. Dan zegt ze dat het allemaal zo lang geleden is. „Ik ben aan Yelamma gewijd omdat ik verliefd was geworden opeen man waar mijn moeder tegen was.”

Ooit genoten devadasi’s achting, nu is het huwelijk met een godin niet meer dan een hoogdravende omschrijving van ’prostituee’. „Godsdienst is alleen maar een excuus om kinderen op te offeren aan rijke mannen en priesters”, zegt Shoba. Ze heeft met haar leven als devadasi gebroken. De mannen uit haar familie verwijt ze dat ze haar aan Yelamma hebben laten wijden om geld aan haar te verdienen.

Angst voor de wraak van Yelamma voelt Shoba niet meer. In het betonnen gebouw van een vrouwenorganisatie die zich tegen de oude traditie verzet, vertelt ze haar verhaal. Haar moeder was zo wanhopig na de komst van vijf jongens, dat ze Yelamma beloofde een dochter aan haar te wijden, mocht die geboren worden. Toen Shoba zes was, krabbelde haar moeder terug, maar de familie drong aan, uit angst voor de woede van de godin. En financieel zou het ook erg ongunstig uitpakken. Shoba werd gewijd. Een tijdlang probeerde ze haar kuisheid te bewaren. Vergeefs.

Elke maand, bij een vollemaansfeest, gaat Shoba nu naar de Yelammatempel in Saundatti, waar de rituelen voor devadasi’s worden voltrokken. Ze probeert daar de devadasi’s ervan te doordringen dat ze de woede van Yelamma niet over zich afroepen als ze seks weigeren.

Maar mannen blijven ervan overtuigd dat het hen spiritueel vooruit helpt als ze met een devadasi slapen. Al zegt een van de heilige teksten dat ’de ware seksuele vereniging die tussen de kosmische goding Shakti en de geest van Atman is – andere seksuele daden zijn niet meer dan vleselijke relaties met vrouwen’.

In het zuiden van India beleefden de devadasi’s hun glorietijd. In de feodale periode was devadasi worden een voorrecht voor vrouwen die toegang kregen tot bharatnatyam, de verheven kunst van dans en muziek. Ze vervulden taken in tempels en ontwikkelden zich tot een machtige vrouwenklasse. Later verloren ze die status. In de twintigste eeuw was er weinig meer van de hoogstaande rituele en artistieke functie van devadasi’s over; wat restte was een rol als lichtekooi.

Onder invloed van de Engelsen en het loslaten van het strakke kastensysteem is het fenomeen devadasi inmiddels flink teruggedrongen. India heeft zelfs verboden nog meisjes aan Yelamma te wijden. Maar vooral voor meisjes uit de kaste van de onaanraakbaren in de armste delen van India is dat verbod nog niet effectief. Daar mislukken oogsten door droogte, trekken mannen weg en moeten meisjes door wijding aan de goding voor wat extra inkomsten zorgen.

De sterkste tegenkracht vormen de oud-devadasi’s. De gewezen ’slavinnen van de godin’ proberen niet alleen door economische steun – geld of een koe voor een devadasi – maar ook door educatie vrouwen uit de greep van de angst voor Yelamma te redden. De oud-devadasi’s doen hun werk vooral tijdens de vollemaanfeesten; dan proberen ze geruchten op te vangen over aanstaande wijdingen en de initiaties te voorkomen of te stoppen. Hun bevindingen rapporteren ze aan de politie.

Alle tegenwerking ten spijt, bloeit de meisjeswijding nog steeds. Het grote economische profijt dat politiemensen, priesters en sommige oud-devadasi’s trekken van de door hen opgezette bordelen waar devadasi’s werken, maakt het uitbannen van het gebruik moeilijk. Klachten van devadasi’s over hun erbarmelijke lot zijn vaak aan dovemansoren gericht; in India zien velen die ellende als de onontkoombare erfenis uit een vorig leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden