Seculiere hufterigheid

Mag een kerk in eigen huis haar eigen regels bepalen, ook als de staat en de samenleving die discriminerend vinden? Ja, stellen de vier auteurs op deze pagina’s. „Want dat is onderdeel van de vrijheid van godsdienst en maakt deel uit van het beginsel van de scheiding van kerk en staat.”

De hostierel, hét symbool van Nederlandse seculiere hufterigheid en een volkomen gebrek aan enig besef van heiligheid, kwam ten einde toen het bisdom overstag ging en verklaarde dat ter communie gaan aan het geweten van de individuele gelovige overgelaten zou worden.

Maar er resten principiële vragen. Mag een kerk in eigen huis haar eigen regels bepalen, ook als de staat en de samenleving die discriminerend vinden?

Ja, stellen wij, want dat is onderdeel van de vrijheid van godsdienst en maakt deel uit van het beginsel van de scheiding van kerk en staat.

Nee, zegt onder anderen fractievoorzitter Femke Halsema van GroenLinks op Twitter: „Vrijheid van godsdienst is echt iets anders dan de vrijheid van een kerkelijke instantie om anderen te weigeren”. Volgens deze definitie betekent godsdienstvrijheid dat je wel in vrijheid mag geloven, maar niet de vrijheid hebt om in de kerk, zo te zeggen in eigen huis, dat geloof volgens de regels van het huis te praktiseren als die regels de staat onwelgevallig zijn.

Ploumen en haar partijgenoot Eberhard van der Laan, oud-minister van Prachtwijken, zeiden het zo: „De kerk is van ons allemaal”. Dat blijkt dan te betekenen dat de scheiding van kerk en staat vooral inhoudt dat de kerk zich moet houden aan de regels van de staat.

De discussie rond de hostierel duidt erop dat het standpunt van Halsema op sympathie kan rekenen, ook onder politici. Dit betekent dat de vrijheid van godsdienst zelfs binnen het eigen domein van de kerk onder druk kan komen te staan of op zijn minst niet langer vanzelfsprekend wordt geacht. Dat is niet verwonderlijk. Vrijheid van godsdienst lijkt eerder toegespitst op de individuele burger dan op de kerk. Bij het individu en zijn wensen en rechten kun je je van alles voorstellen, terwijl de kerk steeds vaker wordt beschouwd als een overbodig relict uit voorbije tijden. Omdat een tandarts beter is dan een kwakzalver en een huis met riolering comfortabeler dan een huis met een poepdoos in de tuin, daarom moet de wereld ook in moreel opzicht alleen maar vooruitgang hebben geboekt en daarom zijn onze waarden van nu per definitie beter dan de oude en tijdloze waarden van de kerk.

De uiterste consequentie van deze denkwijze is dat van de kerk geëist zal worden dat zij in regels, denken en praktiseren gelijk wordt aan dat wat de overheid (als stem van een toevallige meerderheid) raadzaam en correct acht en wat in de samenleving wenselijk en ’van deze tijd’ wordt gevonden.

Volgens de leer van de katholieke kerk moet iemand die de hostie wil ontvangen – en de hostie, een stukje ouwel, is na de consecratie niets minder dan het lichaam van Christus – in staat van genade zijn. Een praktiserend homoseksueel is dat niet, volgens diezelfde leer. Wanneer een priester tijdens de mis dus iemand voor zich op ziet doemen in een roze pak en met een roze driehoek in de hand, dan kan hij niet anders dan diegene voorstellen om niet ter communie te gaan. Communie veronderstelt een bepaald zondebesef. En zondebesef kan niet gepaard gaan met een godsbeeld waarin Onze Lieve Heer alles wel goed vindt omdat hij immers liefde is. God is geen links-liberale welzijnswerker.

Volgens deze kerk is de homoseksuele praxis dus zondig. Veel kerken zijn ook van mening dat de Bijbel duidelijk leert dat vrouwen niet tot kerkelijke ambten mogen worden toegelaten, en omdat zij de Bijbel aanvaarden als het Woord van God Zelf, accepteren zij deze regel in de praktijk van het kerkelijk leven. Een meerderheid in onze samenleving zal beide regels discriminerend achten. Volgens de redenering van de Halsema’s en de Ploumens zou de kerk om die reden haar standpunten en regels moeten aanpassen aan die van de niet-kerkelijke, seculier-liberale meerderheid. Dat is een vervelende vorm van willekeurig totalitarisme, die ongepast en ongewenst is ten opzichte van christelijke kerken en organisaties, nauw verbonden als deze zijn met de tradities, geschiedenis en cultuur van ons land.

Wanneer de kerk tegenwoordig nog aanspraak zou maken op zeggenschap over de inrichting van de samenleving, zou er meteen geroepen worden dat de scheiding van kerk en staat in het geding is. De vrijheden van de samenleving zouden dan immers worden beperkt door de leerstellingen en moraal van de kerk. Het beginsel van de scheiding van kerk en staat betekent dat de kerk geen formele positie in de publieke besluitvormingsprocedure heeft. En dus moet zij zich uitsluitend met haar eigen zaken bemoeien.

Maar het beginsel van de scheiding van kerk en staat houdt ook in dat kerken vrij zijn van overheidsinmenging in hun geloofsleer en geloofspraktijk. Dit is op heldere wijze uiteengezet in het eerste amendement op de Amerikaanse Grondwet. Daar heet het dat de overheid shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof, or abridging the right of people peaceably to assemble. De scheiding van kerk en staat houdt dus in de eerste plaats in dat de overheid geen religie aan de samenleving mag opleggen (ook niet de seculiere religie van het gelijkheidsdenken) en de vreedzame uitoefening van de vrijheid van godsdienst niets in de weg mag leggen.

Democratie is niet bedoeld om iedereen tot dezelfde opvattingen te dwingen, maar biedt spelregels om met verschillen van mening om te gaan. Wie die spelregels accepteert, hoort er bij. Juist ook de kerk.

Dit laatste staat onder druk. Nu de kerk in eigen huis wordt lastiggevallen vanuit de samenleving, zijn er maar bitter weinig mensen die de vrijheid van godsdienst en het recht van de kerk om een minderheidsstandpunt te hebben, verdedigen. De scheiding tussen kerk en staat wordt nu in het debat meermaals zeer dwingend doorgevoerd, maar slechts in één richting: de kerk dient angstvallig achter het tuinhekje van de staat en het publieke leven te blijven staan, terwijl staat en straat het hekje van de kerk brutaal mogen openduwen en in het domein van de kerk luidruchtig nieuwe regels uitschreeuwen.

Wat rest is dan niet meer dan een debat met verwijzingen naar de interne verdeeldheid van de rooms-katholieke kerk. Zo is de afgelopen weken melding gemaakt van praktiserende homoseksuelen die elders wel ter communie mogen gaan of kunnen uitwijken bij priesters en leken die een andere mening zijn toegedaan. Dat is soms ook moeilijk te volgen en misschien zelfs inconsequent te noemen.

Maar deze praktijk is geen bewijs voor de stelling dat de ’middeleeuwse’ manieren van de kerk veranderd moeten worden en aangepast aan ’de eisen van deze tijd’. En het bewijst ook niet dat ieders persoonlijke theologische en kerkelijke opvattingen in de kerk een plaats behoren te krijgen op een manier die individuele burgers wenselijk, redelijk en eigentijds achten – van het ’Jezus sluit niemand uit’ tot Halsema’s „Ik dacht dat de kerk open zou staan voor iedereen? God is liefde, toch?”

Van de kerk lijkt in toenemende mate te worden verwacht dat zij haar leer op een zodanige wijze vertaalt en presenteert dat deze voor de niet-gelovige of niet-kerkelijke samenleving begrijpelijk en prettig en daarmee aanvaardbaar is.

Te gemakkelijk wordt over het hoofd gezien dat er een verschil bestaat tussen religiekritiek en pogingen om van buitenaf kerkelijke regels en leerstellingen te veranderen. Halsema stelde dat islamcritici toch moesten weten dat de kerk niet boven maatschappelijke kritiek verheven is. Dat is zo, en religiekritiek is nodig en waardevol. Maar in deze zaak ging het zo ver dat de publieke omroep (NCRV) in het programma ’Man bijt Hond’ een daad van heiligschennis faciliteerde. Een kerkelijke eredienst werd verstoord na de oproep van Ploumen en anderen om te protesteren. Dat laatste is een strafbaar feit volgens artikel 146 van het Wetboek van Strafrecht, ook al meent Halsema dan dat het (’tsjongejonge’) alleen maar om verstoring door zingen ging. PVV’ers mogen ook niet op bemodderde klompen een moskee binnendenderen uit protest tegen de daar verkondigde opvattingen van de islam.

De Gay Krant berichtte dat het de plebaan was die had geprovoceerd door vast te houden aan een strenge uitleg van de kerkelijke leer. Voormalig PvdA-kamerlid Marleen Barth constateerde dat de kerk in letterlijke toepassing van de bijbelse voorschriften selectief winkelde en daarom het Woord van God voor de eigen politieke agenda gebruikte. Dat is waar, de kerk heeft dat gedaan of zij heeft op zijn minst die indruk gewekt. Volgens Barth is het weigeren van de communie aan homoseksuelen „dan dus net zo’n demonstratieve actie als in roze kleding naar de mis gaan”. Kortom, stelt Barth, als de kerk zich zo in eigen huis gedraagt, kan zij protesten verwachten. Had zij de samenleving met deze onwelgevallige opvattingen maar niet moeten uitdagen.

De diffuse scheiding van kerk en staat is problematisch, omdat zij als beginsel niet altijd goed begrepen wordt. Ondanks de communicatieve blunders van het bisdom blijft staan dat de kerk, van welke denominatie dan ook, doorgaans geen democratisch instituut is en dat zij in eigen huis, als zij dat niet wil, geen diversiteit, gelijkheid, homo-emancipatie of democratische besluitvorming hoeft in te voeren. Dachten wij. In de commotie rond het al dan niet weigeren van de heilige communie wordt dit alles zowel impliciet als expliciet ter discussie gesteld door politici, door (al dan niet door de overheid gesubsidieerde) homobelangenbehartigers en kerkelijke en onkerkelijke opiniemakers.

Zou dit alles uiteindelijk tot gevolg kunnen hebben dat het Openbaar Ministerie tot vervolging van kerkelijke dienaren zal overgaan? Priester Antoine Bodar denkt niet dat het tot een veroordeling zal komen. En hij heeft goede redenen om dat te veronderstellen.

Maar moeten we niet vrezen dat, wellicht niet nu maar in de nabije toekomst, de onwetende publieke opinie voor een klimaat zal zorgen waarbinnen de vrijheid van godsdienst als grondrecht in juridische afwegingen het onderspit zal delven ten faveure van het gelijkheidsbeginsel?

Artikel 6 van de Grondwet stelt: „Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Zou dit artikel in een kerkvijandig dan wel onwetend maatschappelijk klimaat niet steeds meer uitgelegd kunnen gaan worden als betekenden de woorden ’behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ een aansporing om de kerk te dwingen om zich aan de wet te houden en niet te ’discrimineren’, vrouwen toegang te geven tot het priesterschap, ongelovigen, anders gelovigen en zondaars ter communie te laten gaan of, in de protestantse kerken, mensen deel te laten nemen aan het avondmaal zonder dat men openbare belijdenis van het geloof heeft afgelegd? Wat als er mensen gaan eisen dat iedere kerk het huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht moet inzegenen omdat dit toch ook een huwelijk van liefde is en Onze Lieve Heer het goedkeurt als mensen van elkaar houden?

De hostierel is voorbij, maar de gevolgen ervan zullen waarschijnlijk nog lang doorwerken. Velen zullen immers weinig weerstand kunnen bieden aan de verleiding om de kerk niet de kerk te laten. Daarom is het de hoogste tijd voor een debat over de betekenis en positie van de kerk in onze samenleving.

Nu wordt er, mede door de opkomst van de islam, al langer gedebatteerd over de plaats van religie in de samenleving. Het problematische aan deze discussie is dat daarbij doorgaans de stelling wordt gehanteerd dat islam en christendom hetzelfde zijn omdat het allebei religies zijn. Waarbij liberalen de conclusie trekken dat alle religie overbodig is en daarom achter de voordeur moet verdwijnen, en christen-democraten zich aan een tegenovergestelde vorm van godsdienstrelativisme schuldig maken: alle religie is goed en verdient daarom in gelijke mate bescherming.

Wat hierbij ontbreekt is een erkenning van onze historische verbondenheid met en schatplichtigheid aan de christelijke cultuur voor wat betreft onze democratische rechtsstaat, onze civiele deugden en ons moreel kapitaal. Dit zijn belangrijke prepolitieke voorwaarden voor het bestaan en voortbestaan van de democratische rechtsstaat, die door de staat niet worden gegarandeerd of afgedwongen kunnen worden.

Wanneer we de kerken zouden dwingen net zo plat en eigentijds te worden als wij zelf zijn geworden, dan vallen deze voorwaarden weg en ontstaat er onherroepelijk een geur van ontbinding rondom democratie en rechtsstaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden